BESLISSING
Het hof:
[…]
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2015, onder parketnummer 10-732274-13, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen, te vervangen door: een taakstraf voor de duur van 52 (tweeënvijftig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis.”
5. Vooraf zij opgemerkt dat de LOVS-oriëntatiepunten geen recht vormen in de zin van art. 79 RO, zodat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over een onjuiste toepassing ervan. Hoewel de feitenrechter niet is gebonden aan de LOVS-oriëntatiepunten en de uitleg hiervan aan hem is voorbehouden, kan in cassatie wel worden getoetst of de uitleg van die oriëntatiepunten en de toepassing ervan door de rechter begrijpelijk is.
6. Bij het omzetten van het voorwaardelijk deel van 12 dagen van de eerder opgelegde gevangenisstraf in een werkstraf van 52 uren heeft het hof blijkens zijn overwegingen onder het kopje “Vordering tot tenuitvoerlegging” aansluiting gezocht bij de LOVS-afspraken inzake de omzetting van een voorwaardelijke vrijheidsstraf in een taakstraf (art. 14g Sr). Kennelijk heeft het hof daarbij echter heen gelezen over de toelichting die pal onder de tabel vermeld staat: “In afwijking van de tabel art. 22b Sr (vervangende hechtenis bij oplegging taakstraf) wordt bij het bepalen van de duur van de vervangende hechtenis na omzetting aansluiting gezocht bij de oorspronkelijk opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf.” Dat een toelichting met deze inhoud onder de tabel is opgenomen, verbaast niet. In het arrest van 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:776, NJ 2014/207 heeft de Hoge Raad namelijk overwogen: “Ingevolge art. 14g, eerste lid, Sr kan de rechter gelasten dat de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden tenuitvoergelegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat de rechter zal gelasten dat een vrijheidsstraf zal worden tenuitvoergelegd die van langere duur is dan de niet tenuitvoergelegde straf. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat het de rechter evenmin vrij staat om een vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf overstijgt” (cursivering van mij, AG). En in HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:831, NJ 2017/261 luidt de overweging: “Anders dan het middel betoogt, dwingt noch art. 22d, derde lid, Sr noch enige andere wetsbepaling de rechter ertoe bij het gelasten van een taakstraf ter vervanging van een vrijheidsstraf zulks te doen aan de hand van de maatstaf van twee uren taakstraf per dag vrijheidsstraf. Wel brengt - zo is in onder meer HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:776, NJ 2014/207 beslist - een redelijke wetsuitleg mee dat het de rechter niet vrij staat om voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, op de voet van art. 22d Sr vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf overstijgt.”
7. Het middel, dat mede gezien de toelichting daarop niet rept van de LOVS-richtlijnen en direct klaagt dat het hof de voormelde rechtspraak van de Hoge Raad heeft miskend, is terecht voorgesteld.
8. Ik meen dat de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid de zaak zelf kan afdoen en de duur van de vervangende hechtenis kan bepalen op twaalf dagen.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, te dien aanzien tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden