Trappen
Het pv van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] deed mij ook de wenkbrauwen fronsen. Er lopen drie man mee met cliënt die slechts zo'n 60 kg weegt. Hij is geboeid en zij houden hem vast aan armen en boeien. Dan zegt verbalisant [verbalisant 2] dat de verdachte zich plots liet vallen op de grond, maar dat hij de verdachte door het gewicht niet kon houden?? Dit bevreemdt mij.
Deze verbalisant zegt ook dat cliënt één trappende beweging naar achteren zou hebben gemaakt (p. 37). Dit terwijl [verbalisant 1] zegt dat cliënt hevig om zich heen begon te trappen. Wanneer we het echter over één trappende beweging zouden hebben (hetgeen overigens óók niet waarneembaar is op de beelden) is het opvallend dat zowel [verbalisant 1] (zie feit 1) als [verbalisant 2] (zie feit 2) beweren pijn of letsel te hebben opgelopen door een trap van cliënt. Dit is feitelijk onmogelijk. Cliënt ontkent ten stelligste überhaupt te hebben geschopt, hetgeen ook bevestigd wordt door de beelden. Mocht u wel uitgaan van één trap, dan nog kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen, omdat we dan niet kunnen gaan kiezen welke verbalisant dan mogelijk geraakt zou zijn door die trap. Het wondje op het scheenbeen van verbalisant [verbalisant 1] kan door vele andere gebeurtenissen zijn veroorzaakt. Van enig opzet op het veroorzaken van letsel door cliënt is geen sprake.
Bijten
Ook het bijten in de vinger ontkent cliënt. Dit bijten zou gebeurd zijn terwijl er een nekklem zou zijn aangelegd op de achterbank, terwijl tegelijkertijd iemand hem bij zijn haren vasthoudt. Het is feitelijk onmogelijk om dan je hoofd nog te draaien en iemand in zijn vinger te bijten. [verbalisant 2] stelt in zijn voegingsformulier dat de tandafdrukken van de vermeende beet nog goed zichtbaar waren op het bureau. Het had dan toch op de weg van de verbalisant gelegen om hier vervolgens een foto van te maken. Dit is niet gebeurd. In combinatie met mijn stelling dat u artikel 344 lid 2 buiten toepassing zou moeten laten is er daardoor in ieder geval onvoldoende wettig bewijs voor het bijten in de vinger. Er is geen bewijsmiddel dat deze handelingen ondersteund.
Aangezien er onvoldoende wettig bewijs is verzoek ik tot een vrijspraak te komen.
[1] Hoge Raad 18 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2365.
[2] Gerechtshof Amsterdam, 25 september 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8197.”
7. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1799:
“2.3.1. Ingevolge het tweede lid van art. 344 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, door de rechter worden aangenomen op enkel een door een bevoegde opsporingsambtenaar op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Genoemde bepaling maakt geen uitzondering voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd (vgl. HR 31 december 1934, NJ 1935, p. 373). Aldus geeft art. 344, tweede lid, Sv blijk van een bijzonder vertrouwen van de wetgever in de betrouwbaarheid van een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar (vgl. HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446, NJ 2004/452).
2.3.2. Art. 338 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter slechts kan worden aangenomen indien hij daarvan de overtuiging heeft bekomen. Het staat de rechter dus vrij een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar niet tot het bewijs te laten meewerken ingeval hij op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval - zoals de omstandigheid dat het strafbare feit tegen de opsporingsambtenaar zelf is gepleegd - onvoldoende ervan overtuigd is dat ook in de voorliggende zaak het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het proces-verbaal ten volle gerechtvaardigd is.
2.4.1. Uitgangspunt is daarbij dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal rekenschap behoeft af te leggen. Dat geldt ook voor het al dan niet als enig bewijsmiddel tot het bewijs bezigen van een proces-verbaal waaraan krachtens art. 344, tweede lid, Sv de daar voorziene bijzondere bewijskracht toekomt.
2.4.2. Op voormeld uitgangspunt is in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv evenwel een uitzondering gemaakt, in die zin dat ingeval met betrekking tot de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel door of namens de verdachte een standpunt is ingenomen dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ter terechtzitting naar voren is gebracht, de rechter indien hij in zijn vonnis afwijkt van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt door dat bewijsmiddel toch tot het bewijs te bezigen, gehouden is in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Die motiveringsplicht geldt ook indien het standpunt betrekking heeft op een proces-verbaal in de zin van art. 344, tweede lid, Sv en dit standpunt niet wordt aanvaard.”
8. In aanmerking genomen dat verdachtes raadsman wijst op diverse onverenigbaarheden tussen de verklaringen van de verbalisanten en de beelden die beschikbaar zijn van het onderhavige voorval kan hetgeen verdachtes raadsman heeft aangevoerd bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv.
9. Het standpunt van verdachtes raadsman vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen voor wat betreft het bijten in de hand van de verbalisant [verbalisant 2] . In zoverre ligt in de bewijsmiddelen besloten waarom het hof het standpunt van de raadsman niet heeft gevolgd.
10. Voor het overige is het hof aan dit standpunt voorbijgegaan zonder te motiveren waarom. Dat betekent dat het bepaalde in art. 359 lid 2 Sv is geschonden. Omdat het bij art. 359 lid 2 Sv bepaalde op straffe van nietigheid is voorgeschreven (art. 359 lid 8 Sv) kan het arrest van het hof niet in stand blijven.
11. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 2 en 3 tenlastegelegde en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG