13. Het eerste middel treft geen doel.
14. Het tweede middel bevat twee klachten over de motivering van de bewezenverklaring.
15. De eerste klacht is dat het bevestigde vonnis van de politierechter niet de inhoud van de voor het bewijs gebezigde Whatsappgesprekken bevat. Gedoeld wordt op bewijsmiddel 4 dat slechts een opgave van het bewijsmiddel bevat. Hiermee is de vraag aan de orde of het hof met bevestiging kon volstaan met als gevolg dat de inhoud van de Whatsappgesprekken in het bevestigde vonnis ontbreekt.
16. De aantekening van een mondeling vonnis van de politierechter dient ingevolge art. 378, tweede lid, Sv te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197). Art. 3 van deze Regeling houdt onder d in dat de aantekening van het mondeling vonnis de navolgende gegevens dient te bevatten:
"inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) telastegelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt)."
17. In HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:602, NJ 2015/176 was eveneens de vraag aan de orde of bevestiging van een politierechtervonnis waarin was volstaan met een opgave van een bewijsmiddel in strijd met de wet is. De Hoge Raad oordeelde:
“Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat in de aantekening van het mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen slechts in het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv (bekennende verdachte) mag worden verwezen naar de processtukken.
Die opvatting vindt geen steun in voormelde Regeling noch in art. 359 Sv noch in de geschiedenis van de totstandkoming van de tweede volzin van het derde lid van die bepaling. (Vgl. HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5605, NJ 2010/7.)”
18. Het hof kon derhalve volstaan met bevestiging van het vonnis van de politierechter waarin bewijsmiddel 4 uitsluitend een opgave bevat van de vindplaats in het dossier.
19. De tweede klacht betreft het gedeelte van de bewijsoverweging waarin het verweer (standpunt) dat de verklaring van [betrokkene 1] onbetrouwbaar is, wordt verworpen. Die verwerping is volgens de steller van het middel onvoldoende nauwkeurig nu wordt verwezen naar de Whatsappgesprekken, terwijl de inhoud daarvan ontbreekt in de bewijsmiddelen. Daarbij wordt een beroep gedaan op de zogenaamde bronjurisprudentie: de rechter die zich op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens beroept, dient met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld.
20. Ik stel mij op het standpunt dat de klacht faalt, omdat door de door de wet toegestane opgave van bewijsmiddel 4 is voldaan aan het hierboven onder randnummer 19 vermelde vereiste onder (b). Ik wijs er ten overvloede op dat de bedoelde berichten zowel tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg als tijdens onderzoek in hoger beroep aan de orde zijn geweest.
21. Beide in het tweede middel geformuleerde klachten falen.
22. Het derde middel klaagt over de motivering van de beslissing op het verweer van verdachte dat haar verklaring bij de politie onder druk c.q. ten gevolge van dwingende suggestieve vragen tot stand is gekomen. Zie voor die beslissing van het hof onder randnummer 5 hierboven.
23. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 23 maart 2017 houdt als verklaring van verdachte onder meer in:
“U houdt mij voor dat dat ik op 12 juni 2014 tegenover de politie heb bekend dat ik valse aangifte heb gedaan. Tijdens mijn verhoor bij de politie had ik te maken met een nare vervelende verbalisant en ik ben toen onder druk gezet.”
24. Uit voormeld proces-verbaal van het hof blijkt dat de raadsman het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotitie. Het middel heeft kennelijk betrekking op de volgende passage uit de pleitnotitie:
“Haar verklaring bij de politie is op een onjuiste manier tot stand gekomen. Door [verbalisant] zijn enkel dwingende suggestieve vragen gesteld en ging hij er bij voorbaat van uit dat cliënte schuldig was. De verdediging kan na verhoor van deze agent niet anders dan bevestigen dat het om een zeer grote, dominant overkomende man gaat, dat sterkt bij de verdediging het gevoel dat het verhoor op soortgelijke wijze is afgenomen.
Cliënte is nooit in de gelegenheid geweest haar verhaal uit te leggen. Zo heeft zij nooit verklaard (en dus bekend) dat zij een valse aangifte heeft gedaan. Zij heeft enkel bevestigd (wederom op een suggestieve vraag) dat als [verbalisant] dacht dat het vals is, het dan wel vals zou zijn, cliënte werd immers toch niet geloofd dat zij met ag in Amsterdam was.
Tot slot (…). Gezien voorstaande kan de lezing van cliënte niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven.”
25. In het licht van hetgeen blijkens het proces-verbaal van het hof door en namens verdachte naar voren is gebracht, acht ik de motivering van de beslissing van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking:
- De verdachte klaagt in haar verklaring bij het hof weliswaar over een nare vervelende verbalisant en druk van de kant van die verbalisant, maar in haar verklaring bij het hof stelt verdachte zelf zich (anders dan in haar verklaring bij de politierechter) niet uitdrukkelijk op het standpunt dat haar verklaring bij de politie onjuist is.
- Aan hetgeen in de pleitnotitie wordt aangevoerd is geen andere conclusie verbonden dan dat haar lezing over de gang van zaken bij het verhoor door de politie niet als onaannemelijk ter zijde kan worden gesteld. Ik merk op dat indien de lezing van verdachte, zoals de verdediging wenst, aannemelijk wordt geacht bewijsuitsluiting nog niet het enige dwingende gevolg is. Dat er bewijsuitsluiting moet volgen, vermeldt de pleitnotitie niet en evenmin dat het optreden van de verhorende ambtenaar zodanig is geweest dat slechts bewijsuitsluiting in aanmerking komt.
- Er wordt in het verweer slechts gesteld dat er door de verhorende ambtenaar enkel (dus: uitsluitend) dwingende suggestieve vragen zijn gesteld en dat hij er bij voorbaat van uitging dat verdachte schuldig was. Gronden voor beide conclusies ontbreken in de pleitnotitie. De enkele omstandigheid dat de verdediging ‘gesterkt’ is in het ‘gevoel’ dat het verhoor op soortgelijke wijze is afgenomen vormt geen feitelijke grondslag, terwijl bovendien niet zonder meer duidelijk is wat hier wordt bedoeld met ‘soortgelijk’.
- In het midden blijft in het verweer waarom een bekentenis die is gegeven in de vorm van een bevestiging naar aanleiding van een vraag ontoelaatbaar is. Dat lijkt mij in het algemeen ook niet vol te houden. Dat die bevestiging hier het gevolg is van een suggestieve vraag wordt niet nader in het verweer onderbouwd. Volstaan wordt met de stelling.
26. Kennelijk voelt de steller van het middel ook wel aan dat de reactie van het hof op het verweer vanuit het cassatieperspectief niet onjuist of onbegrijpelijk is en daarom doet hij een beroep op doorbreking van de zogenaamde papieren muur (in zijn woorden: ‘een huzarenstukje waarvoor de Hoge Raad niet meer terugschrikt’). Ik stel mij op het standpunt dat feitelijke beoordeling van de vraag of verdachte uitsluitend ten gevolge van te suggestieve vragen heeft geantwoord hier niet aan de orde is. De Hoge Raad zou dan moeten kennisnemen van de processen-verbaal van verhoor, per vraag moeten beantwoorden of deze al dan niet suggestief is, bij eventuele suggestieve vragen moeten bezien of de vragen onaanvaardbaar (onrechtmatig) zijn geweest, of de onaanvaardbare vragen er toe leiden dat de antwoorden zonder meer van onwaarde zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten. Bij die aanpak zou de Hoge Raad het werk doen van een derde feitelijke instantie en dat is zeer onwenselijk.
27. Het derde middel heeft geen kans van slagen.
28. De middelen falen. Het derde middel kan in ieder geval worden afgedaan met behulp van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG