5. Het eerste middel
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verweer dat niet bewezen kan worden dat de gelden die de verdachte voorhanden heeft gehad en/of omgezet heeft “uit enig misdrijf afkomstig” waren, ten onrechte als althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Voorts bevat het de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat de geldbedragen die de verdachte voorhanden heeft gehad en/of omgezet heeft “uit enig misdrijf afkomstig” waren.
Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Indien voor de bewezenverklaring van witwassen geen rechtstreeks verband kan worden gelegd met een bepaald misdrijf, kan het bestanddeel ‘uit enig misdrijf afkomstig’ niettemin bewezen worden geacht indien op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte een verklaring verschaft over de herkomst van het geld, kan dit aan een veroordeling ter zake van witwassen in de weg staan. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijk te zijn. In cassatie kan het oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld niet aannemelijk is, slechts worden getoetst op haar begrijpelijkheid.
Het middel valt blijkens de toelichting daarop uiteen in 6 deelklachten, die ik hierna puntsgewijs zal behandelen.
De eerste deelklacht houdt in dat hof niet heeft kunnen oordelen dat het primair bewezenverklaarde ‘uit misdrijf afkomstige voorwerpen’ betreffen, omdat de verdachte hiervoor een verklaring heeft verschaft. Ik verwijs kortheidshalve naar de in de aanvulling op het arrest van 8 november 2016 opgenomen bewijsmiddelen. Ik merk in de eerste plaats op dat het hof de verschillende door de verdachte overlegde stukken heeft laten onderzoeken. Uit ’s hofs bewijsvoering, mede omvattend de resultaten van voorgenoemd onderzoek, blijkt (onder meer) dat de verdachte over de verschillende stukken en uitgaven wisselend heeft verklaard, hij geen specifieke en daardoor controleerbare of verifieerbare (authentieke) stukken heeft overlegd, dezelfde stukken ten grondslag zijn gelegd aan meerdere aankopen en de tijdlijn ten aanzien van de verschillende aankopen niet strookt met de door de verdachte daaraan ten grondslag gelegde stukken. Uit ‘s hofs bewijsvoering volgt derhalve dat de verklaring van verdachte niet aannemelijk is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. De deelklacht faalt.
Ten tweede wordt – samengevat - geklaagd dat het hof, door te overwegen dat “de door verdachte overgelegde stukken niet toereikend zijn om een legale herkomst van de uitgegeven gelden vast te stellen” een te hoge maatstaf heeft gehanteerd. Ik kan dat niet volgen. Anders dan de steller van het middel meent, oordeelt het hof niet dat het aan de verdachte is om de legale herkomst van de gelden aan te tonen, maar brengt het hof hiermee tot uitdrukking dat ook nadat er door de opsporingsinstanties (nader) onderzoek is verricht naar de door de verdachte overlegde stukken, de verklaring van verdachte als niet aannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verklaring van de verdachte eerst aanleiding gaf tot nader onderzoek maakt dat niet anders. De deelklacht faalt.
De derde deelklacht klaagt – samengevat - dat de door verdachte verkregen gokwinsten groter zijn dan door het hof is vastgesteld. Ook naar deze inkomsten is nader onderzoek verricht door de opsporingsinstanties. Ik merk op dat de feitenrechter vrij is in de selectie en waardering van bewijsmiddelen. Het hof heeft geoordeeld dat uit het (nader) onderzoek blijkt de door verdachte behaalde gokwinsten à €610,- voorafgaand aan de aanschaf van de auto, mede bezien in het licht van de korte periode tussen de aanvang van de casinobezoeken en de aanschaf van de auto, geen aannemelijke verklaring vormen voor die aanschaf. Dat oordeel is niet onjuist, noch onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De deelklacht faalt.
De vierde deelklacht klaagt in de eerste plaats dat het hof bij de bewezenverklaring van de omzetting van fl. 100.000,- (eerste gedachtestreepje) feiten en omstandigheden redengevend heeft geacht zonder deze met voldoende mate van nauwkeurigheid weer te geven. Dit ziet specifiek op een proces-verbaal van 23 juli 2013. De klacht betreft in de tweede plaats dat het voornoemde stuk niet is voorgelezen, althans dat is verzuimd daarvan de korte inhoud mede te delen. Gezien het proces-verbaal van 25 februari 2016 van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de voorzitter aldaar mondeling de korte inhoud van de stukken van de zaak medegedeeld. De steller van het middel moet worden toegegeven dat die mededeling weinig specifiek is. Desalniettemin kan uit het requisitoir van de advocaat-generaal bij het hof worden afgeleid dat het in het proces-verbaal van 23 juli 2013 bedoelde onderzoek is besproken, inhoudende dat onderzoek is gedaan naar de bij de RDW geregistreerde vaartuigen in de jaren waarin verdachte claimde dat hij een dergelijk vaartuig in zijn bezit had, reden waarom de verdachte niet in enig rechtens te respecteren belang is geschonden. Het voornoemde proces-verbaal is gezien ’s hofs bewijsmotivering bovendien in voldoende mate van nauwkeurigheid weergegeven. Daarbij neem ik in aanmerking dat het door het hof benoemde proces-verbaal van 5 februari 2013 inhoudt dat naar aanleiding van de door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 16 oktober 2012 overlegde stukken nader onderzoek wordt verricht. Dat nader onderzoek komt tot uitdrukking in (onder meer) het proces-verbaal van 23 juli 2013. De deelklacht faalt.
De voorlaatste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring dat verdachte een geldbedrag van € 35.403,- voorhanden heeft gehad onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof niet heeft kunnen oordelen dat er onvoldoende verband bestaat tussen de door verdachte bepleite (legale) inkomstenbron (een tweetal kredieten) en de contante betaling à € 35.403,- ten behoeve de aanschaf van een BMW X5 op 28 september 2005. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van ‘s hofs arrest. De steller van het middel bepleit dat de datum van de tweede kredietverlening, welke op 15 augustus 2005 zou zijn geschied en de aanschaf van de auto op 28 september 2005 niet incongruent in tijd zijn. Het hof heeft echter blijkens zijn bewijsmotivering (onder meer) het tijdsverloop tussen de verlening van het eerste krediet (10 augustus 2004) en de datum van de aankoop van de auto incongruent geacht. Bovendien heeft het hof zijn twijfels geplaatst bij de authenticiteit van de stukken die (kennelijk) ten grondslag liggen aan de verlening van het tweede krediet, meer specifiek de kasopname van het bedrijf [C] , welke eerst op 11 november 2005 staat geboekt, nagenoeg twee weken na aanschaf en de toen reeds gedane (deels) contante betaling van de BMW X5. Gezien het voorgaande is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. De deelklacht faalt.
Tot slot klaagt het middel dat het hof niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat verdachte salaris uit zijn ondernemingen aan zichzelf heeft uitgekeerd. Uit de aanvulling op het arrest blijkt dat er bij de belastingdienst geen informatie aanwezig is over de inkomsten van verdachte in 2005 tot en met 2007 (bewijsmiddel 10). Voorts heeft het hof in zijn bewijsmotivering meegewogen dat de verdachte wisselend heeft verklaard over zijn inkomsten in 2005 en dat hij geen stukken kan overleggen over de door hem verklaarde genoten inkomsten. Met de opmerking dat het hof het ondernemingsvermogen gelet op de overige inhoud van de stukken niet, zeker niet zonder meer, gelijk kan stellen met de behaalde nettowinst uit onderneming, heeft het tot uitdrukking gebracht dat gezien de door de verdachte aangedragen andere inkomstenbronnen het onwaarschijnlijk is dat hij een bedrag van meer dan €60.000,- als ondernemingsvermogen dan wel nettowinst voorhanden heeft gehad. In het voorgaande ligt besloten dat het hof de verklaring van verdachte niet aannemelijk heeft geacht. De deelklacht faalt.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Het tweede middel
Het middel behelst de klacht dat het hof het bewezenverklaarde opzet als bedoeld in art. 420bis Sr niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, althans ontoereikend heeft gemotiveerd.
Voor het misdrijf als bedoeld in art. 420bis eerste lid onder b Sr is vereist dat de verdachte wist dat het voorwerp van misdrijf afkomstig is. In dit weten is het (voorwaardelijk) opzet ‘ingeblikt’. Blijkens zijn bewijsmotivering, zoals hiervoor weergegeven onder 4 en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in de aanvulling op het arrest van 8 november 2016 waar ik kortheidshalve naar verwijs, heeft het hof op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de door verdachte verschafte verklaring voor het wisselen van (grote) bedragen aan buitenlandse alsmede niet meer in omloop zijnde valuta en de (mede) met contant geld aangeschafte BMW’s, niet aannemelijk is. Gelet hierop heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte wist dat dit geld - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is. Dat oordeel is voldoende met redenen omkleed en voorts niet ontoereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
7. De middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende motivering worden afgedaan.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG