3.1. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1.
hij op tijdstippen in de periode van 16 juli 2014 tot en met 22 december 2014 te Apeldoorn en te Doesburg telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] , met het oogmerk [betrokkene 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte:
- [betrokkene 1] meermalen met een (mobiele) telefoon en via internet sms’jes en berichten met hinderlijke en bedreigende en beledigende teksten gestuurd, en
- [betrokkene 1] meermalen brieven en (post)pakketjes (met kaartjes) met hinderlijke en bedreigende en beledigende teksten gestuurd, en
- familieleden en vrienden en kennissen van [betrokkene 1] meermalen met een (mobiele) telefoon en via internet sms’jes en berichten met hinderlijke en bedreigende en beledigende teksten gestuurd, en
- [betrokkene 1] meermalen op haar huisadres en op het adres van haar ouders benaderd en opgezocht en zich in de directe omgeving van [betrokkene 1] en die adressen opgehouden, en
- meermalen familie en vrienden en kennissen van [betrokkene 1] opgezocht en benaderd en geprovoceerd en bedreigd, en
- op Facebook, althans op internet een nepprofiel van [betrokkene 1] gemaakt.
3.
hij in de periode van 21 december 2014 tot en met 22 december 2014 te Apeldoorn opzettelijk en wederrechtelijk een kerstboom en kerstballen en een ruit van de voordeur en een wasrek, toebehorende aan [betrokkene 1] en woningbouwvereniging/-stichting Ons Huis, heeft vernield.”
3.2. Zoals hierboven al vermeld heeft het hof deze feiten gekwalificeerd als “belaging” en “opzettelijk wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd” en heeft het de verdachte ter zake van deze feiten een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden opgelegd. Met betrekking tot de – aan het voorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf gekoppelde – bijzondere voorwaarde en het bevel tot de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan, heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:
“Aan het gedeelte voorwaardelijke gevangenisstraf zal het hof de bijzondere voorwaarde verbinden dat het verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is om, middellijk of onmiddellijk, op welke wijze ook, contact te leggen of te laten leggen met [betrokkene 1] en/of haar familieleden, behalve als dit contact plaatsvindt in het bijzijn van betrokken instanties in het kader van een eventuele omgangsregeling met de zoon, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Het hof zal deze bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar verklaren. Er moet naar het oordeel van het hof, gelet op de ernst en de intensiteit van het aan verdachte ten laste gelegde handelen en de verdenking dat verdachte ook na het ten laste gelegde feit is doorgegaan met het belagen van aangeefster, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
3.3. De onmiddellijke uitvoerbaarheid van een bijzondere voorwaarde heeft de afgelopen jaren al veelvuldig en in verschillende varianten tot de gedeeltelijke vernietiging van in hoger beroep gewezen arresten geleid en ook het onderhavige arrest lijkt mij eenzelfde lot beschoren. Ten aanzien van de toepassing van art. 14e Sr moet volgens de Hoge Raad worden vooropgesteld dat een rechterlijke uitspraak in de regel pas tenuitvoergelegd mag worden nadat zij onherroepelijk is geworden. De in art. 14e Sr voorziene uitzondering op deze regel met betrekking tot bijzondere voorwaarden (art. 14c Sr) en het uit te oefenen toezicht (art. 14d Sr) kan voor een veroordeelde verstrekkende gevolgen hebben. Mede gelet hierop moet de rechter in zijn motivering laten blijken te zijn nagegaan dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden voor een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid is voldaan.
3.4. Wat deze motiveringsplicht aangaat geldt ingevolge art. 14e Sr voor een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid als voorwaarde, dat “er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, kunnen noch belaging noch vernieling zonder meer als een zodanig misdrijf worden aangemerkt. Op het hof rustte derhalve de plicht om in het bijzonder te motiveren waarom ten minste één van de bewezenverklaarde feiten in de onderhavige zaak wel als in art. 14e Sr omschreven misdrijf moet worden gezien. Aan die plicht heeft het hof niet voldaan.
3.5. Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat “er (…) ernstig rekening mee [moet] worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”. Deze overweging ziet op de in art. 14e Sr genoemde voorwaarde voor een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, namelijk het gevaar voor recidive. Ook hiervoor geldt dat uit de betreffende overweging niet kan worden opgemaakt om welke (bijzondere) reden ten minste één van de bewezenverklaarde feiten in casu ook daadwerkelijk een misdrijf als omschreven in art. 14e Sr oplevert, zodat van het “wederom” begaan van een dergelijk misdrijf geen sprake kan zijn.
3.6. Het middel treft doel.
3.7. Ik meen dat de Hoge Raad de onderhavige zaak om doelmatigheidsredenen zelf zal kunnen afdoen.
3.8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het bevel dat de in de uitspraak gestelde voorwaarde ex art. 14c Sr en het in de uitspraak opgedragen reclasseringstoezicht ex art. 14d Sr dadelijk uitvoerbaar zijn.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG