U toont mij de camerabeelden Dirk van den Broek Entree buiten
20.22.34 Links voor de witte auto zie ik iemand slaan. Volgens mij ligt [betrokkene 1] op de grond en [betrokkene 2] bovenop hem.
20.22.48 Ik loop naar het Steve Bikoplein
20.22.52 Ik liep terug omdat ik wat terug wilde doen.”
8. De eerste klacht van het middel houdt kort gezegd in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte het tegen [betrokkene 1] uitgeoefende (openlijke) geweld in vereniging heeft begaan. Volgens de steller van het middel wijzen de bewijsmiddelen onder 1, 3 en 4 uit dat uitsluitend de verdachte is teruggekeerd naar [betrokkene 1], die enigszins ongelukkig tussen de fietsen op de grond lag, en dat de verdachte daarna aan [betrokkene 1] (als enige) enkele slagen heeft toegediend. De mededeling van [betrokkene 4] (bewijsmiddel 2) dat hij zag “dat [betrokkene 3] en [verdachte] op [betrokkene 1] afsprongen en hem weer begonnen te slaan en schoppen,” is met die bewijsmiddelen in strijd en had door het hof niet zonder nadere motivering tot het bewijs gebruikt mogen worden, aldus de steller van het middel.
9. Ik begrijp dit onderdeel van het middel aldus dat de klacht niet zelfstandig opkomt tegen de door de steller van het middel aangenomen tegenstrijdigheid tussen de bewijsmiddelen, maar enkel tegen het ontbreken van bewijs dat de verdachte tegelijkertijd met of in aanwezigheid van anderen (openlijk) geweld heeft gepleegd. De vraag is dus (onder meer) of daarmee een eis wordt gesteld die de wet kent. Bij de beantwoording van die vraag laat ik – omwille van de discussie – de laatste passage van bewijsmiddel 2 buiten beschouwing. Het gaat mij thans om de juridische grondslag van het betoog van de steller van het middel.
10. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 141 Sr, zodat moet worden aangenomen dat de daarin en in de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘in vereniging’ zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die wetsbepaling. Het bestanddeel ‘in vereniging’ is in artikel 141 Sr opgenomen bij wetswijziging van 12 mei 2000 en het trad in de plaats voor het bestanddeel ‘met verenigde krachten’. Met deze wetswijziging werd een verruiming beoogd van de strafbaarstelling van art. 141 Sr, zulks door de reguliere deelnemingsvorm van het ‘medeplegen’ van openlijk geweld in volle omvang onder het bereik van die strafbaarstelling te brengen, daar waar het oude bestanddeel ‘met verenigde krachten’ naar de opvatting van de wetgever uitsloot dat een medepleger die zelf geen gewelddadige handelingen uitvoerde werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging als bedoeld in art. 141 Sr. Ofschoon (de toelichting op) deze wetswijziging niet onmiddellijk antwoord geeft op de door het middel opgeworpen vraag, maakt deze wetswijziging wel duidelijk waar het antwoord op die vraag kan worden gevonden, namelijk in de betekenis en het bereik van de deelnemingsvorm ‘medeplegen’, die thans delictsbestanddeel is van art. 141 Sr. Die vraag luidt meer specifiek: vergt het in vereniging plegen van openlijk geweld dat degene die bij wijze van sluitstuk nog enig geweld op een slachtoffer uitoefent, zulks gelijktijdig met of in aanwezigheid van zijn mededaders doet?
11. Voor het medeplegen van openlijk geweld is vereist dat de verdachte nauw en bewust met zijn mededaders heeft samengewerkt en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is om ten aanzien van hem te kunnen spreken van het ‘in vereniging’ plegen van het bewezenverklaarde geweld. De eis dat de dader van openlijk geweld zulks uitsluitend in vereniging begaat indien hij tegelijkertijd met of in aanwezigheid van anderen (‘mededaders’) geweld uitoefent, vind ik hierin niet terug. Zolang het door de verdachte uitgeoefende geweld kan worden gezien als onderdeel van het meeromvattende, door twee of meer personen begane openlijk geweld en daarvan dus niet los kan worden gezien, is er ook geen reden voor het stellen van een dergelijke, m.i. enigszins overspannen eis. De strafbaarstelling betreft immers het medeplegen van openlijk geweld, niet het openlijk medeplegen van geweld. Dat onderscheid luistert heel nauw, maar is niet zonder betekenis. Naar mijn mening geeft de bewezenverklaring in elk geval geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
12. Ook indien de laatste passage van bewijsmiddel 2 buiten beschouwing wordt gelaten, acht ik ’s hofs oordeel dat het door de verdachte jegens [betrokkene 1] uitgeoefende geweld moet worden gezien als onderdeel van, en in eenheid met de overige geweldshandelingen bovendien niet onbegrijpelijk, gelet op de nauwe samenhang in de samenstelling van de dadergroepen, in tijd en in plaats. Het geweld dat door de verdachte is uitgeoefend op [betrokkene 1] vormt naar ’s hofs kennelijke oordeel inderdaad het slotstuk van een (dissonante) symfonie.
13. De eerste klacht van het middel is tevergeefs voorgesteld.
14. De tweede klacht van het middel klaagt over het denatureren van de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd.
15. Zoals hierboven weergegeven heeft het hof uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 3 augustus 2016 heeft afgelegd het volgende tot het bewijs gebezigd (voor het leesgemak herhaal ik bewijsmiddel 4):
“Bij de fietsen lagen [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Later ben ik daar ook geweest. Ik ging toen met [betrokkene 1] vechten, omdat ik ben geslagen. Ik heb hem een paar keer in zijn gezicht geslagen. Ik ging door met het in elkaar beuken.
U toont mij de camerabeelden Dirk van den Broek Entree buiten
20.22.34 Links voor de witte auto zie ik iemand slaan. Volgens mij ligt [betrokkene 1] op de grond en [betrokkene 2] bovenop hem.
20.22.48 Ik loop naar het Steve Bikoplein
20.22.52 Ik liep terug omdat ik wat terug wilde doen.”
16. Dit bewijsmiddel betreft een selectie uit de volgende drie onderdelen van de verklaring van de verdachte, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 augustus 2016 (onderstreping in de verklaringen mijnerzijds):
(1). “Ik was niet bij de fietsen. Ik was met [betrokkene 4] en [betrokkene 3] bij de boom. Bij de fietsen lagen [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Later ben ik daar ook geweest. Ik ging toen met [betrokkene 1] vechten, omdat ik ook ben geslagen. Ik heb in zijn gezicht geslagen. Toen ontstond een kleine worsteling. Ik liep naar hem toe, toen schoot hij eerst twee keer. Daarna heb ik hem geslagen, het wapen afgepakt het magazijn eruit gehaald en het wapen weggegooid.”
(2). “De klap van [betrokkene 4] kwam links op mijn gezicht en ik viel op de stoep. Ik stond meteen weer op. [betrokkene 4] werd door [betrokkene 3] naar de grond gehaald. Op het moment dat met pepperspray werd gespoten, werkte [betrokkene 2] [betrokkene 1] naar de grond tussen de boom en de fietsen. Ik stond op en ging meteen naar [betrokkene 1] toe. [betrokkene 2] ging weg. Toen kwam ik aangelopen. Ik heb er verder niet bij nagedacht. Ik moest erheen vanwege de adrenaline. Er ging niets door mijn hoofd, ik was geslagen. Ik liep op [betrokkene 1] af en hij schoot twee keer gericht.
Hij lag op de grond bij de fietsen op zijn rug. Ik zag iets zwarts in zijn hand en twee flitsen. Toen heb ik hem een paar keer geslagen en het wapen afgepakt. Het magazijn heb ik eruit gehaald en verderop weggegooid. Zo zijn mijn vingerafdrukken erop gekomen. Ik voelde direct dat ik geraakt was.
Toch ging ik door met het in elkaar beuken . Ik was door het lint.”
(3). “Camerabeelden Dirk van den Broek entree buiten
De verdachte verklaart:
(…).
20.22.22 Ik weet niet wie ik ben. Ik heb wel iemand zien vallen. Ik weet niet wie valt. De man met de gestreepte jas is [betrokkene 4]. Ik zie een paar mensen op de grond liggen. Ik lag even met [betrokkene 4] op de grond.
20.22.24 Er was nog niet geschoten.
20.22.34 Links voor de witte auto zie ik iemand slaan. Volgens mij ligt [betrokkene 1] op de grond en [betrokkene 2] bovenop hem . Er was nog niet geschoten.
20.22.48 Ik loop naar het Steve Bikoplein . Er is nog niet geschoten.
20.22.52 Nu wordt volgens mij geschoten.
Ik liep terug omdat en ik wat terug wilde doen. Ik werd geraakt door het eerste schot op het moment dat ik erop afliep. Het tweede schot volgt 6/7 seconden later. De persoon die op mij schoot was bij de boom tussen de fietsen. Nadat ik ben beschoten, heb ik geprobeerd het wapen te pakken.
20.22.57 Hier ben ik geraakt.
20.22.59 Ik ben nog een keer geraakt.
In de worsteling is niet nogmaals geschoten.
20.23.00 Je ziet een handbeweging. Daar gooi ik het wapen weg.
Later gooide ik het magazijn weg tussen de auto’s.
20.23.50 Ik denk dat [betrokkene 4] de persoon bij de witte auto is. Ik denk dat hij 5 seconden daarna is geraakt. Ik ben door het eerste schot van [betrokkene 1] geraakt, [betrokkene 4] door het tweede schot. Ik rende weg.”
17. Anders dan de steller van het middel betoogt, volgt hieruit dat bewijsmiddel 4 wel degelijk een selectie behelst uit redengevende onderdelen van de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. In dit verband heeft het hof klaarblijkelijk géén geloof gehecht aan verdachte’s verklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte door (de op de grond liggende) [betrokkene 1] werd beschoten op het moment dat hij, de verdachte, wegliep, waarna hij terugkeerde naar [betrokkene 1] om hem de gewraakte klappen (in diens gezicht) te geven. Dát het hof geen geloof heeft gehecht aan dit onderdeel van verdachte’s verklaring brengt een rechterlijke waardering daarvan tot uitdrukking. Die waardering wordt in cassatie niet op haar begrijpelijkheid aangevochten. Dat is overigens op goede gronden. De selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is immers voorbehouden aan de feitenrechter en zij behoeven in beginsel geen nadere motivering. De tweede klacht treft dus geen doel.
18. Het gehele middel deelt het lot van de twee daarin verwoorde klachten.
19. Het tweede middel klaagt over de verwerping van een beroep op noodweer(exces).
20. Ter terechtzitting van 3 augustus 2016 heeft de raadsman het volgende verweer gevoerd:
“42. Voor zover overwogen zou worden dat cliënt zich wel schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging (…), wordt opgemerkt dat cliënt op harde en zeer beangstigende wijze is aangevallen. Uit verscheidene verklaringen valt op te maken dat er herhaaldelijk pepperspray is gespoten en dat hij dusdanig hard in het gezicht wordt geslagen dat hij bijna het bewustzijn verliest.
43. Dat betreft, hoe je het ook wendt of keert, een ernstige, ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Voor zover uw hof bepaalde geweldshandelingen bewezen verklaart wordt opgemerkt dat sprake was van een noodweersituatie waartegen cliënt zich mocht verdedigen. Gelet op de heftige en zeer beangstigende aanval mag er van uit gegaan worden dat dit een hevige gemoedsbeweging zal moeten veroorzaken als gevolg waarvan de grenzen van een noodzakelijke verdediging mogelijk zijn overschreden. Derhalve wordt uw hof verzocht om - voor zover u daartoe komt - subsidiair de situatie te beoordelen naar de maatstaven van noodweer(-exces) en daartoe cliënt te ontslaan van rechtsvervolging.
44. De weerlegging van het verweer door de rechtbank is in strijd met het recht. (…).
Uit de bewijsmiddelen blijkt onomstotelijk van een primaire aanval door de broers [betrokkene 1 en 4], twee maal een harde vuistslag in het gezicht, het gebruik van pepperspray. Dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval waartegen een ieder zich zou mogen verdedigen is niet slechts aannemelijk maar staat wat de verdediging betreft gewoonweg vast.”
21. Het hof heeft dit verweer verworpen op de gronden als hierboven weergegeven onder 6. Kort gezegd komt het erop neer dat het hof in het midden heeft gelaten of de verdachte zich bevond in een situatie waarin noodweer was geboden nadat hij met pepperspray was bespoten en in het gezicht was geslagen. Het hof constateert vervolgens dat de verdachte zich aan die situatie (de vechtpartij) kon onttrekken, en zulks ook daadwerkelijk heeft gedaan (door zich te begeven richting het Steve Bikoplein). Enkele ogenblikken later is de verdachte echter terug gerend, naar zijn zeggen omdat hij wat terug wilde doen en omdat ook hij was geslagen, waarna hij [betrokkene 1], die op de grond lag, in het gezicht heeft geslagen. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte bewust is teruggegaan met de bedoeling om met [betrokkene 1] te vechten.
22. Naar ik deze motivering versta heeft het hof het beroep op noodweer niet aanvaard omdat het bewezenverklaarde geweld, volgens het hof noch op grond van verdachte’s bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm ervan kan worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend en gericht op confrontatie. Om diezelfde reden het hof ook het beroep op noodweerexces verworpen.
23. Het middel komt blijkens de toelichting met twee klachten op tegen de begrijpelijkheid van dit oordeel:
(1). Het hof had niet in het midden mogen laten of het ‘pepperen’ en het slaan in het gezicht van de verdachte als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding moeten worden aangemerkt, waartegen in principe een verdediging noodzakelijk was (kortom: een noodweersituatie), aangezien het geweld jegens [betrokkene 1] dat de verdachte op zijn beurt wordt verweten, naar zijn zeggen voortvloeide uit een hevige gemoedsbeweging die het gevolg was van de daaraan voorafgaande aanranding.
(2). ’s Hofs vaststelling dat de verdachte ‘culpa in causa’ treft doordat de verdachte de aanval zelf had uitgelokt c.q. zelf de agressie had opgezocht, (a) kan niet volgen uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 3 augustus 2016, terwijl het hof bovendien (b) (ongemotiveerd) buiten beschouwing heeft gelaten dat [betrokkene 1] op de verdachte heeft geschoten, aldus telkens de steller van het middel.
24. Over de klacht onder (2) kan ik vrij kort zijn. De lezing dat het hof de verwerping van het beroep op noodweer(exces) doet steunen op een ‘culpa in causa’-redengeving mist feitelijke grondslag. Een dergelijke argumentatie is door het hof niet opgetuigd.
25. De klacht onder (1) treft m.i. echter doel. Het hof heeft niet alleen in het midden gelaten of het jegens de verdachte zelf uitgeoefende geweld, d.w.z. het ‘pepperen’ en het slaan in zijn gezicht, op enig moment een situatie teweegbracht waarin voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, doch ook opengelaten of verdachte’s bedoeling om “iets terug te doen”, om “door [te] vechten, omdat ook ik ben geslagen” voortvloeide uit een hevige gemoedsbeweging.
26. De verdachte heeft ter terechtzitting in dit verband onder meer verklaard:
“Toen kwam ik aangelopen. Ik heb er verder niet bij nagedacht. Ik moest erheen vanwege de adrenaline. Er ging niets door mijn hoofd, ik was geslagen.”
In dat licht bezien heeft het hof de mogelijkheid dat het door de verdachte uitgeoefende geweld voortvloeide uit een hevige gemoedsbeweging m.i. ten onrechte opengelaten. Een hevige gemoedsbeweging kan immers ook bestaan uit woede, verontwaardiging of drift. Zolang (1) aannemelijk is dat de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding doorslaggevend was voor het ontstaan van die gemoedstoestand, en (2) aannemelijk is dat het de verdachte verweten geweld het onmiddellijke gevolg was van die hevige gemoedsbeweging, is noodweerexces op zichzelf niet uitgesloten.
27. Daaraan staat niet in de weg dat, zoals het hof heeft vastgesteld, op het moment dat de verdachte het hem verweten geweld jegens [betrokkene 1] uitoefende, de noodzaak tot verdediging van eigen lijf tegen een (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding niet (meer) bestond. ‘s Hofs vaststelling sluit immers niet uit dat op het tijdstip van de bewezenverklaarde gedraging de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (of de onmiddellijke dreiging daarvan) weliswaar was beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestond, doch niettemin de aan de verdachte verweten gedraging het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
28. Het middel slaagt.
29. Het eerste middel faalt en kan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak – voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen – en tot terugwijzing c.q. verwijzing van de zaak, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG