6. Aan de cassatieschriftuur is een kopie gehecht van de eerste twee pagina’s van een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2017098035-12, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, waaruit – voor zover hier van belang – het volgende naar voren komt:
- de verdachte is op 10 april 2017 om 04:05 uur in Den Haag aangehouden wegens verdenking van heling dan wel diefstal van een fiets en is overgebracht naar het politiebureau Hoefkade te Den Haag;
- de verdachte is op 10 april 2017 om 05:36 uur geleid voor de hulpofficier van justitie;
- op 10 april 2017 om 05:39 uur is door de hulpofficier van justitie het bevel gegeven om de verdachte op te houden voor onderzoek;
- op 10 april 2017 om 05:44 uur is de piketcentrale voor de rechtsbijstand in kennis gesteld dat de verdachte heeft aangegeven dat voorafgaande aan zijn eerste verhoor overleg wil voeren met een raadsman/raadsvrouw;
- op 10 april 2017 om 10:26 uur heeft de verdachte een onderhoud gehad met de aan hem toegewezen advocaat Koerselman, kantoorhoudende te Zoetermeer, die aangaf dat zij niet de advocaat was die de verdachte wenste en dat zij contact op zou nemen met de voorkeursadvocaat van de verdachte, mr. Mantz. Tevens gaf zij, na het consult, namens de verdachte te kennen dat de verdachte die ochtend ter terechtzitting moest verschijnen bij de politierechter in Den Haag;
- op 10 april 2017 om 13:15 uur is in het politiebureau Hoefkade te Den Haag de verdachte gehoord. Hij werd daarbij bijgestaan door mr. Mantz. Tijdens dit verhoor werd aangegeven dat de verdachte deze ochtend bij het hof diende te verschijnen.
7. Uit het hiervoor onder 6. vermelde proces-verbaal – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte slechts enkele uren vóór de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep door de politie is aangehouden en vervolgens is ingesloten op het politiebureau, welke insluiting voortduurde ten tijde van de behandeling van de zaak door het hof. Dit brengt met zich dat achteraf moet worden vastgesteld dat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek voort te zetten onjuist waren en dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan.
8. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG