AANTEKENEN
[verdachte]
[a-straat 1]
[plaats]
Op 18 maart 2015 hebben we u een brief gestuurd. In die brief staat dat u een cursus over alcohol en verkeer moet volgen. Helaas heeft u de cursus niet, of niet op tijd betaald. U heeft de cursus dus ook niet gevolgd. Daarom hebben we besloten uw rijbewijs ongeldig te verklaren. U mag niet meer rijden vanaf 26 oktober 2015. In deze brief leest u waarom we dit besluit genomen hebben en wat dit voor u betekent.
U mag uw rijbewijs niet meer gebruiken. Stuur daarom uw rijbewijs op naar: CBR divisie Rij geschiktheid, afdeling Vorderingen, Postbus 3012, 2280 GA in Rijswijk.”
7. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Allereerst wordt geklaagd dat het hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was vanaf 26 oktober 2015, aangezien uit de bewijsvoering van het hof niet blijkt of en zo ja wanneer het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aan de verdachte bekend is gemaakt.
8. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddel 3, heeft kunnen afleiden dat het besluit tot ongeldigverklaring op 19 oktober 2015 aangetekend aan de verdachte is toegezonden en aldus aan de verdachte is bekendgemaakt, zodat de ongeldigverklaring op grond van art. 132 lid 4 WVW 1994 met ingang van 26 oktober 2015 van kracht is geworden. De bewezenverklaring is aldus in zoverre voldoende met redenen omkleed.
9. Verder wordt geklaagd dat het hof op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de verdachte op 11 december 2015 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
10. Aan de Hoge Raad is reeds in diverse zaken de vraag voorgelegd of uit de gebezigde bewijsmiddelen kon volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Zo oordeelde de Hoge Raad dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan het juiste adres van de verdachte was verzonden niet kon volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief aan hem was verzonden en niet retour was gekomen naar het CBR was daartoe evenmin voldoende.
11. In de onderhavige zaak houden de gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot de wetenschap van de verdachte niet meer in dan dat het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aangetekend aan de verdachte is toegezonden. Daaruit kan gelet op de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad echter niet worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De bewezenverklaring is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat het middel in zoverre terecht is voorgesteld.
12. Ten slotte klaagt het middel dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat, zoals bewezenverklaard, na de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven. Dat kan inderdaad niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgen. Het middel is ook in zoverre terecht voorgesteld.
13. Het middel slaagt.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden