ECLI:NL:PHR:2018:1069

ECLI:NL:PHR:2018:1069, Parket bij de Hoge Raad, 02-10-2018, 17/01445

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 02-10-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/01445
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:2430
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie plv AG. Falende klacht over door het hof gebezigde maatstaf en motivering bij afwijzing getuigenverzoek. Strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

- bij appelschriftuur van 5 januari 2015 zijn met betrekking tot het incident in bar Extase getuigen opgegeven, maar niet de getuige [getuige 1] . In deze schriftuur heeft de raadsman bij de opgave van onderzoekswensen met betrekking tot een ander incident namens de verdachte aangegeven ‘dat hij deze schriftuur zal wijzigen c.q. aanvullen als hij na ontvangst van de uitgewerkte bewijsmiddelen meer duidelijkheid heeft in de motivatie van de rechtbank’;

- op 15 januari 2016 is een aanvulling op de appelschriftuur ingediend. Het middel betoogt dat de verdachte bij die aanvulling (gemotiveerd) heeft aangegeven waarom hij ‘eveneens de bedrijfsleider van de bar Extase zou willen horen (…)’. Kennelijk wordt hiermee gedoeld op de volgende passage uit de aanvullende appelschriftuur:

“Kl. heeft (later) begrepen dat de uitsmijter van extase zich het gebeuren herinnert en daarover kan verklaren. Hij wenst derhalve alsnog deze als getuige te horen.”

- De toelichting op het middel vermeldt dat de verdachte ‘op 2 februari naar aanleiding daarvan nog een verklaring (heeft) overgelegd van deze bedrijfsleider (…)’. Op 2 februari 2016 is door de raadsman een e-mailbericht aan het hof verzonden met als bijlage de verklaring van ‘bedrijfsleider [getuige 1] ’. Dit e-mailbericht bevat geen verzoek tot het (nader) horen van die [getuige 1] , noch wordt in dat bericht vermeld dat deze [getuige 1] de in de aanvullende schriftuur bedoelde getuige (de uitsmijter) zou betreffen.

- Ter terechtzitting bij het hof heeft de raadsman, gezien de aan het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof van 16 november 2016 gevoegde pleitnota, het volgende aangevoerd:

“Daar komt dan nog de naar we mogen aannemen onpartijdige verklaring bij van de bedrijfsleider van Extase welke in zijn mail naar mij toe (de mail is 2 februari aan Uw Hof gezonden en wordt aan de pleitnota gehecht) aangeeft dat het niet moet zijn dat de verkeerde wordt veroordeeld en kl. naar zijn mening juist samen met hem het zinloos geweld in zijn ogen probeerde te voorkomen.

(…)

Voor zover veroordeling zou volgen wenst kl. de (nog niet gehoorde) bedrijfsleider te horen zoals al eerder verzocht in mijn schriftuur [omdat] deze van alles heeft meegekregen van het gebeuren welke heeft plaatsgevonden bij extase op de Grotestraat in Nijmegen en kennelijk gezien zijn mail de indruk had gezien het optreden van cliënt dat cliënt juist samen met hem het zinloos geweld in zijn ogen probeerde te voorkomen. Voor zover Uw Hof de verklaring van Rhoulil in de dienstauto wil gebruiken als bewijs van de significante betrokkenheid van cliënt dan is de verklaring van de bedrijfsleider van belang omdat hij de handelingen van cliënt binnen kennelijk heel anders heeft ingeschat.”

4. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek het volgende in (vetgedrukt in het origineel):

Aanvullende bewijsoverwegingen

(…)

Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] wijst het hof af. (…) Met betrekking tot het - eerst ter terechtzitting in hoger beroep gedaan - verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] oordeelt het hof dat dit niet noodzakelijk wordt geacht voor het nemen van enige beslissing in deze zaak.”

5. Het middel klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij zijn afwijzende beslissing van het bij (aanvullende) appelschriftuur gedane en ter terechtzitting herhaalde gemotiveerde verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] , dan wel dat zijn oordeel hieromtrent onbegrijpelijk is gemotiveerd.

6. Voor zover het middel betoogt dat het verzoek reeds bij (aanvullende) appelschriftuur is gedaan, mist het feitelijke grondslag. Immers, gezien hetgeen onder randnummer 3 is vermeld, is het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] eerst ter terechtzitting gedaan. In de aanvullende schriftuur wordt slechts gesproken over een nog niet als getuige gehoorde en niet nader bij naam genoemde ‘uitsmijter’. Niet blijkt, in tegenstelling tot hetgeen door de steller van het middel wordt betoogd, dat deze persoon de in het middel bedoelde bedrijfsleider [getuige 1] zou betreffen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan het er aldus niet voor worden gehouden dat bij (aanvullende) appelschriftuur gemotiveerd is verzocht de getuige [getuige 1] te horen. Voor zover het middel uitgaat van de stelling dat het bedoelde verzoek besloten ligt in de bij appelschriftuur gemaakte opmerking ‘dat hij deze schriftuur zal wijzigen c.q. aanvullen als hij na ontvangst van de uitgewerkte bewijsmiddelen meer duidelijkheid heeft in de motivatie van de rechtbank’, kan het eveneens niet slagen. Voor zover al moet worden aangenomen dat deze opmerking ook betrekking heeft op het incident in bar Extase, geldt immers dat op een degelijk in de appelschriftuur omschreven verzoek niet hoeft te worden beslist en het kan ook niet worden aangemerkt als een opgave van getuigen.

7. Gezien het voorgaande is het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] derhalve eerst ter terechtzitting gedaan. De toepasselijke maatstaf bij de beoordeling van dergelijke verzoeken betreft het noodzakelijkheidscriterium. Over de vraag of en in welke mate een afwijzing van zo’n verzoek nader dient te worden gemotiveerd zijn wegens de vele uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen geen algemene regels te geven. De aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren of de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen kan hierbij een rol spelen. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.

8. In onderhavig geval heeft het hof het (voorwaardelijk) ter terechtzitting gedane verzoek om de getuige [getuige 1] te horen afgewezen en daartoe overwogen dat dit door ‘het hof niet noodzakelijk wordt geacht voor het nemen van enige beslissing in deze zaak. Zodoende heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. Gezien hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, waarbij ook het stadium waarin het verzoek is gedaan een rol speelt, is ‘s hofs afwijzende oordeel van dit verzoek niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

9. Het middel faalt in al haar onderdelen en kan worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.

10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

De toelichting op de cassatieklacht, noch de aanvullende appelschriftuur vermeldt de datum waarop die aanvullende schriftuur zou zijn verzonden. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof vermeldt dat die aanvullende schriftuur op 15 januari 2015 zou zijn ingediend. Uit de aan de schriftuur gehechte e-mailconversatie blijkt echter dat die aanvullende schriftuur op 15 januari 2016 aan het hof zou zijn verzonden. Ik merk op dat zich in het dossier alleen de eerste pagina van de aanvullende appelschriftuur bevindt. De schriftuur heeft echter als bijlage gevoegd een twee pagina’s tellende aanvullende schriftuur, op de tweede pagina staat dit citaat. Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.41: “(…) Voorts kan niet worden volstaan met de opgave van bijvoorbeeld ‘alle personen, onder wie degenen doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt.” Zie ook r.o. 2.61 voor de overeenkomstige toepassing hieromtrent in hoger beroep. Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.59: “Wat betreft de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het oproepen van getuigen maakt de wet een strikt onderscheid naar gelang het verzoek wel of niet bij appelschriftuur is gedaan en is het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gedaan.” .” Zie ook r.o. 2.61 voor de overeenkomstige toepassing van dit criterium in hoger beroep. Zie ook HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, r.o. 2.8: “(…) Vanuit deze gezichtshoek bezien is bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek.” Zie: HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, r.o. 2.9. Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.76. Zie ook r.o. 2.77 inzake de terughoudende toetsing in cassatie van dergelijke beslissingen. Zie ook HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:440, r.o. 3.8.2. Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.76.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?