“Door de toenmalige parketleiding is er aanvankelijk (begin 2017) niet voor gekozen om ten aanzien van [betrokkene] een verzoek te doen als bedoeld in artikel 510 Wetboek van strafvordering.
Interne discussie of deze procedure nu wel of niet van toepassing is op Officieren van Justitie van het Functioneel Parket, heeft mij echter doen besluiten om zorgvuldigheids- en volledigheidshalve advies in te winnen bij het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (hierna W.B.O.M.). Dit advies d.d. 12 november 2018 voeg ik integraal als bijlage bij dit verzoek.
Het is evident dat de gevolgen (m.n. nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting) van het ten onrechte niet volgen van de procedure van art. 510 Wetboek van Strafvordering, veel ernstiger zijn dan de gevolgen van het (onverhoopt) onnodig wel volgen van deze procedure. Meer principieel ben ik van opvatting dat de norm dat een rechterlijk ambtenaar wordt vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem zo veel mogelijk wordt vermeden, ook van toepassing is op collega’s van het Functioneel Parket.
Hierbij volg ik dan ook het advies van het W.B.O.M. en ik verzoek u op grond van artikel 510 van het wetboek van Strafvordering om, alvorens er enige definitieve vervolgingsbeslissing wordt genomen, een gerecht aan te wijzen waar de mogelijke vervolging en berechting van [betrokkene] zal dienen plaats te vinden.”
5. Het advies van het W.B.O.M. houdt ten aanzien van de toepassing van art. 510 Sv bij verdenking tegen een officier van justitie van het Functioneel Parket, zakelijk weergegeven, met weglating van verwijzingen naar de literatuur en rechtspraak, het volgende in:
In de parlementaire stukken inzake de instelling van het functioneel parket is geen aandacht besteed aan de verhouding tot artikel 510 Sv.
Gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad over het al dan niet van toepassing zijn van artikel 510 Sv bij verdenking tegen een officier van justitie bij het functioneel parket, is er niet. Gewezen wordt op een verdenking tegen een officier van justitie bij het arrondissementsparket te dat hij zich schuldig had gemaakt aan het misdrijf omschreven in artikel 240b Sr. In die zaak wees de Hoge Raad de rechtbank te ’s-Gravenhage aan als bevoegd gerecht. Daaraan stond niet in de weg dat de betrokkene inmiddels werkzaam was geworden bij het functioneel parket.
In de literatuur komt de kwestie beperkt aan de orde. Een eenduidig gedeeld standpunt is er niet. Volgens Borgers en Kooijmans, in hun bewerking van Corstens handboek over het Nederlandse strafprocesrecht (9e druk, p. 182), is het de vraag of de regeling ook de leden van het College van procureurs-generaal en ook die van het functioneel parket, het landelijk parket en het parket CVOM betreft, nu deze leden van het OM geen aanstelling bij één speciaal gerecht hebben.
Het W.B.O.M. wijst in dit verband nog op artikel 6.1.4.1, eerste lid, van het concept-wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (van 5 december 2017), dat luidt: “Indien de officier van justitie op de hoogte komt van enige informatie die duidt op het begaan van een strafbaar feit door een rechterlijk ambtenaar, genoemd in artikel 1, onderdeel b, onder 2, 3, 6, 7, en 10 van de Wet op de rechterlijke organisatie, verzoekt hij – door tussenkomst van zijn hoofdofficier van justitie – de Hoge Raad, een rechtbank aan te wijzen in een ander ressort dan waar de rechterlijk ambtenaar werkzaam is aan te wijzen voor de kennisneming van het strafbare feit. Indien de rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij het landelijk parket of het functioneel parket, wijst de Hoge Raad niet de rechtbank Amsterdam, Oost-Brabant, Overijssel of Rotterdam aan.” In de Memorie van Toelichting bij dit concept-wetsvoorstel wordt met betrekking tot dit artikellid gesteld dat in de literatuur de vraag gesteld wordt of de regeling ook de leden van het College van procureurs-generaal van het OM betreft, die geen aanstelling hebben bij één speciaal parket. Een vergelijkbare vraag kan volgens de Memorie van Toelichting worden gesteld voor de officieren van justitie bij het functioneel parket en het landelijk parket die hun bevoegdheden bij meerdere gerechten uitoefenen. Specifiek voor rechterlijke ambtenaren bij het functioneel parket en het landelijk parket is – ter beantwoording van de hierboven genoemde vraag – in de wettekst bepaald dat de Hoge Raad een ander arrondissementsparket en een andere rechtbank aanwijst dan waar deze rechterlijke ambtenaren hun bevoegdheden uitoefenen, te weten Amsterdam, Oost-Brabant, Overijssel en Rotterdam, aldus de Memorie van Toelichting. In dit kader is van belang dat volgens artikel 6.1.4.1, vierde lid, Sv van genoemd concept-wetsvoorstel de Hoge Raad, alvorens te beslissen, de procureur-generaal bij de Hoge Raad kan opdragen verslag te doen. Ten behoeve van dit verslag kan deze procureur-generaal de officier van justitie opdragen stukken te overleggen en onderzoek verrichten. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het concept-wetsvoorstel kan de Hoge Raad door genoemd verslag van de procureur-generaal bijvoorbeeld inzicht krijgen in eerdere standplaatsen van de betrokken rechterlijke ambtenaar wat van belang kan zijn voor de door de Hoge Raad aan te wijzen rechtbank. Juist bij officieren van justitie bij het functioneel parket (of landelijk parket of parket CVOM) zou bij de Hoge Raad behoefte kunnen bestaan aan een dergelijk inzicht in de plaats van functie-uitoefening in het verleden en heden.
Er bestaat volgens het W.B.O.M. al met al geen zekerheid over de toepasselijkheid van artikel 510 Sv bij een verdenking gerezen tegen een officier van justitie bij het functioneel parket. Gelet op de omstandigheid dat:
● ook in geval van een dergelijke verdenking van belang is dat deze officier van justitie zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden,● een verzuim hierin bestaande dat het OM nalaat zich op de voet van artikel 510 Sv tot de Hoge Raad te wenden met het verzoek tot aanwijzing van een gerecht, nietigheid meebrengt van het gehouden onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken,● in het toekomstig recht de opvolger van artikel 510 Sv, te weten artikel 6.1.4.1, eerste lid, Boek 6 Sv, van toepassing is op (onder meer) rechterlijke ambtenaren werkzaam bij het functioneel parket,● met de behandeling van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 510 Sv door de Hoge Raad weinig tot zeer weinig tijd heengaat,
moet het, volgens het W.B.O.M. zeer verstandig worden geacht dat het OM dat naar de gewone regels met de vervolging is belast, zich met een verzoekschrift tot de Hoge Raad wendt waarin aan de Hoge Raad wordt verzocht het gerecht aan te wijzen waarvoor vervolging en berechting dient plaats te vinden. In dat verzoekschrift kan open kaart worden gespeeld door aan te geven dat het OM niet zeker weet of indiening daarvan in de betreffende situatie verplicht is maar dat het OM geen risico wenst te lopen op nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken.
6. In het voorgaande zie ik aanleiding voor de conclusie dat het verzoek ten aanzien van betrokkene vatbaar is voor toewijzing.
7. Zoals eerder opgemerkt wordt in het verzoekschrift gesproken over nog elf andere verdachten die uit het politieonderzoek naar voren zijn gekomen. Art. 510 lid 3 Sv houdt in dat de aanwijzing ook geldt voor de medeverdachten van de rechterlijk ambtenaar. In Corstens handboek, het Nederlands strafprocesrecht (9e druk, p. 182), wordt aangegeven dat het begrip medeverdachten in art. 510 lid 3 Sv niet geheel duidelijk is. In een enge opvatting worden daaronder slechts de deelnemers verstaan. In een ruimere opvatting worden daaronder ook degenen begrepen die worden verdacht van een feit dat in verband staat met een feit dat door een rechterlijk ambtenaar is gepleegd. De door de wetgever gebezigde terminologie laat ruimte voor deze laatste opvatting.
8. Van deelneming aan het strafbare feit waarvan de rechterlijk ambtenaar wordt verdacht is in deze zaak geen sprake en evenmin worden de anderen verdacht van een strafbaar feit dat in de concrete toedracht samenhangt met het feit waarvan de rechterlijk ambtenaar wordt verdacht. Wel gaat het om feiten die in eenzelfde aangifte staan en die hetzelfde slachtoffer betreffen. Het komt mij voor dat de ruimte voor de uitleg van het begrip medeverdachten in de zin van art. 510 lid 3 Sv benut kan worden om afhankelijk van de omstandigheden van het voorgelegde geval te oordelen. Reden om bij vervolging in deze zaak die tegen andere verdachten formeel te voegen lijkt er niet te zijn. Uit de nagekomen informatie, verzonden namens de Hoofdofficier van Justitie, volgt ook dat de zaken tegen de twaalf verdachten als op zichzelf staande zaken kunnen worden beschouwd.
9. Ik concludeer dat de Hoge Raad een andere rechtbank – waarbij ik de rechtbank Den Haag in overweging geef – zal aanwijzen als de rechtbank voor welke, zo het Openbaar Ministerie bij de aangewezen rechtbank zulks nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaats hebben.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden