“6.1 Conclusies onderzoek ter plaatse
Het cv-toestel in recreatiewoning [1] produceerde extreem veel koolmonoxide.
De oorzaak van het uitstromen van rookgassen in de opstellingsruimte is een losgeraakte rookgasafvoerleiding direct boven het toestel.
De rookgasafvoerleiding is niet deugdelijk bevestigd en kon om deze reden losraken.
Er zijn te weinig beugels toegepast en de beugel die is toegepast wijkt af van de, door de rookgasafvoerfabrikant, voorgeschreven beugels.
De rookgassen konden de woning instromen door de waargenomen openingen tussen de opstellingsruimte en de woning.
Conclusies onderzoek in het laboratorium
Het toestel was ingesteld voor gebruik op aardgas, terwijl het toestel functioneerde op propaan. Dit zorgde voor een extreem hoge productie van koolmonoxide.
Na het doorvoeren van de aanpassingen zoals door de toestelfabrikant voorgeschreven kon het toestel correct op propaan functioneren met acceptabele uitstoot van koolmonoxide.
Beantwoording van vragen in de benoeming van de deskundigen
Wat is de technische oorzaak van de koolmonoxide vergiftiging?
Zie 6.1.
Is de cv-ketel op de juiste manier geplaatst?
De ketel is niet correct geïnstalleerd omdat
- het toestel niet correct is ingesteld voor het gebruik op propaan.
- de rookgasafvoerleiding niet volgens de instructies is geïnstalleerd.
Is de werking van de cv-ketel zoals die normaal zou moeten zijn?
In de aangetroffen situatie functioneerde het toestel niet correct. Dit werd veroorzaakt doordat het toestel niet correct was ingesteld voor het gebruik op propaan. Nadat de handelingen zoals voorgeschreven door de toestelfabrikant zijn uitgevoerd, kon het toestel wel correct functioneren op propaan.”
14. Op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 april 2015 heeft de verdediging een alternatief scenario over het losschieten van de rookgasafvoer(leiding) aangevoerd. Ten tijde van de installatie van de cv-ketel zou er tussen de ketelruimte en het schuurtje ernaast een “wandje” hebben gestaan dat daarna, maar nog voor het ongeval, zou zijn verwijderd. De ontbrekende schroef zou mogelijk zijn losgemaakt door de persoon die het wandje heeft weggehaald. Over dit scenario zijn op dezelfde terechtzitting twee door de verdediging meegebrachte getuigen gehoord. De eerste getuige verklaarde dat het schuurtje en de ketelruimte ongeveer vier tot vijf jaar voordien volledig van elkaar afgescheiden waren door een houten wandje. Ook de tweede getuige bevestigde dat tussen de ketelruimte en het schuurtje een wandje heeft gestaan, in ieder geval in 2012, en voegde daaraan toe, toen hem door de voorzitter enkele dossierfoto’s werden voorgehouden, dat hij zich niet kon voorstellen “dat het er zo uit heeft gezien als het wandje er nog had gestaan”.
15. Bij tussenarrest van 13 mei 2015 is het onderzoek ter terechtzitting heropend, omdat bij de beraadslaging het hof van de onvolledigheid van het onderzoek was gebleken. De desbetreffende overwegingen van het hof luiden:
7. Door KIWA N.V. is, in de persoon van de deskundige ing. S.L.M. Lueb, onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak van het uitstromen van rookgassen in de opstelruimte van de ketel en vervolgens in de woning. Dat heeft geleid tot een rapport van 5 april 2013 (dossierpagina 163 en volgende). Daarin wordt, onder andere, geconcludeerd (dossierpagina 174) dat de afwijkingen met betrekking tot de beugeling naar alle waarschijnlijkheid de oorzaak zijn van het losraken van de rookgasafvoer. Het kan zijn dat de deskundige daarbij is uitgegaan van een beginsituatie zoals hiervoor omschreven. Helemaal duidelijk is dat echter voor het hof niet. Ook is niet duidelijk of het feit dat de beugel in de eindsituatie nog slechts met één schroef bevestigd bleek te zijn voorzien kan worden van een waarschijnlijkheidsoordeel over de vraag of het losraken van de bevestiging aan één zijde is veroorzaakt door de genoemde afwijkingen met betrekking tot de beugeling. Om die reden is het noodzakelijk dat aanvullende rapportage wordt uitgebracht door de deskundige.
8. De vraagstelling aan de deskundige luidt als volgt:
a. Het hof verzoekt u tot uitgangspunt te nemen de beginsituatie zoals hiervoor sub 5 omschreven, inclusief hetgeen door verdachte en zijn medeverdachte is erkend, zoals hiervoor sub 6 aangegeven (de situaties die ik hierboven in randnummer 11 heb genoemd, EH);
b. Kunt u op basis van dat feitelijk uitgangspunt een waarschijnlijkheidsoordeel geven over de vraag of deze beginsituatie de oorzaak is geweest van de, eveneens hiervoor omschreven, eindsituatie zoals hiervoor sub 4 omschreven, daaronder begrepen het aan één zijde losraken van de beugel.”
Op deze vragen is de deskundige Lueb ingegaan in zijn aanvullend rapport van 17 juli 2015:
“3. Oordeel
(…)
Het is hoogst waarschijnlijk dat de rookgasafvoerleiding is losgeraakt (vanuit de beschreven beginsituatie naar de beschreven eindsituatie) vanwege;
1) De toepassing van niet originele bevestigingsbeugels (zie montagehandleiding zoals opgenomen in het rapport van Kiwa Technology VG 1/556/Le).
2) De toepassing van slechts één bevestigingsbeugel (hier hadden er volgens de instructies v.d. fabrikant van het afvoermateriaal minimaal 2 toegepast moeten worden).
3) De rookgasafvoerleiding die op spanning is gemonteerd.
4) De hogere rookgastemperaturen dan gebruikelijk.
Onbedoeld stoten tegen de leiding door een bewoner of het omvallen van materiaal (zoals tuingereedschap, een strijkplank ed.) zal niet leiden tot het losraken van een rookgasafvoerleiding indien deze leiding correct gebeugeld is.”
16. Omdat de laatstgenoemde bevindingen van de deskundige Lueb wel poneren – en daarmee in wezen de conclusies in het eerdere rapport herhalen – dat de afwijkingen met betrekking tot de beugeling van de rookgasafvoerleiding, in combinatie met het op spanning gemonteerd zijn daarvan en de hoge rookgastemperaturen, de oorzaak waren van het losraken van de beugel aan één zijde, maar niet inzichtelijk maken waarom en hoe dat losraken dan in zijn werk is gegaan, is de deskundige op dat aspect ter terechtzitting van het hof nader bevraagd. De toelichting die de deskundige op ’s hofs terechtzitting van 5 augustus 2016 heeft gegeven, luiden samengevat als volgt. Gerapporteerd is op basis van de beginsituatie (zoals door het hof bedoeld). De kunststoffen afvoerpijp zet uiteen indien de ketel in bedrijf is en krimpt bij afkoeling. Deze beweging, die mogelijk is door de spanningsvrije ruimte binnen de ‘mof’, wordt normaal gesproken opgevangen door bevestigingsbeugels die het installatiebedrijf voorschrijft en de rookgasafvoerbuis in zijn geheel, dus rondom, afklemmen en die op deze manier geen ruimte voor beweging bieden. In de onderhavige zaak was het effect van de uitzetting extremer door de hogere rookgastemperaturen in de installatie ten gevolge van de niet juiste afstelling van de installatie. Het loslaten van de beugel aan één zijde is veroorzaakt door de afwijkingen met betrekking tot de beugeling van de rookgasafvoerpijp, in combinatie met het op spanning gemonteerd zijn daarvan en de hoge rookgastemperaturen. Daardoor kon mogelijk ook de beugel (waarmee de rookgasafvoerpijp aan het plafond was bevestigd) meebewegen en losraken. Bovendien is waarschijnlijk gebruikgemaakt van dezelfde schroeven en schroefgaten die eerder, bij de vorige leiding, zijn gebruikt, zodat, omdat deze dan wat minder goed ‘pakken’, er minimaal nog een andere beugel had moeten worden gebruikt. Vanaf het begin dat de installatie in werking was, werd teveel koolmonoxide geproduceerd. Het langste deel van de rookgasafvoerleiding heeft de meeste uitzetting en mogelijk is daardoor één van de bevestigingsschroeven losgeraakt. Op een vraag van de advocaat-generaal, verklaart de deskundige niet over deskundigheid te beschikken op het gebied van de berekening van krachten die door de genoemde krimp- en uitzetbewegingen worden veroorzaakt en de (in)werking daarvan op in hout vastgezette schroeven.
17. In het arrest overweegt het hof dat ook die toelichting van de deskundige niet de verlangde duidelijkheid over het vraagpunt van het hof heeft gebracht. Vooral de conclusie van de deskundige dat de uitgeoefende krachten op de aan twee zijden vastgeschroefde beugel dusdanig groot zijn geweest dat de beugel daardoor aan één zijde los is komen te zitten, acht het hof onvoldoende onderbouwd vanuit de deskundigheid van de deskundige. Niet, aldus het hof, heeft de deskundige uitgelegd – en daar gaat het in de visie van het hof nu juist om – hoe de door hem beschreven uitzet- en krimpbewegingen in combinatie met de verhoogde rookgastemperaturen tot het gevolg hebben kunnen leiden dat één van de schroeven van de aanwezige beugel is losgeraakt. Daarbij wijst het hof op: - de (forse) lengte en dikte van de aangetroffen schroef; - de constatering dat geen versplintering van het hout ter plaatse van het schroefgaatje te zien was, wat te verwachten zou zijn wanneer een schroef met geweld zou zijn losgetrokken; - de omstandigheid dat de deskundige heeft verklaard onvoldoende deskundigheid te bezitten op het gebied van de berekening van de genoemde krachten en de werking daarvan op het hout. Deze onduidelijkheden, kennelijk ook in onderling verband bezien, leiden er volgens het hof toe dat het niet verantwoord is de stellige conclusie van de deskundige over te nemen. Ook vindt het hof in de rapporten en de verklaringen van de deskundige geen betrouwbare en navolgbare onderbouwing voor de conclusie dat de omstandigheid dat de rookgasafvoer met één in plaats van twee beugels was gebeugeld en het gebruik van een niet door de fabriek voorgeschreven kunststofbeugel plus het op enige spanning monteren van de rookgasafvoerleiding het risico op het ontstaan van de eindsituatie in relevante mate hebben verhoogd, nu ook algemene ervaringsregels die onderbouwing volgens het hof niet bieden.
18. Na deze aanloop wordt het tijd de klachten te bespreken. Ik breng in herinnering dat het middel louter klaagt (i) dat het hof bij de vraag of sprake is van een causaal verband ten onrechte heeft overwogen dat algemene ervaringsregels geen steun bieden voor de conclusie dat de gedragingen (en tekortkomingen) van de verdachte en de medeverdachte het risico op het ontstaan van de eindsituatie in relevante mate hebben verhoogd, althans dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, en (ii) dat het hof zou hebben miskend dat een hoogst onwaarschijnlijk scenario niet aan een bewezenverklaring van causaal verband in de weg behoeft te staan, althans het oordeel van het hof op dit punt niet zonder meer begrijpelijk zou zijn. Ik heb al opgemerkt dat naar cassatie-technische maatstaven de pijlen van de klachten van het Openbaar Ministerie slechts op twee, en naar mijn inzicht niet de meest wezenlijke punten in de redenering van het hof zijn gericht. Die constatering is van belang, omdat bij een ‘OM-beroep’ in cassatie de beslissingsruimte van de Hoge Raad wordt gedicteerd door de middelen: “de Hoge Raad pleegt niet buiten de aangevoerde middelen om ten nadele van de verdachte te casseren”, aldus Van Dorst.
19. De eerste klacht komt er enkel op neer dat het hof op iets niet een algemene ervaringsregel van toepassing heeft geacht. Weliswaar dient het oordeel of er wel of geen sprake is van een algemene ervaringsregel niet onbegrijpelijk te zijn, maar tegelijkertijd moet hier worden geconstateerd dat een dergelijk oordeel sterk verweven is met een beoordeling van feitelijke aard. In cassatie kan niet worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Welnu, hetzelfde heeft te gelden in het spiegelbeeldige geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480, die daarop meteen laat volgen: “Een nadere motivering van een vrijspraak maakt de gegeven beslissing dus niet onbegrijpelijk doordat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – een andere (bewijs)beslissing toelaat.”
20. Tegen de achtergrond van het voorgaande kan verder over de eerste klacht nog het volgende worden opgemerkt. Onder feiten van algemene bekendheid moeten worden verstaan gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. Voor algemene ervaringsregels geldt hetzelfde. De verwijzing naar de “rechtstreeks bij het geding betrokkenen” omvat volgens Corstens/Borgers, gelet op de openbaarheid en de controleerbaarheid van rechterlijke beslissingen, een ruimere kring dan louter de procesdeelnemers. In de regel gaat het dan ook om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. Niet juist is evenwel de opvatting dat uitsluitend die feiten van algemene bekendheid zijn, welke geacht kunnen worden aan een ieder bekend te zijn. Voorts brengt de enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is. Feiten van algemene bekendheid kunnen in cassatie als reddingsboei fungeren om tekortkomingen in de bewijsvoering te ondervangen. Dergelijke feiten behoeven immers geen bewijs.
21. Het hof heeft – in cassatie niet bestreden – in de rapporten en de op de terechtzitting afgelegde verklaring van de deskundige geen betrouwbare en navolgbare onderbouwing gevonden voor de conclusie dat de gedragingen (en tekortkomingen) van de verdachte en de medeverdachte het risico op het intreden van de eindsituatie in relevante mate hebben verhoogd. Dat algemene ervaringsregels die onderbouwing volgens het hof evenmin bieden, acht ik niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. Daarbij is van wezenlijk belang dat het hof de gedachtegang van de deskundige niet heeft gevolgd aangaande diens verklaring voor het losraken van de beugel aan één zijde, nu een voor het hof essentieel vraagpunt ten aanzien van de causale keten onbeantwoord en derhalve onduidelijk is gebleven, te weten hoe één van de schroeven van de aanwezige beugel is losgekomen. Een overtuigend antwoord op die vraag acht het hof noodzakelijk om tot het oordeel te kunnen komen dát het losraken van de schroef successievelijk de beugeling daadwerkelijk werd veroorzaakt door de in de tenlastelegging omschreven gedragingen (en tekortkomingen) van de verdachte. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de deskundige niet de benodigde deskundigheid bezat op het gebied van de berekening van de krachten en de werking van de meergenoemde krimp- en uitzetbewegingen op schroeven in hout. In dat oordeel ligt niet onbegrijpelijk besloten dat als zelfs een aan het KIWA N.V. verbonden deskundige bij gebrek aan deskundigheid ter zake zich niet kan uitlaten over een dergelijke berekening, en als duidelijkheid daarover kennelijk alleen kan worden verstrekt door iemand met een zeer specialistische kennis van dat technische onderwerp, er in dat verband (uiteraard) geen sprake is van een feit van algemene bekendheid. In dat opzicht wijkt de onderhavige zaak af van het arrest van HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:878, waarin, zo zou men kunnen zeggen, een enigszins specialistische of bedrijfsmatige wetenschap ter zake van gasvormige verschijnselen (toch) als een feit van algemene bekendheid werd beschouwd. De verdachte was in die zaak vervolgd voor het vervoer in een vrachtwagen van gevaarlijke stoffen in gasflessen (drukhouders) die niet voorzien waren van de vereiste etiketten. Ten aanzien van de klacht dat het hof de gasflessen ten onrechte niet als leeg had aangemerkt, overwoog de Hoge Raad dat het hof had vastgesteld dat de gasflessen gedeeltelijk gevuld waren met vloeistof en dat het hof kennelijk had geoordeeld dat het van algemene bekendheid is dat propaan en butaan bij normale temperatuur en normale druk gasvormig zijn en dat derhalve uit de omstandigheid dat zich in de drukhouders vloeistof bevond, moest worden afgeleid dat de inhoud van de drukhouders nog onder druk stond. Dat oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Ook verschilt de onderhavige zaak van de casus die ten grondslag lag aan de door de steller van het middel aangehaalde uitspraak van Rb. Overijssel 26 januari 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:309, reeds omdat daar niet het specifieke probleem speelde waarvoor het hof zich in de onderhavige zaak met betrekking tot de causaliteitsvraag en de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte gesteld ziet.
22. Ik meen dat het hof op grond van het voorgaande kon oordelen, gelijk het heeft gedaan, dat algemene ervaringsregels geen steun bieden voor het ontstaan van de eindsituatie. De bevindingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid naar koolmonoxideongevallen, waarnaar de steller van het middel verwijst, doen aan het voorgaande niet af. Daargelaten dat blijkens de stukken van het geding (voor zover in cassatie voorhanden) dit rapport niet aan het hof is overgelegd en een beroep daarop voor zover dat concreet betrekking heeft op de onderhavige zaak niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt en daarvoor in cassatie geen plaats is, zij opgemerkt dat in dat rapport niet nader wordt ingegaan op het punt dat voor het hof cruciaal is.
23. Voor het overige stuit de klacht af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. De mogelijkheid waarop de steller van het middel doelt, dat het lezen van de gebruikershandleiding door de verdachte en de medeverdachte het losraken van de beugel had kunnen voorkomen, is door het hof kennelijk anders gewaardeerd. Daarbij wijs ik erop dat het hof de omstandigheid dat bij een correcte montage van de rookgasafvoerleiding de rookgassen via de rookgasafvoer naar buiten zouden zijn afgevoerd enkel heeft betrokken bij zijn onderzoek naar relevante omstandigheden met betrekking tot de oorzaak van het loslaten van de beugel. Een oordeel over de vraag of zulks het risico op de eindsituatie in relevante mate heeft verhoogd op grond waarvan het redelijk is het overlijden van beide slachtoffers toe te rekenen aan de verdachte, heeft het hof daarmee niet gegeven. Voor zover de toelichting op het middel daarover bedoelt te klagen, mist de klacht feitelijke grondslag.
24. De eerste klacht faalt.
25. Dan de tweede klacht: het hof zou voorts hebben miskend dat een hoogst onwaarschijnlijk scenario niet aan een bewezenverklaring van causaal verband in de weg behoeft te staan, althans zou het oordeel van het hof op dit punt niet zonder meer begrijpelijk zijn.
26. Het hof heeft overwogen dat het dossier en het onderzoek op de in het arrest genoemde terechtzittingen onvoldoende gegevens bevatten voor de conclusie dat de eindsituatie in relevante mate is veroorzaakt door de gedragingen van de verdachte. In dat oordeel ligt besloten dat volgens het hof in de onderhavige zaak niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg. Met dat impliciete oordeel heeft het hof terecht niet volstaan. Het gaat er immers vooral om of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan de gedraging(en) van de verdachte kan worden toegerekend. Ten minste is vereist dat wordt vastgesteld dat deze gedraging(en) een onmisbare schakel kan/kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging(en) van de verdachte is veroorzaakt. De Hoge Raad zegt daarover het volgende:
“Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. HR 20 september 2005, LJN AT8303, NJ 2006/86, rov. 3.5). Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.”
27. Het is mij niet geheel duidelijk geworden wat er volgens de tweede klacht mis zou zijn met het oordeel van het hof en wijs ik er terzijde op dat in de samenhangende zaak eenzelfde klacht niet is opgenomen in de schriftuur. Gesteld wordt in de toelichting op het middel dat in het oordeel van het hof mede besloten ligt dat “het zelfs op grond van algemene ervaringsregels zó hoogst onwaarschijnlijk is (en daarom dus niet kan worden bewezen) dat de […] – aan de montage van de rookgasafvoer klevende – tekortkomingen het risico op het ontstaan van de eindsituatie (en daarmee de dood van de slachtoffers) in relevante mate hebben verhoogd”. Nu een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid niet zonder meer aan de bewezenverklaring van causaal verband in de weg staat, zou, zo begrijp ik de klacht, het bestreden oordeel van het hof onjuist, dan wel onbegrijpelijk zijn.
28. In eerdere rechtspraak van de Hoge Raad is uitgemaakt dat een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedraging van de verdachte tot het gevolg heeft geleid, niet aan het aannemen van het causaal verband in de weg behoeft te staan. Die rechtsregel is door het hof niet miskend. Het hof heeft over de gedragingen van de verdachte – in de kern – geoordeeld dat zij niet van dien aard zijn dat zij het vermoeden wettigen dat deze hebben geleid tot het intreden van het gevolg. Daarmee heeft het hof – kort gezegd – geen onwaarschijnlijkheidsoordeel gegeven in de door de steller van het middel bedoelde zin, maar zijn oordeel nader inhoud gegeven binnen het toetsingskader of de gedragingen van de verdachte het risico op het intreden van de eindsituatie in zodanig relevante mate hebben verhoogd dat het op die grond redelijk is het overlijden van beide slachtoffers aan hem toe te rekenen. Die vraag heeft het hof na een uitvoerige motivering ontkennend beantwoord. Het lijkt mij dan ook dat de tweede klacht feitelijke grondslag mist. Overigens getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook als de overwegingen van het hof gelezen zouden moeten worden op de wijze die in de schriftuur wordt voorgestaan, valt niet in te zien waarom een hoogst onwaarschijnlijk scenario hier niet door het hof terzijde zou mogen worden geschoven bij de beoordeling van de onderhavige kwestie. De steller van het middel zal toch niet van oordeel zijn dat het in dit geval in beginsel of bij uitgangspunt redelijk is om een hoogst onwaarschijnlijk scenario toe te rekenen aan de verdachte?
29. Ook de tweede klacht treft geen doel.
30. Tot slot merk ik nog het volgende op. De opbouw van het arrest, waarin onder meer wordt gewezen op de tekortkomingen van de verdachte en de medeverdachte met betrekking tot de installatie van de ketel en de montering van de rookgasafvoer alsook op de verhoogde verantwoordelijkheid die op een installateur van cv-ketels rust (de verdachte was volgens het hof weliswaar geen erkende installateur, maar wel een vakman), roept wellicht vragen op over de uitkomst van de zaak in hoger beroep. Niet dient echter te worden vergeten dat het (ook) in de onderhavige zaak uiteindelijk draait om de eerder genoemde selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter met betrekking tot het aanwezige (bewijs)materiaal. Het hof heeft in dat licht niet de conclusie kunnen (of willen) trekken dat de gedragingen van de verdachte het risico op de eindsituatie in relevante mate heeft verhoogd op grond waarvan het redelijk is het overlijden van de slachtoffers aan de verdachte toe te rekenen, hetgeen tevens een kwestie van overtuiging kan zijn geweest. Dat óók een andere uitkomst van de zaak denkbaar is, maakt, het zij hier nog eens benadrukt, het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk. Op grond van dit gegeven – zulks hier bezien in samenhang met hetgeen ten overstaan van het hof is aangevoerd (door het Openbaar Ministerie) en met de zeer beperkte portee van het cassatiemiddel – meen ik dat de uitspraak van het hof in cassatie in stand kan blijven.
31. Het middel faalt mijns inziens in beide onderdelen.
32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG