2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. Het middel is gericht tegen rov. 2.9, 2.11 en rov. 2.12 van de bestreden beschikking.
Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.9 waarin is overwogen dat 24 februari 2011 geldt als peildatum voor de berekening van de verzochte vergoeding, te weten de datum waarop partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist althans schiet de motivering van het hof tekort, omdat naar Nederlands recht moet worden uitgegaan van de dag van de uitspraak van de appelrechter als peildatum voor de waardebepaling.
Het hof heeft in rov. 5.2 van zijn tussenbeschikking van 21 november 2013 geoordeeld dat vaststaat dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Dit oordeel wordt door het middel niet bestreden. Het hof is vervolgens in overeenstemming hiermee in rov. 2.9 van de bestreden beschikking uitgegaan van 24 februari 2011 als peildatum, omdat deze datum met inachtneming van art. 49 Mudawwana geldt als datum waarop de inspanningen van de vrouw ten behoeve van de gezamenlijke huishouding en haar bijdrage aan de vermeerdering van het vermogen van de man zijn geëindigd. Het hof heeft derhalve met toepassing van het Marokkaanse recht de peildatum vastgesteld. Reeds hierop stuit de klacht af dat naar Nederlands recht een andere peildatum dient te gelden. Onbegrijpelijk is het oordeel evenmin. Het onderdeel faalt.
Onderdeel II is gericht tegen het oordeel in rov. 2.11 waarin het hof het redelijk heeft geacht bij de verdeling van de vermogensaanwas uit te gaan van een verdeling bij helfte. Volgens het onderdeel is dit oordeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, met voorbijgaan van ter zake aangevoerde essentiële stellingen van de man. Het onderdeel betoogt dat de man in zijn verweerschrift in hoger beroep uitdrukkelijk heeft gesteld dat het vermogen naar rato van ieders inbreng dient te worden verdeeld, waarop het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd en zulks ten onrechte niet in zijn overweging heeft betrokken. Volgens het onderdeel is art. 49 Mudawwana ruim geredigeerd en is aan de rechter de mogelijkheid gegeven om allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in zijn beoordeling, zodat de rechter de vrijheid heeft om de inspanningen ten behoeve van de gezamenlijke huishouding te laten meewegen. De waardering van de inspanningen ten behoeve van de gezamenlijke huishouding dient plaats te vinden conform strikte regels, hetgeen het hof heeft miskend, althans ongenoegzaam heeft gemotiveerd, aldus het onderdeel.
De klacht mist feitelijke grondslag voor zover wordt betoogd dat het hof tot het bestreden oordeel is gekomen zonder rekening te houden met de stellingen van de man. Het hof heeft in rov. 5.3 van zijn tussenbeschikking van 21 november 2013 geoordeeld dat art. 49 Mudawwana mede omvat de werkzaamheden die een echtgenoot heeft verricht in de huishouding, waarbij het hof in rov. 2.10 van de bestreden beschikking in dit verband een citaat uit het proefschrift van L. Jordens-Cotran heeft aangehaald. In dit citaat wordt aangegeven dat het aan de rechter is om de soort inspanning en werkzaamheden die tot een verdeling leiden te beoordelen en dat de Marokkaanse regering tijdens de parlementaire behandeling erop heeft gewezen dat art. 49 Mudawwana ruim is geredigeerd om de rechter de mogelijkheid te geven allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in zijn beoordeling. Hiertegen is geen klacht gericht. Het hof heeft vervolgens in rov. 2.11 van de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw bijna een derde van het totale inkomen van partijen verdiende en dat zij tijdens het huwelijk (het grootste deel van) de zorg voor de kinderen op zich heeft genomen en het huishouden heeft verzorgd, zodat het hof het redelijk acht in dit geval bij de verdeling van de vermogensaanwas uit te gaan van een verdeling bij helfte.
Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat er naar Marokkaans recht strikte regels gelden ter zake van de waardering van de desbetreffende inspanningen, stuit de klacht af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. Evenmin is het oordeel onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk, gelet op de reeds aangehaalde overwegingen van het hof omtrent art. 49 Mudawwana. Het onderdeel faalt derhalve.
Onderdeel III is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.12 dat de stamrecht-BV en het stamrecht jegens de stamrecht-BV bij de verdeling van de vermogensaanwas dient te worden betrokken. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk dan wel ongenoegzaam is gemotiveerd, met voorbijgaan van ter zake aangevoerde essentiële stellingen van de man. De man heeft uitdrukkelijk gesteld dat de gelden die door hem zijn gestort in zijn stamrecht-BV, zijn aan te merken als een voorziening ten behoeve van de door hem geleden inkomstenderving, namelijk als gevolg van de beëindiging van het dienstverband met [A] BV. De rechten van de man uit de stamrechtovereenkomst zijn aan de man verknocht en dienen daarom niet in de verdeling te worden betrokken. De man heeft op dit punt verwezen naar enige rechterlijke uitspraken. Volgens het onderdeel valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat de voorziening in de stamrecht-BV kan worden opgevat als werkzaamheid of inspanning van de vrouw in de zin van art. 49 Mudawwana en waarop zij aldus aanspraak op verrekening zou kunnen maken. Het hof had althans moeten onderzoeken in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Het onderdeel verwijst op dit punt naar de beschikking van de Hoge Raad van 24 juni 2016 en betoogt dat de stamrechtovereenkomst uitdrukkelijk is bedoeld als oudedagsvoorziening.
Zoals hierboven reeds is opgemerkt, heeft het hof geoordeeld dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Het hof is kennelijk van oordeel dat het opgebouwde vermogen in de stamrecht-BV en de rechten uit de stamrechtovereenkomst binnen het bereik van art. 49 Mudawwana vallen en dat de waarde hiervan voor vergoeding in aanmerking komt. Het onderdeel doet voor het betoog dat de rechten uit de stamrechtovereenkomst aan de man verknocht zijn een beroep op enige rechterlijke uitspraken, waarin echter het Nederlandse recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is. De man heeft daarmee niet aangevoerd dat naar Marokkaans recht de desbetreffende goederen buiten het bereik van art. 49 Mudawwana worden gehouden. Reeds hierop stuit de klacht af. Het hof past immers Marokkaans recht toe, zodat het niet nader behoefde te responderen op de stelling van de man dat er naar Nederlands recht sprake is van verknochte goederen die buiten de gemeenschap vallen. Het oordeel van het hof behoefde ook geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
Voor zover het onderdeel klaagt dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat de voorziening in de stamrecht-BV kan worden opgevat als werkzaamheid of inspanning van de vrouw in de zin van art. 49 Mudawwana, geldt het volgende. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, mede gelet op rov. 2.8 van de bestreden beschikking, waarin is overwogen dat verrekening van het tijdens het huwelijk bij de man ontstane vermogen dient plaats te vinden, in samenhang met hetgeen is overwogen in rov. 2.10 dat de soort ‘inspanning’ en werkzaamheden die tot een verdeling mogen leiden door de rechter beoordeeld moeten worden en dat art. 49 Mudawwana in dit verband ruim is opgesteld. Het onderdeel dient derhalve in zijn geheel te falen.
Ik geef Uw Raad in overweging het beroep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G