HENNEPKWEKERIJ
V: Wat kan u verklaren over de door ons, op de [a-straat 1] te [plaats], aangetroffen hennep?
A: Ik zie het anders, ik heb wel gezien dat er een tentje stond met plantjes erin.
V: Wanneer heeft u het voor het eerst gezien?
A: Dit was hooguit een week voor het moment dat jullie binnen kwamen?
V: Wat trof u daar aan dan?
A: Ik zag alleen die tent en ik weet niet wat er verder precies allemaal in zat.
V: Heeft u wel gezien dat hier een hennepstekkerij zat?
A: Ja dat heb ik wel gezien ja en daar was ik niet blij mee.
V: Wist u dat het verboden is om hennep te vervaardigen/telen?
A: Ja.
V: Wat was de bedoeling met de hennep?
A: Het is allemaal eigendom van die andere man, [betrokkene 3] .
V: Wie is de eigenaar van de hennepkwekerij?
A: [betrokkene 3] .
V: Hebben we het dan over [betrokkene 3] ?
A: Ja. Maar in de rest van de loods lagen nog wel andere spullen die wel van mij waren. Hij zou de winkel overnemen van mij?
V: Heeft u dus een growshop?
A: Ja.”
9. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof een andere strekking heeft gegeven aan de verklaring van de verdachte door slechts een deel van zijn antwoord op de vraag of hij had gezien dat er een hennepstekkerij zat tot het bewijs te bezigen en het onderdeel “en daar was ik niet blij mee” weg te laten. Daarnaast richten de stellers van het middel hun pijlen tegen het weglaten van een aantal passages, waaronder de passages tussen het antwoord van de verdachte op de vraag of hij had gezien dat er een hennepstekkerij zat en de vraag of hij dus een growshop had.
10. Het is aan de feitenrechter voorbehouden om van een bepaalde verklaring die onderdelen te selecteren en eventueel samen te vatten die hem betrouwbaar en nuttig voorkomen om daarop zijn oordeel te baseren en andere delen van de verklaring terzijde te laten. Wat in de uitspraak wordt weergegeven, mag niet in strijd zijn met de bewoordingen van de originele verklaring. De vrijheid van de feitenrechter vindt haar grens daar waar een verklaring, door de wijze waarop zij is weergegeven en/of door de selectie van onderdelen ervan, een betekenis zou krijgen die degene die haar heeft afgelegd daaraan niet heeft willen toekennen. De rechter mag aan het gebruikte onderdeel van een verklaring dus niet een andere betekenis geven dan de betekenis die dat onderdeel in het verband van de gehele verklaring had. Dat zou neerkomen op een ontoelaatbare denaturering van de verklaring.
11. Het hof heeft door het weglaten van de zinsnede “en daar was ik niet blij mee” geen wezenlijk andere betekenis gegeven aan de tot het bewijs gebezigde onderdelen van de verklaring van de verdachte. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij de loods had verhuurd aan [betrokkene 3] als ongeloofwaardig terzijde heeft geschoven. In het licht van de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter stond het hof dit vrij. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het hof tussenliggende onderdelen van de verklaring niet tot het bewijs heeft gebezigd. Die weglating laat onverlet dat met de vraag of de verdachte heeft gezien dat “hier” een hennepstekkerij zat, is gedoeld op de locatie aan de [a-straat 1] te [plaats] .
11. Het weglaten van de vragen en de antwoorden tussen het antwoord van de verdachte op de vraag of hij had gezien dat er een hennepstekkerij zat en de vraag of hij dus een growshop had, roept meer vragen op. Door het weglaten van een aantal passages en het gebruik van het woord “dus” in de vraagstelling wordt een koppeling gelegd tussen de verklaring van de verdachte dat hij had gezien dat er een hennepstekkerij zat en zijn verklaring dat hij een growshop had. Hoe dat ook zij, tot cassatie hoeft zulks niet te leiden. Met weglating van de vraag of de verdachte dus een growshop had en het bevestigende antwoord van de verdachte daarop, is de bewezenverklaring immers zonder meer toereikend gemotiveerd.
13. Het middel faalt.
13. Het tweede middel behelst allereerst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans dat deze bewezenverklaring onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van hennepafval en henneptoppen in (afgesloten) zakken en emmers. Verder wordt geklaagd dat het hof ondeugdelijk, althans onvoldoende begrijpelijk, heeft gereageerd op het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak wegens het ontbreken van wetenschap bij de verdachte van de aanwezigheid van hennep in de loods. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
13. De bewezenverklaring steunt op de hiervoor onder 5 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft in dit verband vastgesteld dat de verdachte de huurder van het pand was, dat hij heeft gezien dat daar een hennepstekkerij zat, dat een getuige de loods waar de hennepkwekerij / hennepstekkerij zich bevond “de loods van [verdachte] ” noemde en dat in een voertuig dat op naam van de verdachte staat resten van hennep zijn aangetroffen. Het hof overwoog voorts dat het de lezing van de verdachte, die inhoudt dat hij het pand had verhuurd aan [betrokkene 3] , ongeloofwaardig acht. Nu ook op geen enkele andere wijze aannemelijk is geworden dat de hennepkwekerij / hennepstekkerij door een ander of anderen dan de verdachte is geëxploiteerd, kan het volgens het hof niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die de hennepkwekerij / hennepstekkerij heeft opgebouwd en geëxploiteerd. Daarin ligt als oordeel van het hof eveneens besloten dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte van de aanwezigheid van het hennepafval en de henneptoppen op de hoogte is geweest en deze aldus opzettelijk aanwezig heeft gehad. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
13. De bewezenverklaring is in zoverre naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij merk ik op dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2017 inhoudt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd en daarbij standpunten heeft ingenomen zoals weergegeven in het arrest. Het arrest houdt in dit verband slechts in dat de raadsman naast een beroep op bewijsuitsluiting ex art. 359a Sv heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat de verdachte stelt dat hij de ruimte had onderverhuurd aan een zekere [betrokkene 3] en deze [betrokkene 3] – buiten medeweten van de verdachte – de aldaar aangetroffen hennepkwekerij heeft opgezet.
13. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
13. Het derde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde en valt uiteen in vier klachten.
13. De eerste klacht luidt dat het hof de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd door op onjuiste of onbegrijpelijke gronden de verklaring van de verdachte dat hij de loods had onderverhuurd aan [betrokkene 3] ongeloofwaardig te achten en terzijde te schuiven.
13. Aan deze klacht is allereerst ten grondslag gelegd dat het hof heeft verzuimd met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het de feiten en omstandigheden die het aan zijn oordeel dat de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig ter zijde moet worden gesteld ten grondslag heeft gelegd, heeft ontleend.
13. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 maart 2010 het volgende overwogen:
"Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.
Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft."
22. Het oordeel van het hof ten aanzien van de geloofwaardigheid van de lezing van de verdachte behoeft dus niet te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Het middel berust in zoverre op een eis die het recht niet kent.
23. In de toelichting op het middel wordt uitvoerig ingegaan op de motivering van het oordeel van het hof dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde kan worden gesteld. Daarbij merk ik op dat de vrijheid van de feitenrechter in dit verband in de weg staat aan een indringende toetsing van dit oordeel in cassatie. Ik zal daarover kort zijn.
23. De stellers van het middel betogen dat het oordeel van het hof dat de verdachte heeft nagelaten het telefoonnummer en een kopie van het legitimatiebewijs van [betrokkene 3] aan de politie te overhandigen onjuist en/of onbegrijpelijk is, aangezien de verdachte die gegevens wel heeft toegestuurd naar de politie, maar het dossier toen al weg was.
23. Het hof heeft de ter terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2017 afgelegde verklaring van de verdachte dat hij de gegevens van [betrokkene 3] heeft opgestuurd naar de politie op een moment dat het dossier al weg was kennelijk als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Mede in aanmerking genomen dat de verdachte kennelijk ook geen aanleiding heeft gezien om de gegevens van [betrokkene 3] – waarvan hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij ze niet meer had, maar ze wel weer kon ophalen – mee te nemen naar de zitting, komt de overweging van het hof dat de verdachte steeds heeft nagelaten het telefoonnummer en de kopie van het legitimatiebewijs aan de politie te overhandigen mij niet onbegrijpelijk voor.
23. Het hof heeft voorts, met een specifieke verwijzing naar het proces-verbaal van aantreffen van de hennepkwekerij, overwogen dat er verschillende aanwijzingen zijn dat de hennepkwekerij reeds langere tijd in gebruik was. Als de verklaring van de verdachte dat hij een onschuldige verhuurder van een bedrijfspand is juist zou zijn, zou hij dat volgens het hof eerder moeten hebben gemerkt en daaraan een einde hebben gemaakt. Volgens de stellers van het middel blijkt uit de verklaring van de verdachte dat de hennepkwekerij is opgezet toen hij enkele weken afwezig is geweest en geen controles heeft uitgevoerd, terwijl bovendien uit het proces-verbaal van het aantreffen van de hennepkwekerij niet kan volgen dat er verschillende aanwijzingen zijn dat de hennepkwekerij reeds langere tijd in gebruik was.
23. Het zich bij de stukken van het geding bevindende proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Beschrijving ruimte A
(…)
Ik zag rechts in de hoek een ladenkast staan. Ik zag, op de ladenkast, een plastic bak staan met blauwe plastic handschoenen. Ik zag dat op de blauwe plastic handschoenen, de voor mij bekende hennepresten, zaten. (…)
(…)
Ik zag rechts naast de koolstoffilter, onder een stoel, een geopende zwarte plastic zak liggen. Ik zag dat er in deze zwarte plastic zak, de voor mij bekende hennepresten zaten. (…)
Ik zag links tegen de muur een tafel staan. (…) Ik zag links naast de tafel een aantal zwarte bakken staan. Ik zag dat erin deze zwarte bakken, resten van hennep lagen. (…)
Ik zag dat er onder de tafel een afgesloten zwarte plastic zak lag. (…)
(…)
Ik zag linksachterin, bij de tafel, een blauwe zak met takken staan. Ik zag dat aan deze takken resten van hennep vastzaten. (…)
(…)
Beschrijving ruimte B
(…)
Ik zag dat er naast ruimte A een partytent stond. (…) Ik zag rechtsachter, in de hoek (…) een tafel staan. Ik zag dat op deze tafel een plastic zakje met hennepresten liggen. (…)
(…) Ik zag rechtsachteraan een witte Volkswagen Transporter bus, met het kenteken [AA-00-BB] , staan. (…)
(…)
Doorzoeking ruimte A
Te 12:21 uur trof ik in een kastje, hangend achterin aan de muur, vuile scharen aan. Ik zag dat de scharen in een bekertje met olie stonden. Het is mij bekend dat de olie gebruikt wordt om gebruikte scharen schoon te maken. (…).
Te 12:22 uur trof ik in een kastje, hangend linksachterin aan de muur, een zak met hennepgruis aan. (…)
Te 12:24 uur trof ik in de eerder omschreven zwarte plastic zak, hennepafval aan.
(…)
Doorzoeking ruimte B
(…)
Omstreeks 12:40 uur trof collega [verbalisant 2] , op de bar, een zwarte plastic zak met hennepafval aan. (…)
(…)
Te 12:46 uur trof collega [verbalisant 3] in een vriezer, geplaatst onder de opslagstelling, in ijs bevroren hennepgruis aan. (…) Tevens trof collega [verbalisant 3] in de opslagstelling, boven de vriezer, een zak met henneptoppen en hennepgruis aan.
Te 12:55 uur trof collega [verbalisant 4] op de 1ste verdieping, in een kartonnen doos, twee (2) plastic zakken henneptoppen aan. Onder deze kartonnen doos trof collega [verbalisant 4] twee (2) emmers met henneptoppen aan. (…)
(…)
Omstreeks 13:20 uur troffen collega’s [verbalisant 5] en [verbalisant 4] in de witte Volkswagen Transporter, met het kenteken [AA-00-BB] , bij de passagiersstoel, resten van hennep aan. (…)”
28. In het licht van het voorafgaande, komt het oordeel van het hof dat uit het proces-verbaal van aantreffen van de hennepkwekerij volgt dat er verschillende aanwijzingen zijn dat de hennepkwekerij reeds langere tijd in gebruik was mij geenszins onbegrijpelijk voor.
28. Ook overigens acht ik het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte dat hij met de hennepkwekerij niets te maken heeft gehad en hij het pand waar de hennepkwekerij aanwezig was, had verhuurd aan [betrokkene 3] ongeloofwaardig is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.
28. De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien uit de bewijsvoering niet concreet blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij noch van opzet op de teelt van hennepstekken.
28. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer in dat op 13 november 2014 in de door de verdachte gehuurde loods een hennepkwekerij werd aangetroffen, dat in deze loods 394 hennepstekken werden gekweekt, dat een getuige de loods waar de hennepkwekerij / hennepstekkerij zich bevond “de loods van [verdachte] ” noemde, dat hennepafval aanwezig was, dat in de loods de Volkswagen Transporter van de verdachte werd aangetroffen en dat in deze Volkswagen Transporter hennepresten werden waargenomen. Het hof heeft de verklaring van de verdachte dat hij de loods had verhuurd aan [betrokkene 3] als ongeloofwaardig terzijde geschoven en geoordeeld dat ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de hennepkwekerij door een ander dan de verdachte werd geëxploiteerd. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte opzettelijk 394 hennepstekken heeft geteeld. De tweede klacht is aldus tevergeefs voorgesteld.
32. De derde klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen de teelt van 394 hennepstekken in de periode van 1 september 2014 tot en met 12 november 2014 niet kan volgen.
32. Deze klacht berust kennelijk op de opvatting dat een bewezenverklaring die een bepaalde pleegperiode inhoudt, meebrengt dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht. Die stelling is onjuist. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte in de bewezen verklaarde pleegperiode de daarin genoemde handelingen heeft verricht en niet dat de verdachte zich gedurende de gehele periode schuldig heeft gemaakt aan dit feit. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat in de door de verdachte gehuurde loods op 13 november 2014 een hennepkwekerij is aangetroffen, terwijl er naar het oordeel van het hof verschillende aanwijzingen zijn dat de hennepkwekerij reeds langere tijd in gebruik was. Aldus kan het oordeel van het hof dat de verdachte zich in de bewezen verklaarde periode schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten handeling uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.
34. De vierde klacht houdt in dat het arrest innerlijk tegenstrijdig zou zijn doordat het hof enerzijds de verklaring van de verdachte over de onderverhuur van de loods als ongeloofwaardig terzijde heeft geschoven en anderzijds de ingangsdatum van de huurovereenkomst als start van de bewezen verklaarde periode heeft aangemerkt.
34. Niet valt in te zien dat door het enkele feit dat de aanvangsdatum van de bewezen verklaarde periode overeenkomt met de ingangsdatum van de huurovereenkomst het arrest innerlijk tegenstrijdig zou zijn. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat het hof de huurovereenkomst niet tot het bewijs heeft gebezigd.
34. Het derde middel faalt.
34. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
34. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden