4.1 Het eerste middel klaagt dat geen afschrift van de appeldagvaarding is gezonden naar een door de verdachte opgegeven adres zodat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst.
4.2 De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
(i) een door de griffier opgemaakte akte rechtsmiddel, inhoudende dat [betrokkene 1] op 26 maart 2015 ter griffie van de rechtbank Den Haag is gekomen en, daartoe gemachtigd, hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 19 maart 2015. De aan deze akte gehechte schriftelijke volmacht van 26 maart 2015, verleend door mr. N. van Schaik, houdt onder meer het volgende in: “Voorts kiest mijn cliënt domicilie te mijnen kantore voor toezending van de akte en de appeldagvaarding”;
(ii) een dagvaarding van verdachte in hoger beroep om op 7 maart 2016 ter terechtzitting van het gerechtshof Den Haag te verschijnen. Uit de een hierbij behorende akte van uitreiking blijkt dat de dagvaarding op 8 januari 2016 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is. Uit de andere akte van uitreiking blijkt dat:
- de dagvaarding op 19 januari 2016 tevergeefs is aangeboden op het laatst opgegeven woon- of verblijfadres van verdachte, te weten [a-straat 1] te [woonplaats], en dat ter plaatse een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de dagvaarding kon worden afgehaald op het in dat bericht genoemde postkantoor en
- de dagvaarding op 1 februari 2016 nogmaals is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar voornoemd adres.
4.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2016 houdt in dat de verdachte noch een raadsman is verschenen en dat tegen de verdachte verstek is verleend.
4.4 De in de schriftelijke volmacht gemaakte opmerking van de advocaat dat zijn cliënt domicilie kiest te zijnen kantore voor toezending van de akte en de appeldagvaarding kan naar mijn oordeel bezwaarlijk anders worden opgevat dan als opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
4.6 Het middel slaagt.
5. Nu het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG