2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bevat onder 1 een inleiding. In punt 1.1 wordt benadrukt dat het cassatieberoep zich niet richt tegen het oordeel van het hof in rov. 5.15 dat de beëindigingsvergoeding van de man in de huwelijksgemeenschap van partijen is gevallen, nu de gemeenschap volgens de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW (oud) alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat en er reeds op 31 maart 2015 sprake was van een (onvoorwaardelijke) aanspraak op de beëindigingsvergoeding, doch uitsluitend tegen het oordeel met betrekking tot de verknochtheid van deze vergoeding (rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19, hiervoor weergegeven in 1.16), alsmede tegen het dictum.
Het middel geeft onder 2 een overzicht van de feiten en onder 3 worden vier klachten (onderdelen) geformuleerd.
Onderdeel I
Het onderdeel klaagt in punt 3.2 dat het hof in de rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19 heeft miskend dat een ontslagvergoeding die is ontvangen in de vorm van een aanspraak op een bedrag ineens, ook bijzonder verknocht kan zijn in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW in geval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten. Het onderdeel stelt onder verwijzing naar HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259 m.nt. L.C.A. Verstappen dat ook in een zodanig geval bij beantwoording van de vraag of de aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze volgens het onderdeel niet in de huwelijksgemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. Het onderdeel stelt in punt 3.3 dat de man in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat de aanspraak die hij op grond van de vaststellingsovereenkomst op 31 maart 2015 jegens zijn werkgever heeft verkregen, strekte tot vervanging van inkomen uit arbeid dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband na 1 juli 2015 zou hebben genoten, dat deze strekking ook voortvloeit uit art. 3 van de vaststellingsovereenkomst, weergegeven in rov. 5.15, en dat de vrouw deze strekking niet dan wel onvoldoende heeft bestreden. Het onderdeel klaagt vervolgens in punt 3.4 dat, indien en voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat niet is komen vast te staan dat de aanspraak van de man jegens zijn werkgever de strekking had om inkomen uit arbeid te vervangen, dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten, dat oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is in het licht van het voorgaande. Het onderdeel stelt in dat verband dat vaststaat dat de aanspraak van de man jegens zijn werkgever betrekking had op de periode na 1 juli 2015, derhalve na ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 25 juni 2015, dat op de laatstgenoemde datum tot het vermogen van de man derhalve de aanspraak jegens zijn werkgever tot uitbetaling van het overeengekomen bedrag per 1 juli 2015 behoorde, en dat vaststaat dat aan de man vóór 25 juni 2015 geen betalingen zijn verricht, ook niet bij wijze van voorschot. Het onderdeel klaagt, concluderend, in punt 3.5 dat het hof in het licht van het voorgaande van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen dat de ontslagvergoeding tot een bedrag van € 77.882,73 netto in de huwelijksgemeenschap is gevallen, althans dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de strekking van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst was de vervanging van inkomen uit arbeid dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten. Omdat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2015 is beëindigd en de huwelijksgemeenschap per 25 juni 2015 reeds was ontbonden, is volgens het onderdeel de volledige aanspraak buiten de huwelijksgemeenschap gevallen.
Bij de beoordeling van de klachten stel ik het volgende voorop. Art. 1:94 lid 3 (oud) BW bepaalt dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Bij de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, is deze regeling omtrent verknochtheid ongewijzigd opgenomen in het huidige art. 1:94 lid 5 BW. In dit geding is nog art. 1:94 lid 3 (oud) BW van toepassing, aangezien het huwelijk van partijen vóór 1 januari 2018 is gesloten. Ik stel verder voorop dat een huwelijksgoederengemeenschap voortduurt totdat zij wordt ontbonden. Het tijdstip van ontbinding van de gemeenschap is in geval van echtscheiding ingevolge art. 1:99 lid 1, aanhef en onder b, BW het tijdstip waarop het verzoek tot echtscheiding wordt ingediend. In de onderhavige zaak is het verzoek tot echtscheiding ingediend op 25 juni 2015.
Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.
In de zaak die heeft geleid tot de beschikking van Uw Raad van 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259 m.nt. L.C.A. Verstappen had de man tijdens het huwelijk van partijen ontslagvergoedingen ontvangen van twee vennootschappen. De van vennootschap 1 ontvangen vergoeding had de man niet ondergebracht in een stamrecht-B.V., de van vennootschap 2 ontvangen vergoeding wel. Het hof oordeelde, onder verwijzing naar HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640 m.nt. W.M. Kleijn, met betrekking tot de van vennootschap 1 ontvangen ontslagvergoeding dat, nu de man een geldbedrag ineens heeft ontvangen dat niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering, de hoofdregel geldt dat deze ontslagvergoeding niet verknocht is. Met betrekking tot de van vennootschap 2 ontvangen ontslagvergoeding oordeelde het hof, onder verwijzing naar de inhoud van de beëindigingsovereenkomst en naar HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41 m.nt. L.C.A. Verstappen, dat deze wel als verknocht moet worden beschouwd. In cassatie klaagde de vrouw over het oordeel van het hof dat de door de man van vennootschap 2 ontvangen ontslagvergoeding aan hem is verknocht. In het incidentele cassatieberoep kwam de man op tegen het oordeel dat de door hem van vennootschap 1 ontvangen ontslagvergoeding niet aan hem is verknocht. Uw Raad overwoog het volgende:
“4.1.4 (…) Ook een aan een van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op een) ontslagvergoeding, dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, kan verknocht zijn ingeval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. In zodanig geval moet bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. In eerdere uitspraken heeft de Hoge Raad overeenkomstig dit uitgangspunt geoordeeld in een geval waarin een ontslagvergoeding als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij was gestort (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41) en in een geval waarin een ontslagvergoeding was aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V. (zie de eerder genoemde beschikking van HR 24 juni 2016).
Het zojuist genoemde uitgangspunt geldt ook indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht-B.V. Anders dan kan worden afgeleid uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640, bestaat er onvoldoende grond om te oordelen dat de vergoeding dan geheel in de gemeenschap valt, ook voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten. Voor dat gedeelte valt de vergoeding, voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren, niet in de gemeenschap.”
In de onderhavige zaak zijn de volgende feiten relevant:
(i) de man heeft op 31 maart 2015, tijdens het huwelijk van partijen, op grond van een met zijn toenmalige werkgever gesloten overeenkomst een aanspraak gekregen op een in de toekomst uit te keren vergoeding in verband met zijn ontslag per 1 juli 2015;
(ii) blijkens de inhoud van deze overeenkomst diende de beëindigingsvergoeding als tegemoetkoming voor de per 1 juli 2015, derhalve in de toekomst, te derven inkomsten;
(iii) de huwelijksgemeenschap is op 25 juni 2015, een week voor het einde van de arbeidsovereenkomst, ontbonden door de indiening door de man van een verzoekschrift tot echtscheiding;
(iv) nadien zijn aan de man op drie momenten uitkeringen gedaan uit hoofde van de overeenkomst van 31 maart 2015.
In het licht van de inhoud van de hiervoor in 2.6 weergegeven beschikking van 23 februari 2018 kan de conclusie geen andere zijn dan dat de beëindigingsvergoeding voor het ontslag per 1 juli 2015 geheel aan de man toekwam. Weliswaar viel de aanspraak op de toekomstige ontbindingsvergoeding in de huwelijksgemeenschap, echter het feit dat de vergoeding diende als tegemoetkoming voor de vanaf 1 juli 2015 te derven inkomsten en de huwelijksgemeenschap reeds vóór die tijd was ontbonden, brengt mee dat de nadien uitbetaalde gelden niet in de verdeling konden worden betrokken. De klachten van het onderdeel slagen derhalve grotendeels.
Onderdeel II
Het onderdeel klaagt in punt 3.6 dat het hof bij de beoordeling van de mate van verknochtheid van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever ten onrechte heeft meegewogen dat het dienstverband per 1 juli 2015 is geëindigd en dat de man op 30 juli 2015 in dienst is getreden bij een nieuwe werkgever. Geklaagd wordt dat het hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de strekking van een aanspraak op een ontslagvergoeding, voor de vaststelling van de mogelijke verknochtheid daarvan op grond van art. 1:94 lid 3 (oud) BW, beoordeeld moet worden op het moment van verkrijging daarvan. Het onderdeel stelt dat de strekking van de aanspraak die de man op 31 maart 2015 jegens zijn toenmalige werkgever heeft verkregen, moet worden bepaald door hetgeen in de vaststellingsovereenkomst over de aard en het karakter van die aanspraak is vastgelegd, en dat latere feiten en omstandigheden, zoals het feit dat de man na ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 30 juli 2015 een dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever heeft aanvaard, die vastgestelde strekking niet kunnen veranderen. Het onderdeel wijst er daarbij op dat de man in de feitelijke instanties heeft gesteld dat hij nog geen nieuwe dienstbetrekking had op het moment van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst. Het onderdeel merkt in dit verband in punt 3.7 op dat op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap de aanspraak van de man jegens zijn werkgever nog niet (geheel of gedeeltelijk) was vervangen door een uitgekeerd geldbedrag, nu de man eerst na ontbinding van de huwelijksgemeenschap geldbedragen uitgekeerd heeft gekregen. Indien en voor zover het bestreden oordeel zo moet worden begrepen dat bij de beoordeling van de verknochtheid van de ontslagvergoeding mede is gekeken naar de strekking van de uitgekeerde geldbedragen en de wijze van besteding daarvan, klaagt het onderdeel dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat deze vervanging en besteding eerst na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap hebben plaatsgevonden en de verknochtheid van de uitgekeerde bedragen dus niet beoordeeld dient te worden. Het onderdeel klaagt in punt 3.8 dat, indien Uw Raad van oordeel mocht zijn dat de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op 31 maart 2015 wel relevant zijn voor de vaststelling van de strekking van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever, het hof ook in dat geval is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door feiten en omstandigheden mee te wegen die zich na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap hebben voorgedaan. Het onderdeel wijst er ter toelichting op dat ingevolge art. 1:99 BW op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap dwingendrechtelijk wordt vastgesteld wat de omvang van de huwelijksgemeenschap is. Indien en voor zover feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na verkrijging van de aanspraak op de ontslagvergoeding (mede) bepalend (kunnen) zijn voor de strekking van deze aanspraak, hetgeen volgens het onderdeel derhalve niet het geval is, dient die strekking daarmee volgens het onderdeel uiterlijk bepaald te worden op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Omstandigheden die zich daarna voordoen kunnen deze strekking, aldus nog steeds het onderdeel, niet veranderen. Het onderdeel wijst er in dit verband in punt 3.9 op dat niet alleen de uitbetaling van de aanspraak door de toenmalige werkgever van de man maar ook de indiensttreding bij de nieuwe werkgever hebben plaatsgevonden na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze feiten en omstandigheden kunnen volgens het onderdeel om die reden niet worden meegewogen bij de vaststelling van de strekking van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever, alsmede de mate van verknochtheid daarvan. Het onderdeel klaagt dat het hof dat in de rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19 ten onrechte wel heeft gedaan, in elk geval met betrekking tot het nieuwe dienstverband van de man.
In de hiervoor genoemde uitspraken van Uw Raad met betrekking tot ontslagvergoedingen was sprake van de situatie waarin (i) het ontslag tijdens het huwelijk had plaatsvonden, (ii) de ontslagvergoeding tijdens het huwelijk was uitgekeerd en (iii) die uitkering tijdens het huwelijk (al dan niet) was aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering of was ondergebracht in een stamrecht-B.V. Ook in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van Uw Raad van 23 februari 2018 was dit het geval. In dergelijke gevallen moet volgens Uw Raad bij de beantwoording van de vraag of de aanspraak op de ontslagvergoeding in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode voor en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. Dit uitgangspunt geldt blijkens de beschikking van 23 februari 2018 niet alleen in de gevallen waarin een ontslagvergoeding als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij was gestort dan wel was aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V., maar ook in het geval waarin dit niet was gebeurd. Er bestaat, zo overwoog Uw Raad, onvoldoende grond om te oordelen dat de vergoeding in het laatstgenoemde geval dan geheel in de gemeenschap valt, ook voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten. Voor dat gedeelte valt de vergoeding, voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren, niet in de gemeenschap.
In de onderhavige zaak is het dienstverband van de man met zijn toenmalige werkgever geëindigd op een tijdstip na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De beëindigingsvergoeding diende blijkens de inhoud van de overeenkomst van 31 maart 2015 als tegemoetkoming voor de vanaf 1 juli 2015 te derven inkomsten. Voorts hebben de uitkeringen uit hoofde van de beëindigingsovereenkomst plaatsgevonden op een tijdstip na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Zoals bij de bespreking van onderdeel 1 reeds bleek kan de conclusie in het licht van deze feiten geen andere zijn dat dat in deze zaak de gehele ontslagvergoeding niet in de gemeenschap valt. Die vergoeding komt uitsluitend de man toe. Gelet hierop behoeven de individuele klachten van het onderdeel niet alle afzonderlijk te worden besproken. Ik merk hier uitsluitend nog op dat het hof in het licht van het bovenstaande géén betekenis mocht toekennen aan het feit dat de man bijna een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst in dienst is getreden bij een nieuwe werkgever.
Onderdeel III
Het onderdeel neemt in punt 3.10 tot uitgangspunt dat de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na verkrijging door de man van de aanspraak op een ontslagvergoeding jegens zijn werkgever, althans na het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap van partijen (op 25 juni 2015), wel een rol spelen bij de vaststelling van de strekking van een aanspraak op deze ontslagvergoeding alsmede de mate van verknochtheid daarvan. Het onderdeel klaagt vervolgens dat het bestreden oordeel ook in dat geval onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof de volgende, ook in punt 3.11 genoemde, stellingen van de man onbehandeld heeft gelaten:
- de man heeft de aan hem na ontbinding van de huwelijksgemeenschap uitbetaalde bedragen aangewend om er voor te zorgen dat hij na 1 juli 2015 inkomen uit arbeid zou kunnen blijven genereren;
- het inkomen dat de man bij zijn nieuwe werkgever verdient - een inkomen dat hij is kunnen gaan verwerven door aanwending van de ontslagvergoeding voor immigratie naar Maleisië - is mede bepalend voor de omvang van zijn draagkracht voor de vaststelling van de alimentatieverplichting jegens de vrouw;
- via dit (aanzienlijk hogere) inkomen deelt de vrouw mee in de ontslagvergoeding die de man van zijn toenmalige werkgever heeft ontvangen;
- de rechtbank heeft in het kader van de bepaling van de draagkracht van de man rekening gehouden met de aan hem uitgekeerde ontslagvergoeding en ook het hof heeft dat in de appelprocedure gedaan bij zijn oordeel of de uitvoering van de alimentatiebeslissing van de rechtbank geschorst diende te worden;
- op deze wijze is de ontslagvergoeding reeds mede ten goede gekomen aan de vrouw, zodat ook om die reden deze vergoeding in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap als bijzonder verknocht aan de man moet worden beschouwd;
Het onderdeel betoogt dat deze omstandigheden van doorslaggevend belang zijn, wanneer de wijze van besteding van de aanspraak/de uitgekeerde gelden mede bepalend zouden zijn voor de vaststelling van de mate van verknochtheid van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever.
In het licht van het voorgaande gaat het onderdeel uit van een onjuist uitgangspunt waar het betoogt dat feiten en omstandigheden na het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap van partijen - de situatie dat een ontslagvergoeding die betrekking heeft op een ontslag (feitelijk eind van het dienstverband) tijdens het huwelijk wordt uitbetaald na het eind van de huwelijksgemeenschap even buiten beschouwing gelaten - een rol dienen te spelen bij de vaststelling van de strekking van een aanspraak op de ontslagvergoeding alsmede de mate van verknochtheid daarvan na het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De situatie genoemd in rov. 4.1.5 van de beschikking van Uw Raad van 23 februari 2018 doet zich in de onderhavige zaak niet voor, nu de ontslagvergoeding is uitbetaald na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en die vergoeding strekte tot vervanging van inkomsten die de man vanaf een moment na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou derven.
Onderdeel IV
Het onderdeel keert zich tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking (rov. 7), waar het de veroordeling van de man betreft om aan de vrouw ter zake van de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding van T-Systems Nederland B.V. een bedrag van € 38.941,37 te betalen. Het onderdeel klaagt dat het hof met dit oordeel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een onbegrijpelijke gedachtegang. Het onderdeel werkt de klacht onder verwijzing naar de vorderingen van de man en de vrouw in de feitelijke instanties en de beschikking van de rechtbank van 21 december 2016 in de punten 3.13 t/m 3.16 nader uit. In punt 3.16 wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel het grievenstelsel en de devolutieve werking van het appel heeft miskend.
Het onderdeel faalt reeds op de grond dat het miskent dat de rechter op grond van art. 288 jo art. 362 Rv bevoegd is ambtshalve te beslissen of hij zijn eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Het hof heeft de devolutieve werking van het appel dus niet miskend, noch in strijd met het grievenstelsel geoordeeld.
Gelet op hetgeen hiervoor is geschreven in het kader van de bespreking van de onderdelen I en II kan de conclusie geen andere zijn dan dat de uitbetaalde ontslagvergoeding buiten de huwelijksgemeenschap van partijen is gevallen. Gelet daarop meen ik dat Uw Raad de zaak zelfstandig kan afdoen door de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2018 te vernietigen en het verzoek van de vrouw, waar het de ontvangen beëindigingsvergoeding van T-Systems Nederland B.V. betreft, af te wijzen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2018 en tot afdoening op de hiervoor in 2.16 beschreven wijze.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G