B.
Een geschrift, zijnde een Besluit ongeldigverklaring rijbewijs van het CBR van verdachte
d.d. 16 januari 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Besluit
Uw rijbewijs is ongeldig vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit.
C.
Een digitaal gewaarmerkte fotokopie van een proces-verbaal met nummer PL0200- 2014058943-2, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] voornoemd d.d. 27 mei 2015 inhoudende als bevindingen van verbalisant, zakelijk weergegeven:
Ik kende verdachte toen ik hem op 3 juni 2014 staande hield. Op 10 maart 2014 had ik ook reeds proces-verbaal tegen hem opgemaakt. Dat proces-verbaal betrof eveneens het rijden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte verklaarde ook op 10 maart 2014 al aan mij dat zijn rijbewijs zoek was geraakt bij het CBR.
D.
Een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 5 juli 2016.”
12. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:
“Bewijsmotivering:
Op 10 maart 2014 is verdachte staande gehouden door dezelfde verbalisant als die welke hem op 3 juni 2014 staande hield. Op 10 maart 2014 is aan verdachte door die verbalisant proces-verbaal aangezegd wegens, onder andere, rijden zonder geldig rijbewijs. Verdachte verklaarde toen dat zijn rijbewijs bij het CBR was zoek geraakt. Die mededeling hield in ieder geval in de wetenschap dat het rijbewijs bij het CBR was én dat verdachte dat rijbewijs nog niet terug had ontvangen. Op 3 juni 2014 was die situatie volgens verdachte ongewijzigd.
De op 10 maart 2014 aan hem door de verbalisant gedane mededeling over de ongeldigheid van zijn rijbewijs gevoegd bij zijn wetenschap dat het rijbewijs toen (op 10 maart 2014) en op 3 juni 2014 (nog steeds) bij het CBR was maakte dat verdachte op 3 juni 2014 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.”
13. Anders dan in bewijsmiddel B staat vermeld, gaat de ongeldigverklaring van een rijbewijs niet in vanaf de zevende dag na de dagtekening van het besluit waarbij het rijbewijs ongeldig is verklaard. Art. 132, vierde lid, WVW 1994 bepaalt immers dat de ongeldigverklaring van kracht is met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekendgemaakt. Van enige vorm van bekendmaking van het in bewijsmiddel B weergegeven besluit aan de verdachte, geven de gebezigde bewijsmiddelen echter geen blijk. Derhalve kan in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat het rijbewijs van de verdachte op 3 juni 2014 ongeldig was verklaard, zodat evenmin uit deze bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Reeds om deze reden slaagt het welwillend door mij gelezen middel.
14. Indien de Hoge Raad evenwel van oordeel is dat in cassatie moet worden aangenomen dat het rijbewijs op 3 juni 2014 ongeldig was verklaard, heeft mijns inziens het volgende te gelden.
15. De vraag of de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, is in cassatie vaker aan de orde geweest. Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en/of als gewone brief is verzonden en de brief niet als onbestelbaar retour bij het CBR is gekomen, kan niet zonder meer het “weten” of het “redelijkerwijs moeten weten” in de zin van art. 9, tweede lid, WVW worden afgeleid. Dat postbedrijven het aangetekende poststuk gewoonlijk retourneren indien het niet persoonlijk aan de geadresseerde kan worden uitgereikt, maakt dat niet anders. Voorts is de omstandigheid dat de verdachte er weet van heeft dat hem door het CBR de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer is opgelegd en dat het niet nakomen van de daaraan verbonden verplichtingen tot ongeldigheid van het rijbewijs kan leiden, onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daartoe kan evenmin grond bieden het feit dat de verdachte eerder straf heeft ondergaan in het kader van rijden terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard. De rechtspraak waarnaar ik in de voetnoten heb verwezen, laat zien dat de Hoge Raad hoge eisen stelt aan de bewezenverklaring van het weten of redelijkerwijs moeten weten van de ongeldigverklaring van het rijbewijs.
16. Op grond van de bewijsmiddelen staat weliswaar vast dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit zijn rijbewijs niet tot zijn beschikking had, maar niet blijkt daaruit dat het besluit van het CBR, zoals aangehaald in bewijsmiddel B, aan de verdachte is verzonden (en door hem is ontvangen). Om die reden al, schiet de bewijsvoering in de onderhavige zaak tekort. Dat tegen de verdachte op 10 maart 2014 een proces-verbaal in het kader van de ongeldigverklaring van het rijbewijs zou zijn opgemaakt, doet daaraan niet af, al was het maar omdat (ook) dit proces-verbaal met geen woord rept van enige bekendmaking van de ongeldigverklaring aan de verdachte. En, anders dan het hof heeft geoordeeld, uit de verklaring van de verdachte dat zijn rijbewijs is zoekgeraakt bij het CBR kan evenmin (zonder meer) worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
17. Ik meen dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, zodat het tweede middel in de welwillend door mij gelezen zin slaagt.
18. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede middel slaagt.
19. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden