ECLI:NL:PHR:2018:221

ECLI:NL:PHR:2018:221, Parket bij de Hoge Raad, 30-01-2018, 17/02855

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 30-01-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/02855
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:372
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 6 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Poging tot moord en bedreiging (meermalen gepleegd). 1. Laatste woord. 2. Gedeeltelijke vernietiging en bevestiging van de opgelegde straf, art. 423 lid 1 en 3 Sv. Ad 1. Uit het p-v van de tz. blijkt dat verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Noch uit het p-v, noch uit hetgeen in cassatie is aangevoerd, volgt dat verdachte hiervan geen gebruik heeft kunnen maken. De omstandigheid dat de raadsman van verdachte na de mededeling hieromtrent het woord nog heeft gevoerd leidt niet tot die gevolgtrekking. Ad 2. Art. 423 Sv staat op zichzelf niet in de weg aan een gedeeltelijke vernietiging en een gedeeltelijke bevestiging van de beslissing(en) van de Rb t.a.v. de sanctieoplegging. Het middel dat van een andere opvatting uitgaat faalt. HR merkt verder op dat arrest Hof niet onverenigbaar dient te zijn met gedeeltelijk bevestigd vonnis Rb en dat uit het arrest in samenhang met dat vonnis ondubbelzinnig moet blijken welke straf(fen) en/of maatregel(en) aan verdachte zijn opgelegd. In voorkomende gevallen verdient het aanbeveling dat het dictum van het arrest van het Hof een integrale weergave van alle opgelegde straffen en/of maatregelen bevat. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:2868.

Uitspraak

10

.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 7] , van 26 oktober 2012, (…) inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 25 oktober 2012 omstreeks 12:30 uur kwam [verdachte] met mijn zusje [getuige 6] bij mij aan de deur. [verdachte] huilde. [verdachte] zei dat hij ruzie had gehad met [slachtoffer] . Hij zei dat hij haar gestoken had en in elkaar had geslagen.

Vervolgens zijn [verdachte] , mijn zusje [getuige 6] en ik naar mijn andere zusje, [getuige 8] gegaan.

11.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 8] , van 30 oktober 2012, (…) inhoudende zakelijk weergegeven:

Ik ben [getuige 8] , roepnaam [getuige 8] . Ik ben een halfzus van [verdachte] . Op donderdag 25 oktober 2012 kwam mijn zusje [getuige 6] met [verdachte] aanrijden. Daar was ook mijn halfzus [getuige 7] bij. We hebben gepraat. [verdachte] zei: "Ik heb mijn vrouw gestoken". [verdachte] zei: "Ik heb haar in de buik en nek gestoken".

12

.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 9] , van 26 oktober 2012 (…), inhoudende zakelijk weergegeven:

Donderdag 25 oktober 2012 heb ik contact gehad met de broer van [verdachte] . Zijn broer is [betrokkene 2] . [betrokkene 2] belde mij en vroeg of [verdachte] en zijn drie zussen, [getuige 7] , [getuige 6] en [getuige 8] bij mij thuis mochten komen. Ik zei dat dat goed was.

Omstreeks 22:00 à 22:30 uur kwam de politie bij mij binnen. [verdachte] werd aangehouden en meegenomen.

13.

Een geschrift, te weten een tapgesprek van 25 oktober 2012 tussen verdachte en zijn moeder.

Tijdstip: 25-10-12 12:20:20

Met nummer: 31 - [0004]

Beller: [verdachte]

Gebelde: MOEDER

E: Ja..eh..ik ga me niet aangeven hoor.

M: Wat dan.

E: Ik ga dinges doen tot ik haar dood heb gemaakt..

M: Wat..

E: Ik moet haar eerst vinden en daarna pas.

14.

Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , van 26 oktober 2012, (…) inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 26 oktober 2012 te 00:40 uur, hielden wij, verbalisanten, op de locatie [f-straat 1] te Enschede als verdachte aan:

Verdachte

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [...]

Geboren : [geboortedatum] 1983

Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland

Geslacht : Man

Burgerservicenummer : [0001]

Nationaliteiten : Nederlandse en Turkse

GBA-nummer : [0002]

Na de aanhouding werd de kleding, spijkerbroek, jas en één paar schoenen van de verdachte in beslag genomen. Op deze kleding werd bloed aangetroffen. De kleding wordt nader onderzocht door het N.F.I.

15.

Het geschrift, te weten een rapport “DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte”, van ing. V.G. Costa, werkzaam voor het Nederlands Forensisch Instituut van 23 januari 2013:

Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAR9885NL van de verdachte [verdachte] is DNA-onderzoek verricht. Van het DNA in het referentiemonster wangslijmvlies RAAR9885NL is een DNA-profïel verkregen dat op 18 januari 2013 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen.

16.

Het geschrift, te weten een rapport “Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in Hengelo op 24 oktober 2012”, van ing. J.L.W. Dieltjes, werkzaam voor het Nederlands Forensisch Instituut van 30 januari 2013:

(BFK: inhoud weggelaten; niet van belang in verband met bespreking middelen).

17.

Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 7] , van 24 oktober 2012, (…) inhoudende zakelijk weergegeven:

Ik ben de stiefvader van [slachtoffer] . Op 24 oktober 2012 kreeg ik rond 11.00 uur een sms van [verdachte] . [verdachte] stuurde me een sms met zijn mobiele telefoon met het nummer 06- [0003] . [verdachte] stuurde een sms met de volgende tekst: "Jullie heb mijn gezin kapot gemaakt samen met je dochter, ik moet afspraak mijn kinderen op halen. jullie komen wel achter nu. nou zit ze met die kanker zwate, die vieze hoertje, bestel maar een kist voor je dochter. ik heet geen van lies. ik vermoord haar wel. jij komt vandaag wel achter of andere keer. ik pak jullie één voor één".

Vervolgens kreeg ik even later nog een berichtje met de volgende inhoud: "Jou kanker dochter heeft mijn kinderen afgepakt. de kinderen zijn nu bij mij nu. ze zijn zo groot geworden dat ik kapot ga. zweer op mijn kinderen een van deze dagen maak ik haar af en joel is niet gekomen. ik draai helemaal door. ik heb nu scheit nu. ik ga zo aan de deur. jij verlies je dochter. ik verlies mijn kinderen".

18.

Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] inclusief een fotoblad, van 25 oktober 2012, (…) inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 25 oktober 2012 hebben wij een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. Op machtiging van Officier van Justitie mr. L. van der Werff hebben wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , de woning aan de [b-straat 1] te Hengelo betreden ter inbeslagname. In de woning zochten wij naar een handgeschreven dreigbrief. Wij hadden vernomen uit het onderzoek dat deze dreigbrief te vinden was aan de rechterkant van de kookplaat in de keuken van de woning. Wij troffen deze dreigbrief hier dan ook aan. De dreigbrief lag, gedeeltelijk zichtbaar en opgevouwen, achter een bestekbak. Wij hebben deze dreigbrief inbeslaggenomen.

19.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 29 november 2012, (…) inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 6 november 2012 werd er door [betrokkene 7] aan mij een groene wenskaart overhandigd. Deze wenskaart was volgens de getuige geschreven door [verdachte] . De kaart was gericht aan [slachtoffer] . De kaart is door mij in ontvangst genomen en zal voor nader onderzoek worden overhandigd aan de afdeling Forensische opsporing van de politie Twente.

20.

Het geschrift, te weten een rapport “vergelijkend handschriftonderzoek dreigbrief aan [slachtoffer] ”, van drs. W.P.F. Fagel, werkzaam voor het Nederlands Forensisch Instituut van 30 januari 2013:

Verzocht is het handschrift van de dreigbrief [AAPH5274NLJ te vergelijken met het handschrift op het kaartje [AAFH5273NL] ter beantwoording van de vraag of de dreigbrief door dezelfde persoon is geschreven als de tekst op het kaartje.

Tussen het betwiste handschrift en het referentiehandschrift zijn overwegend overeenkomsten waargenomen en geen verschillen van betekenis. Deze bevindingen liggen in de lijn der verwachting wanneer de dreigbrief (het betwiste handschrift) door dezelfde persoon is geschreven als de tekst op het kaartje (het volgens opgave door [verdachte] geproduceerde referentiehandschrift). De kans op het waarnemen van dezelfde mate van overeenkomst met het betwiste handschrift in het handschrift van een willekeurige andere persoon acht ik uiterst klein.

Conclusie

Voorafgaande aan het onderzoek waren de volgende hypothesen geformuleerd voor het betwiste handschrift (de tekst van de dreigbrief):

Hypothese 1: Het betwiste handschrift is door dezelfde persoon geproduceerd als het referentiehandschrift.

Hypothese 2: Het betwiste handschrift is geproduceerd door een willekeurige andere persoon dan de schrijver van het referentiehandschrift.

Ik acht de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is (de dreigbrief is door dezelfde persoon geschreven als de tekst op het kaartje) dan wanneer hypothese 2 juist is.’

15. De rechtbank heeft voorts in het vonnis een bewijsoverweging gewijd aan de bewezenverklaring van dit feit:

‘Verdachte is op 24 oktober 2012 in de ochtend in vrijheid gesteld. Hij is tot dat moment gedetineerd in het huis van bewaring te Almelo uit hoofde van een vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 17 oktober 2012, waarbij verdachte werd veroordeeld voor onder meer belaging en bedreiging van [slachtoffer] tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Tevens werd aan verdachte als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] opgelegd. Verdachte stuurt de dag na van zijn vrijlating rond 12:00 uur een aantal sms-berichten naar de stiefvader van [slachtoffer] , die op dat moment in verband met vakantie in Spanje verblijft. In deze berichten schrijft verdachte onder andere: “die vieze hoer, bestel maar een kist voor je dochter, ik vermoord haar wel en jij komt er vandaag wel achter of een andere keer. Ik draai helemaal door. Ik ga zo aan de deur, jij verliest je dochter”.

Verdachte en [slachtoffer] hebben samen twee jonge kinderen. Op de dag van zijn vrijlating heeft verdachte een omgangscontact met zijn kinderen in de woning van verdachte’s moeder. Na afloop brengt taxichauffeur [getuige 1] de kinderen, onder begeleiding van een zusje van verdachte, genaamd [betrokkene 1], om 18:40 uur weer naar hun moeder, [slachtoffer] . [slachtoffer] woont aan de [b-straat 1] te Hengelo (O). Na terugkomst van de kinderen krijgt [slachtoffer] een dreigbrief geschreven door verdachte onder ogen waarin zij wordt bedreigd met de dood. In de brief staat onder meer de volgende tekst: “Dan ga jij snel dood en dit keer maak ik de klus af maak mij niet gek [...] iedereen weet dat ik jou snel wil afmaken, geef mij geen reden om jou te vermoorden”. Op 24 oktober 2012 verblijft een vriendin van [slachtoffer] , getuige [getuige 2] , ook in de woning van [slachtoffer] . Zij heeft de sms-berichten en dreigbrief gelezen.

Op 24 oktober 2012 omstreeks 19:50 uur krijgt taxichauffeur [getuige 1] de melding om naar een kapper aan de [c-straat] in Hengelo te gaan om daar verdachte op te halen. Verdachte geeft te kennen even naar de [b-straat] te moeten. Het valt getuige [getuige 1] op dat verdachte tijdens de rit helemaal gestresst is. Verdachte vraagt getuige harder en harder te rijden en om auto’s in te halen. Verdachte is volgens getuige helemaal hyper. Getuige stopt op verzoek van verdachte op de kopse kant van de [b-straat] , nabij de [d-straat] , ter hoogte van de flat gelegen aan de [b-straat] . Dit is de straat en de flat waar [slachtoffer] op nummer [1] woont. Verdachte vraagt [getuige 1] even te wachten en loopt in de richting de woning van [slachtoffer] .

Op dat moment is [slachtoffer] samen met haar kinderen en [getuige 2] in [slachtoffer] ’s woning. Omstreeks 20:15 uur wordt daar aangebeld. Verdachte staat voor de deur van de woning van [slachtoffer] . Op het moment dat [slachtoffer] dat ziet, zegt zij tegen [getuige 2] dat zij met de kinderen naar de kinderkamer moet gaan. [getuige 2] doet dit. [slachtoffer] zegt tegen verdachte dat hij weg moet gaan. Via het raam in de slaapkamer komt verdachte de woning binnen. Verdachte heeft een mes in zijn handen. Hij begint gelijk te schelden tegen [slachtoffer] en roept: “kankerhoer, ik maak je dood, je hebt mijn leven kapot gemaakt”. Verdachte steekt [slachtoffer] met het mes, meerdere keren, in haar nek. Verdachte pakt [slachtoffer] bij de haren en trekt haar mee naar de keuken. Verdachte pakt uit de keukenlade een keukenmes. Hij steekt [slachtoffer] met het keukenmes, meerdere keren in haar buik, achter het linkeroor, in de linkerzijde van het gezicht en in de linker elleboog. Het mes breekt af op het moment dat verdachte het mes in haar linkerarm steekt. Nadat het keukenmes is afgebroken loopt verdachte opnieuw naar de messenla van de keuken. Op dat moment kan [slachtoffer] wegrennen. Zij loopt naar de voordeur en kan, nadat ze de knip van de voordeur heeft opengemaakt, naar buiten. [slachtoffer] rent vervolgens naar de buurvrouw van nummer [2] . De buurvrouw ziet [slachtoffer] bebloed voor de deur staan en hoort haar zeggen “mijn ex-man heeft mij gestoken”.

Verdachte verlaat aan de achterzijde de woning en komt terug bij de taxi. Dit is ongeveer vijf minuten nadat hij zich heeft laten afzetten door de taxichauffeur, tevens getuige, [getuige 1] . Verdachte vraagt getuige [getuige 1] hem naar het winkelcentrum Slangenbeek te brengen. De getuige voldoet aan dit verzoek.

In de tussentijd, rond 20:18 uur, komt bij de hulpdiensten de melding binnen van de steekpartij. Verbalisanten gaan ter plaatse en treffen daar een hevig bloedende [slachtoffer] aan. [slachtoffer] wordt met spoed per ambulance overgebracht naar het MST te Enschede. Daar blijkt dat zij elf snij/steekwonden heeft in haar buikstreek, in haar linker arm, in haar hals, in het gezicht en op het hoofd, toegebracht met twee verschillende messen. Haar nier, lever en een rib zijn geraakt. [slachtoffer] wordt geopereerd en in coma gehouden in verband met het opgelopen letsel. Er zijn foto’s van het geconstateerde letsel gemaakt.

Verdachte komt die avond rond 22.30 uur aan bij zijn stiefmoeder, [getuige 5] , en vraagt of hij daar mag slapen. Stiefmoeder weigert dit waarop verdachte vraagt naar zijn halfzusje [getuige 6] . Stiefmoeder belt [getuige 6] , waarop deze tegen 23.00 uur arriveert in de woning. Verdachte vraagt of hij bij [getuige 6] mag slapen, zij vindt dit goed en neemt verdachte mee naar haar huis. Daar aangekomen vertelt verdachte haar het volgende: “ik heb haar vermoord ze is dood, ik heb haar gestoken". De dag daarna, op 25 augustus (BFK: oktober) 2012, vertrekken verdachte en [getuige 6] naar [getuige 7] . Daar arriveren ze aan het begin van de middag. Verdachte huilt en vertelt dat hij ruzie heeft gehad met [slachtoffer] en dat hij haar gestoken heeft. Verdachte, [getuige 6] en [getuige 7] vertrekken vervolgens naar [getuige 8] , een andere halfzus van verdachte, tevens (half)zus van [getuige 6] en [getuige 7] . Ook daar zegt verdachte dat hij zijn vrouw heeft gestoken, in haar buik en in haar nek. In de avond van 25 augustus 2012 brengen de zussen verdachte naar getuige [getuige 9] , een ex-vriendin van verdachte. Verdachte wordt daar aangehouden.

Op 25 oktober 2012 heeft verdachte met zijn moeder gebeld. In dat gesprek zegt verdachte:

“Ik ga me niet aangeven hoor. Ik ga dinges doen tot ik haar dood heb gemaakt".

Uit de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat op de rechterschoen en de jas van verdachte bloed van [slachtoffer] is aangetroffen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de persoon is geweest die op 24 oktober 2012 [slachtoffer] meermalen met een mes heeft gestoken.

Opzet op het toebrengen van dodelijk letsel

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn handelen de opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte heeft met twee verschillende messen elf keer in het gezicht, in de hals, in de arm, in de buik en romp van [slachtoffer] gestoken. Door deze steken zijn vitale organen van [slachtoffer] geraakt. Uit de zich in het dossier bevindende letselbeschrijvingen blijkt dat met kracht is gestoken. Een uitgebreide operatie, het in comateuze toestand houden en een verpleging van meerdere dagen op de intensive care, bleken noodzakelijk. Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte als een razende tekeer is gegaan en volstrekt willekeurig met twee messen op aangeefster heeft ingestoken. Daarmee was het risico op het toebrengen op fataal letsel bijzonder groot. Dit in samenhang met de overige bewijsmiddelen in het dossier, waaronder de genoemde medische informatie, leidt tot het oordeel dat het handelen en de opzet van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op het doden van [slachtoffer] . De bedreigingen van verdachte kort voorafgaand aan het toebrengen van deze messteken bevestigen deze opzet nog eens extra.

Voorbedachten rade

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “met voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen/genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal de feiten en omstandigheden vaststellen die voor een beoordeling van dit vereiste relevant zijn.

Verdachte heeft zich voorafgaand aan dit geweldsfeit schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van [slachtoffer] . Hij is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf. Op 24 oktober 2012 komt hij vrij. Diezelfde ochtend stuurt hij aan de stiefvader van [slachtoffer] sms-berichten waarin hij dreigt [slachtoffer] te zullen vermoorden. Diezelfde dag doet hij bovendien aan [slachtoffer] een aan haar gerichte brief toekomen waarin hij dreigt haar te zullen vermoorden. Verdachte Iaat zich die de bewuste avond met een taxi naar de woning van [slachtoffer] vervoeren. Hij dringt daar aangekomen haar woning binnen en bevindt zich dan in de hal. Hij heeft dan al een mes bij zich. In de hal steekt hij het slachtoffer meteen na binnenkomst drie keer in haar nek. [slachtoffer] bloed dan al hevig. Verdachte pakt [slachtoffer] bij de haren vast en trekt haar mee naar de keuken. Verdachte pakt in de keuken een mes uit de keukenlade en steekt [slachtoffer] vervolgens meerdere keren in de buik, het oor, het gezicht en in de arm. Als verdachte [slachtoffer] in de arm steekt, breekt het mes af. Verdachte loopt hierop opnieuw naar de messenla van de keuken kennelijk met het voornemen om een nieuw mes te pakken. Op dat moment kan [slachtoffer] wegvluchten.

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, met de vooropgezette bedoeling om [slachtoffer] van het leven te beroven, naar haar woning heeft begeven. De geweldsexplosie die in de woning plaatsvond was gericht op het doden van [slachtoffer] . Zowel voorafgaand als gedurende de steekpartij heeft verdachte op meerdere momenten gelegenheid gehad om zich te beraden over de verdere uitvoering van zijn gewelddadige handelingen en ook om deze te staken. Dit heeft hij echter niet gedaan. Aan het geweld is een einde gekomen doordat [slachtoffer] heeft weten te vluchten. De omschreven handelingen van verdachte duiden op een vooropgezet plan, waarbinnen zich een aaneenschakeling van keuzemomenten heeft voorgedaan. Dat deze momenten elkaar relatief snel hebben opgevolgd, doet aan de bewustheid van die keuzes niet af. Verdachte heeft meermalen de gelegenheid gehad zich te beraden op het te nemen en/of door hem genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de eventuele gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

Conclusie

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat feit I primair in de eerste plaats, poging tot moord, wettig en overtuigen bewezen is.’

16. Het hof heeft inzake de bewezenverklaarde voorbedachte raad in het arrest de volgende overweging opgenomen:

‘Het hof overweegt in aanvulling op de bewijsoverweging van de rechtbank met betrekking tot de voorbedachte raad als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Bij de beoordeling van de vraag of in dit geval sprake is geweest van handelen met voorbedachten rade door de verdachte stelt het hof voorop dat hij - inherent aan zijn ontkenning dat hij [slachtoffer] heeft gestoken met een mes - het hof geen informatie heeft verschaft over hetgeen bij hem vóór en tijdens het plegen van het delict is omgegaan, bijvoorbeeld omtrent planvorming en besluitvorming. Of in dit geval voorbedachte raad bewezen kan worden verklaard, hangt af van de vraag of de hiervoor bedoelde gelegenheid tot beraad heeft bestaan en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt op grond van de in het vonnis van de rechtbank (op pagina 7) weergegeven bewijsoverweging met de rechtbank vast dat verdachte zich op de avond van 24 oktober 2012, met de vooropgezette bedoeling om [slachtoffer] van het leven te beroven, naar haar woning heeft begeven. Het hof stelt op grond van de (indirecte) doodsbedreigingen die verdachte eerder die dag door middel van sms-berichten (via de moeder en stiefvader van [slachtoffer] ) en per brief aan [slachtoffer] kenbaar had gemaakt, dat hij al geruime tijd eerder op die dag had besloten [slachtoffer] van het leven te beroven.

Het hof leidt hieruit af dat de verdachte niet alleen met een vooropgezet plan naar de woning van [slachtoffer] is gegaan, maar dat hij tevens voldoende de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Mede gelet op het tijdsverloop (ruim negen uur) dat is verstreken tussen het moment dat de verdachte de eerste (indirecte) doodsbedreigingen heeft geuit en de latere confrontatie met [slachtoffer] heeft hij voldoende tijd gehad om zich te beraden. Het hof gaat ervan uit dat dit nadenken en beraden ook daadwerkelijk is gebeurd.

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken van contra-indicaties die aan een bewezenverklaring van de ten laste gelegde voorbedachte raad in de weg zouden staan.

Weliswaar volgt uit het getuigenverhoor van taxichauffeur [getuige 1] dat verdachte gedurende de taxirit naar de woning van [slachtoffer] gestrest was en hyperactief overkwam, maar het hof ziet daarin echter geen reden om aan te nemen dat de besluitvorming en uitvoering door verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling hebben plaatsgevonden. De verklaring van deze getuige houdt namelijk ook in dat verdachte hem - aangekomen op de plek van bestemming - heeft verteld dat hij direct zou terugkomen en verder dat verdachte ook inderdaad ongeveer drie tot vier minuten later weer bij de getuige in de taxi is gestapt en gevraagd heeft hem weg te brengen. De getuige heeft daarbij expliciet verklaard dat verdachte bij terugkomst in de taxi juist heel relaxt op de getuige overkwam. Het hof concludeert dat de gegeven gedragingen er veeleer op neerkomen, dat verdachte van tevoren heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven van de duur van de confrontatie met [slachtoffer] en de mogelijkheid om zich daarna van de plaats van die confrontatie te verwijderen.

Het hof ziet de vaststelling dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling voorts nog bevestigd in de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte, voordat hij bij de woning van [slachtoffer] binnendrong, heeft aangebeld en tegen haar heeft gezegd: ‘Doe maar open, ik doe je niets’, maar vervolgens bij binnenkomst echter onmiddellijk op haar is afgegaan en direct begonnen is met haar te steken.

Het hof leidt uit bovenstaande af dat verdachte ook vlak vóór het incident zijn voornemen planmatig en rustig heeft voorbereid en uitgevoerd.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte feit 1 niet kan hebben gepleegd omdat hij ten tijde van het steekincident in een café in Hengelo (O.) was. De raadsman van verdachte heeft bij de raadsheer-commissaris getuigen laten horen. Ter terechtzitting in hoger beroep is bij pleidooi aangegeven dat deze getuigen het alibi van verdachte bevestigen. De verklaringen van de getuigen staan haaks op het door de rechtbank gebezigde bewijsmateriaal. Verdachte is door eerdere raadslieden geadviseerd zich te beroepen op zijn zwijgrecht. Hierdoor zijn de ontlastende getuigenverklaringen pas later afgelegd, aldus de verdediging.

Het hof acht de bij de raadsheer-commissaris afgelegde getuigenverklaringen over de aanwezigheid van verdachte in het café/theehuis niet betrouwbaar. Die verklaringen vinden géén steun in enig ander (objectief) bewijsmiddel, zoals verklaringen van andere, jaren eerder in het opsporingsonderzoek gehoorde, getuigen. Bovendien heeft de mogelijkheid van collusiegevaar bestaan, nu de verklaringen waar de verdediging een beroep op doet circa vier jaar na dato zijn afgelegd. Als verdachte een sluitend alibi had, valt bovendien niet in te zien waarom hij dat pas tijdens de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep (na terugwijzing door de Hoge Raad) op deze manier naar voren brengt. Dit klemt temeer nu er destijds al voor verdachte belastend bewijs voorhanden was, dat vroeg om een verklaring van zijn kant.

Het hof verwerpt het verweer.’

17. Uw Raad overwoog met betrekking tot het bewijs van voorbedachte raad eerder het volgende:

‘Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad’.

18. Het middel formuleert eerst klachten tegen de bewijsoverwegingen van de rechtbank en gaat vervolgens in op de bewijsoverwegingen van het hof. Dat is een voorstelbare werkwijze: het hof heeft de bewijsoverweging van de rechtbank immers overgenomen. Lastig is evenwel dat de bewijsoverweging van het hof niet enkel aanvullend is in die zin dat zij andere bewijskwesties behandelt, maar ook een (net wat) andere waardering geeft aan dezelfde feiten. Tegen die achtergrond zal ik bij de bespreking van de deelklachten de volgorde van het middel aanhouden maar hier en daar vooruitgrijpen naar overwegingen van het hof.

19. Het middel klaagt dat de bewezen verklaarde ‘voorbedachte raad’ niet rechtstreeks volgt uit de bewijsmiddelen. Daaruit zou in het bijzonder niet blijken op welk moment rekwirant het besluit heeft genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven en hoeveel tijd er tussen dat voorgenomen besluit en de uitvoering daarvan is verstreken. Daarmee zou ook niet blijken dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat niet is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De motivering van de rechtbank zou voorts op twee gedachten hinken. Enerzijds zou, zo begrijp ik het middel, volgens de rechtbank sprake zijn van een vooropgezet plan (waarbij wordt genoemd dat reeds eerder op de dag bedreigende sms’jes en een dreigbrief zijn verstuurd). Anderzijds volgt uit het bewijsmiddel waarin de sms-berichten worden beschreven dat de verdachte zou hebben geschreven (onder meer) dat hij helemaal kapot gaat en: ‘ik draai helemaal door’. Dat zijn, zo stelt het middel, juist omstandigheden die maken dat ook als er tijd is geweest tussen het voorgenomen besluit en de uitvoering daarvan, niet zonder meer daadwerkelijk van de gelegenheid tot nadenken en rekenschap geven van de gevolgen gebruik is gemaakt, in die zin dat nog kan worden gesproken van ‘na kalm beraad en rustig overleg’.

20. Naar het mij voorkomt kan uit de bewijsoverwegingen van de rechtbank worden afgeleid op welk moment de verdachte volgens de rechtbank uiterlijk het besluit heeft genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met de vooropgezette bedoeling om [slachtoffer] van het leven te beroven naar haar woning heeft begeven. Het hof stelt op grond van de doodsbedreigingen die de verdachte eerder die dag door middel van sms-berichten en per brief aan [slachtoffer] kenbaar had gemaakt vast dat hij al geruime tijd eerder op die dag had besloten [slachtoffer] van het leven te beroven. Naar het mij voorkomt heeft het hof dit ook uit de bewijsmiddelen 1, 4 en 17 kunnen afleiden.

21. Van tegenstrijdigheid tussen de vaststelling van de rechtbank dat de verdachte naar [slachtoffer] gaat met de vooropgezette bedoeling haar van het leven te beroven en de tekst van de sms-berichten van de verdachte is naar het mij voorkomt geen sprake. Het is alleszins voorstelbaar dat juist het voornemen dat de verdachte heeft opgevat, in samenhang met het zien van zijn kinderen, bij hem emoties losmaakt die maken dat hij schrijft dat hij helemaal kapot gaat en helemaal doordraait. De feiten zoals deze uit de door de rechtbank en het hof geselecteerde bewijsmiddelen naar voren komen maken duidelijk dat de verdachte in ieder geval vanaf 11 uur ’s ochtends al nadenkt over het van het leven beroven van [slachtoffer] . Dat maakt duidelijk dat het hof heeft kunnen oordelen dat van één van de contra-indicaties van voorbedachte raad die Uw Raad in de eerder geciteerde standaardoverwegingen noemt, niet gebleken is. Uit de feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen volgt dat het niet gaat om een feit dat begaan is in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en dat van een plotselinge hevige drift geen sprake is. Het hof overweegt dat mede gelet op het tijdsverloop dat is verstreken tussen het moment dat de verdachte de eerste (indirecte) doodsbedreigingen heeft geuit en de latere confrontatie met [slachtoffer] (ruim negen uur) voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden. In die vaststelling ligt besloten dat geen sprake is geweest van een korte tijdsspanne tussen besluit en uitvoering en dat geen sprake is van een situatie waarin de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

22. Met de stellers van het middel betwijfel ik of bij de verdachte gesproken kan worden van handelen na ‘kalm beraad en rustig overleg’ in de betekenis die daar in het normale spraakgebruik aan wordt gehecht. Het zijn woorden die teruggaan op de memorie van toelichting bij het Wetboek van Strafrecht; volgens die toelichting zou het bij voorbedachte raad gaan om ‘een tijdstip van kalm overleg, van bedaard nadenken; het tegenovergestelde van oogenblikkelijke gemoedsopwelling’. Met De Hullu en eerder Van Veen kan worden vastgesteld dat de omschrijving ‘na kalm beraad en rustig overleg’ dikwijls (en ook hier) niet erg goed past bij dit bestanddeel en daarom ook nu nog beter vermeden zou kunnen worden. Bij voorbedachte raad lijkt feitelijk te zijn aanvaard dat aan deze woorden een betekenis wordt gegeven die met het algemeen spraakgebruik op zeer gespannen voet staat. Mij spreekt dat niet aan; bij de invulling die Uw Raad aan de voorbedachte raad geeft past beter dat ‘met voorbedachte raad handelen’ in de tenlastelegging niet wordt uitgewerkt (de uitdrukking is feitelijk genoeg) dan wel daarin wordt verwoord als ‘ter uitvoering van een eerder opgevat voornemen handelen’. Maar bij de huidige stand van zaken kan dit bezwaar naar het mij voorkomt geen aanleiding tot cassatie geven. Al helemaal niet nu het hof uit de uitlatingen van de verdachte nadat hij bij het slachtoffer heeft aangebeld heeft afgeleid (en het voorgaande in aanmerking genomen heeft kunnen afleiden) dat de verdachte zijn voornemen niet alleen planmatig maar ook ‘rustig’ heeft voorbereid en uitgevoerd.

23. De stellers van het middel klagen vervolgens dat de inhoud van de brief zoals die door de rechtbank is weergegeven in de bewijsoverweging niet uit de bewijsmiddelen volgt maar kennelijk wel relevant is geacht voor de vaststelling van een vooropgezet plan. Uit de verklaring van [slachtoffer] (bewijsmiddel 1) volgt dat zij de brief van de verdachte ontving en in die brief las dat zij werd bedreigd met de dood. De verklaring van [getuige 2] (bewijsmiddel 4) houdt voorts in dat, toen op 24 oktober 2012 de kinderen van [slachtoffer] met de taxi thuiskwamen er een briefje was, dat [slachtoffer] haar dat briefje heeft laten lezen en dat daarin stond dat de verdachte [slachtoffer] wilde vermoorden. Tegen die achtergrond kon de rechtbank in de bewijsoverweging naar het mij voorkomt aan de brief de betekenis hechten die zij er aan heeft gehecht.

24. Het middel klaagt er voorts over dat de rechtbank in het voor de tweede keer naar de messenlade lopen van de verdachte een relevant ‘keuzemoment’ zou hebben gezien. Uit de bewijsvoering zou niet kunnen worden opgemaakt dat de verdachte daar opnieuw een mes zou hebben gepakt. Dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat opnieuw een mes is gepakt of dat nadien wederom geweld tegen [slachtoffer] is gepleegd doet er evenwel niet aan af dat de rechtbank uit het naar de messenlade lopen door de verdachte heeft kunnen afleiden dat deze ook op dat moment niet terug is gekomen van het plan dat hij eerder had opgevat. Tegelijk is de betekenis van deze gelegenheid tot overdenken in het geheel van gelegenheden tot overdenken die de rechtbank benoemt, en bij de tijdsspanne die het hof relevant acht, van beperkte betekenis. Daarin verschilt de situatie in dit arrest van die in het in de schriftuur genoemde HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1500, NJ 2014/343.

25. Het middel meent voorts dat de rechtbank de bewezenverklaring van voorbedachte raad ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van het verweer dat het niet uitgesloten is dat de verdachte door de mededeling van [slachtoffer] dat hij weg moest gaan het besluit heeft genomen om haar van het leven te beroven. Naar het mij voorkomt wordt dit verweer toereikend weerlegd door de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft geselecteerd. Daarbij kan worden gewezen op de sms-berichten aan de stiefvader van [slachtoffer] , de brief die de verdachte eerder bij [slachtoffer] laat bezorgen, en op zijn gedrag in de taxi. Dat en waarom de rechtbank en het hof deze lezing van de feiten niet aannemelijk hebben geacht volgt voorts uit de geciteerde bewijsoverwegingen.

26. Maar ook als in de bewijsmotivering van de rechtbank geen toereikende reactie op dit verweer besloten zou liggen, behoeft dit naar het mij voorkomt niet tot cassatie te leiden. De stellers van het middel geven aan dat de raadsman in hoger beroep met betrekking tot het bestanddeel voorbedachte raad samenvattend zou hebben verwezen naar hetgeen daarover in eerste aanleg naar voren is gebracht. Dat klopt in zoverre dat in de pleitnota die aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gehecht valt te lezen: ‘Al hetgeen in eerste aanleg namens cliënt aan verweren is aangevoerd dient dus wat betreft de verdediging in hoger beroep geacht worden te zijn gehandhaafd en ik zal een waar mogelijk (immers er is ook in hoger beroep nader onderzoek uitgevoerd) gecomprimeerde versie van de verweren aanleveren middels dit pleidooi’. En aan het eind van zijn pleidooi stelt de raadsman: ‘Onder verwijzing naar hetgeen reeds in eerste aanleg is aangevoerd ten aanzien van hetgeen cliënt overigens ter zake feit 1 wordt verweten merk ik samenvattend op: Ad voorbedachte rade: - de gesteld van cliënt afkomstige brief is niet van cliënt afkomstig; - onduidelijkheid omtrent de herkomst van het aangetroffen mes; - tegenstrijdigheden (innerlijk en overigens) betreffende hetgeen [getuige 2] en [slachtoffer] heeft verklaard’. Voor zover in deze passages in het pleidooi een verwijzing naar eerder geproduceerde schriftelijke stukken kan worden gezien, roept deze alleen al geen motiveringsverplichting in het leven omdat het hof niet met die verwijzing en met het afzien van het mondeling herhalen van die verweren ter terechtzitting heeft ingestemd.

27. Het middel bevat voorts deelklachten over de aanvullende bewijsoverweging van het hof. De conclusie van het hof dat de vastgestelde tijd om zich te beraden daadwerkelijk is benut zou zich niet verhouden tot de hyperactiviteit en stress tijdens de taxirit. Deze klacht faalt naar het mij voorkomt alleen al omdat het hof ook de uren na 11 uur ’s ochtends die aan de taxirit vooraf gingen heeft betrokken en kunnen betrekken bij de periode waarin de verdachte zich kon beraden. Het middel klaagt voorts over ‘s hofs overweging dat het de vaststelling dat de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bevestigd ziet in de verklaring van [slachtoffer] dat de verdachte voordat hij haar woning binnendrong heeft aangebeld en tegen haar heeft gezegd: ‘Doe maar open, ik doe je niets’, maar vervolgens bij binnenkomst onmiddellijk op haar af is gegaan en is begonnen met steken. Naar het mij voorkomt faalt deze klacht reeds omdat uit de bewoordingen van de overweging volgt dat het voor het hof om een overweging ten overvloede ging. Maar ook los daarvan faalt deze klacht. Het hof heeft in het gebruik van deze bewoordingen in samenhang met het onmiddellijk beginnen met steken een aanwijzing kunnen zien dat de verdachte handelde ten einde een plan dat hij eerder had voorbereid ten uitvoer te brengen. Indien de verdachte andere plannen had gehad (een gesprek bijvoorbeeld), zou het immers voor de hand hebben gelegen dat hij die (eerst) had trachten uit te voeren, nadat hij wederrechtelijk de woning van [slachtoffer] was binnengedrongen.

28. Het tweede middel faalt.

29. Het derde middel klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het namens de verdachte naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaring van taxichauffeur [getuige 1] niet voor het bewijs kan worden gebruikt gelet op de daarin genoemde tijdstippen, de locatie en het tijdstip van aanstralen van de aan de verdachte toegeschreven telefoon alsmede diverse getuigenverklaringen die inhouden dat de verdachte zich op dat moment op een andere plaats bevond.

30. Blijkens de in hoger beroep overgelegde pleitnotities heeft de raadsman van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep onder meer aangevoerd:

‘Ad verklaring [getuige 1] (taxi-chauffeur):

Cliënt is van mening dat, nog los van de verklaringen welke inmiddels bij de RHC zijn afgelegd, het duidelijk is dat die verklaring wel onjuist moet zijn vanwege de in die verklaring genoemde tijdstippen.

In eerste aanleg is reeds opgemerkt dat het tijdstip en de locatie van aanstralen van de aan cliënt toegeschreven telefoon (rond 20:07 en 20:08 uur aan de [g-straat] in Hengelo) en de afstand van daar naar de woning van [slachtoffer] en de daarmee gemoeide reistijd (10 á 13 minuten) niet verenigbaar is met het tijdstip van de melding van [getuige 2] aan de meldkamer (20:18 uur).

Dus ook ingeval de verklaring van [getuige 1] wel zou worden gevolgd dat cliënt zich door hem liet vervoeren naar [slachtoffer] , hetgeen cliënt dus ontkent en welke ontkenning inmiddels is bevestigd door de verklaringen van diverse personen bij de RHC, dan nog kàn het niet wat [getuige 1] in het nadeel van cliënt poogt te stellen.

Overigens herhaalt cliënt zijn eerder ingenomen standpunt dat hij eerder niet heeft verklaard over een "kapperszaak" maar over een "zaak" waarmee hij het café heeft bedoeld waarover ook de in hoger beroep gehoorde getuigen hebben verklaard.

Cliënt is van mening dat reeds derhalve de verklaring van [getuige 1] niet als bewijs tegen hem dient te worden gebezigd.’

31. Uit het slot van de bewijsoverwegingen van het hof die bij de bespreking van het tweede middel zijn weergegeven volgt dat het hof heeft gereageerd op het betoog dat de verdachte het onderhavige feit niet kan hebben gepleegd omdat hij ten tijde van het steekincident in een café in Hengelo (O.) was. In deze overwegingen heeft het hof aangegeven dat en waarom het de getuigen die het alibi van de verdachte zouden bevestigen niet gelooft. Daarmee is één van beide argumenten die tegen het gebruik voor het bewijs van de verklaring van [getuige 1] zijn ingebracht inhoudelijk besproken. Tegen die overwegingen van het hof richt de klacht van dit middel zich niet. Waar het middel wel over klaagt is dat het andere argument niet wordt besproken. Naar het mij voorkomt behoefde dat argument evenwel ook geen afzonderlijke bespreking. De raadsman verwijst naar een opmerking die in eerste aanleg is gemaakt. Zelfs als de betreffende opmerking uit het pleidooi dat in eerste aanleg gehouden is bij de beoordeling van het gestelde in hoger beroep wordt betrokken, volgt daar niet uit dat een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zou zijn geformuleerd dat een reactie behoefde. De raadsman heeft in eerste aanleg gesteld dat de afstand tussen de [g-straat] en de woning van [slachtoffer] niet verenigbaar zou zijn met de melding van [getuige 2] . Dat de telefoon van de verdachte rond 20:07 en 20:08 uur een mast aan de [g-straat] aanstraalt, betekent echter niet dat hij zich op dat moment op die weg bevindt.

32. Al met al heeft het hof indien en in zoverre het gebruik voor het bewijs van de verklaring van [getuige 1] afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, voor dat gebruik toereikende redenen opgegeven. Art. 359, tweede lid, Sv noopte het hof niet tot nadere motivering. Die bepaling heeft immers geen wijziging gebracht in de vrijheid van de feitenrechter ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal.

33. Het derde middel faalt.

34. Het vierde middel klaagt dat het hof het vonnis ten onrechte heeft bevestigd en enkel voor zover het de beslissingen ten aanzien van de oplegging van de gevangenisstraf en de vordering tot tenuitvoerlegging heeft vernietigd. In ieder geval zou het kennelijke oordeel van het hof dat het deels bevestigen en deels vernietigen van de strafoplegging met verbetering van de strafmotivering tot de mogelijkheden behoort van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, althans zou zonder nadere motivering niet begrijpelijk zijn dat het hof heeft geoordeeld het vonnis op deze wijze te kunnen bevestigen.

35. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek als omschreven in art. 27 Sr. Voorts heeft het rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd alsmede een schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft tevens de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

36. Het hof heeft onder het kopje ‘Het vonnis waarvan beroep’ in het arrest het volgende overwogen:

‘Het hof is van oordeel dat de eerste rechter, behoudens wat betreft de duur van de gevangenisstraf en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging, op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep in zoverre met overneming van die gronden, en met verbetering van de strafmotivering, te worden bevestigd en voor zover het de beslissing ten aanzien van de oplegging van gevangenisstraf en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging betreft, te worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.’

37. Het dictum van het bestreden arrest houdt in:

‘Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de oplegging van gevangenisstraf en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging als vermeld in het vonnis van de politierechter Almelo van 17 oktober 2012, parketnummer 08-710512-12.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.’

38. De stellers van het middel leiden uit art. 423, eerste lid, Sv alsmede uit HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011/294 m.nt. Mevis af dat het niet mogelijk is om de straftoemeting deels te bevestigen en deels te vernietigen. Naar het mij voorkomt biedt de tekst van de genoemde wetsbepaling voor die stelling geen steun. Uit het betreffende artikellid volgt dat het hof het vonnis hetzij geheel kan bevestigen, hetzij gedeeltelijk kan bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Over de beslissingen die zich bij het deels bevestigen en deels vernietigen voor bevestiging lenen geeft het eerste lid van art. 423 Sv geen informatie.

39. Uit het arrest van Uw Raad van 13 juli 2010 kan ook geen rechtstreeks antwoord worden afgeleid op de rechtsvraag die het middel aansnijdt. Uw Raad overweegt in dat arrest onder meer:

‘2.7. (…) Voorts moet het hof met het oog op de bevestiging van een vonnis onderzoeken of het zich met alle daarin vervatte beslissingen en de gronden daarvan kan verenigen. Indien dit onderzoek leidt tot het oordeel dat het vonnis niet voor gave bevestiging in aanmerking komt, dient het hof te onderzoeken welke beslissingen zich wel lenen voor bevestiging alsmede welke gronden kunnen worden overgenomen dan wel moeten worden verbeterd of moeten worden vervangen door andere gronden. (…)

Een vonnis dient te worden vernietigd indien en voor zover het hof zich niet kan verenigen met door de eerste rechter op de voet van art. 358 in verbinding met de art. 348 en 350 Sv genomen beslissingen. Dat zijn de beslissingen inzake de geldigheid van de inleidende dagvaarding, de bevoegdheid van de eerste rechter tot kennisneming van de zaak, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel de aanwezigheid van redenen voor schorsing van de vervolging, en voorts de beslissingen over de vraag of de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte alsmede de oplegging van straf en/of maatregel. (…)

Een klassiek uitgangspunt is voorts dat bevestiging van een vonnis slechts mogelijk is indien het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is gevoerd met inachtneming van alle daarvoor geldende procedureregels. Naar huidige opvatting is dat uitgangspunt echter vatbaar voor relativering aangezien niet elk verzuim dwingt tot vernietiging van het vonnis. In verband met de huiver voor bevestiging van een vonnis vanwege vormverzuimen die zijn begaan gedurende de behandeling van de zaak in de eerste aanleg, verdient opmerking (a) dat de memorie van toelichting met juistheid vermeldt dat zulke verzuimen bij een voortbouwend appel doorgaans door de behandeling in appel zijn hersteld en daarom nadien niet meer relevant zijn, en (b) dat ingeval cassatieberoep is ingesteld, vernietiging van het arrest en het daarbij bevestigde vonnis veelal niet aan de orde is op de grond dat over het vormverzuim hetzij bij de behandeling van de zaak in hoger beroep hetzij in cassatie niet is geklaagd dan wel dat de betrokkene niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad. (…)

Uit het voorgaande volgt dat de Wet stroomlijnen hoger beroep mede ertoe strekt dat een vonnis vaker dan voorheen wordt bevestigd. De rechtspraktijk moet trachten daaraan gevolg te geven. Nog steeds geldt echter dat een vernietiging van het vonnis is aangewezen indien en voor zover het Hof wat betreft op de voet van art. 358 in verbinding met de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen, tot een ander oordeel komt dan de eerste rechter. Dat betekent voor de onderhavige zaak dat na een wijziging zoals het Hof hier heeft aangebracht in de bewezenverklaring van het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde, een vonnis in dat opzicht niet vatbaar is voor bevestiging. De middelen klagen daarover echter niet.’

40. Uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat Uw Raad de beslissingen op de formele en materiële vragen aanmerkt als de beslissingen die zich voor bevestiging en vernietiging lenen. En de beslisregels die deze overwegingen bevatten maken duidelijk dat een vonnis zich voor partiële vernietiging leent als het hof zich met één van die beslissingen niet kan verenigen. Maar de beslisregel dat een vonnis dient te worden vernietigd indien en voor zover het hof zich niet kan verenigen met een door de eerste rechter genomen beslissing sluit niet uit dat een deel van de beslissing die de rechtbank naar aanleiding van één van de vragen heeft genomen wordt bevestigd en een ander deel vernietigd. Bij wijze van voorbeeld kan worden gedacht aan een arrest waarin tien feiten bewezen zijn verklaard. De rechtsregels van de geciteerde overwegingen behoeven niet zo gelezen te worden dat alle bewezenverklaringen dienen te worden vernietigd als het hof in één daarvan enkele betrekkelijk ondergeschikte wijzigingen wil aanbrengen.

41. De toelichting op het middel wijst erop dat Uw Raad een arrest in sommige zaken (deels) vernietigt en terugwijst ‘uitsluitend wat betreft de strafoplegging’. Dat duidt erop, zo begrijp ik de stellers van het middel, dat de straftoemeting een geheel vormt. Naar het mij voorkomt gaat het hier evenwel om een andere kwestie. Het staat niet ter discussie dat het hof ook de bevestigde beslissingen inzake straftoemeting zelf neemt, bij het beantwoorden van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Het staat evenmin ter discussie dat de bevestigde beslissingen en de beslissingen die het hof in de plaats stelt van vernietigde beslissingen een logisch geheel dienen te vormen. Waar het om gaat, bij de rechtsvraag die dit middel aan de orde stelt, is hoeveel vrijheid het hof heeft bij het verdelen van dat geheel aan beslissingen over arrest en vonnis.

42. Uit de parlementaire behandeling van de Wet stroomlijnen hoger beroep kan enige steun worden gehaald voor het standpunt dat een werkwijze als hier door het hof is toegepast tot de mogelijkheden behoort. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid wordt gesteld: ‘In de Werkgroep hoger beroep en verzet is de voorkeur uitgesproken voor een systeem waarin de appèlrechter het vonnis bevestigt in zoverre hij daarmee instemt. Voorts kan hij in het vonnis verbeteringen aanbrengen in beslissingen en motiveringen.’ De mogelijkheid om een verbetering aan te brengen in een beslissing lijkt te impliceren dat een beslissing waar het hof het niet helemaal mee eens is niet integraal behoeft te worden vernietigd. Tegelijk is deze passage in de memorie van toelichting (die niet in termen van bevestigen en vernietigen spreekt) niet zo dwingend dat zij Uw Raad zou dienen af te houden van een andere keuze inzake de mogelijkheden tot partieel bevestigen indien de argumenten voor die andere keuze zwaarder wegen.

43. Of een partiële bevestiging en vernietiging van de straftoemeting mogelijk is, dient naar het mij voorkomt te worden afgeleid uit de betekenis die de beslissing inzake bevestigen en vernietigen in ons appelprocesrecht toekomt. Na de inwerkingtreding van ons Wetboek van Strafvordering is lange tijd uitgangspunt dat het bevestigen van een beslissing slechts mogelijk was als deze op een deugdelijke grondslag berustte. Blok en Besier schreven reeds: ‘Van eene bevestiging van een vonnis kan echter geen sprake zijn, indien de rechter in eersten aanleg hetzij bij de samenstelling van het vonnis, hetzij bij de uitspraak daarvan, vormen heeft geschonden, die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven. Het Hof, dat zoodanig vonnis zou bevestigen, zou die vormfout bestendigen en daarom een voor vernietiging vatbaar arrest wijzen. (...) Werd dus het vonnis in eersten aanleg met gebruikmaking van onwettig bewijsmateriaal gewezen, dan is het den appelrechter niet geoorloofd, met een beroep op de eerste zinsnede van het eerste lid van art. 423, het vonnis te bevestigen na dat materiaal ter zijde te hebben gesteld, of het door ander bewijsmateriaal te hebben vervangen (…). Ook indien tijdens de terechtzitting in eersten aanleg een vorm werd verzuimd, die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, zal in overeenstemming met de rechtspraak op het vorige Wetboek (...) het in eersten aanleg gewezen vonnis in hooger beroep moeten worden vernietigd. De wetgever is echter aan de eischen der practijk in zooverre te gemoet gekomen, dat hij den appelrechter de bevoegdheid heeft gegeven in geval van vernietiging van het vonnis bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen, voor zoover deze niet aan nietigheid lijden’.

44. Krabbe liet zien dat het geldend recht in 1983 nog in belangrijke mate met deze uitgangspunten spoorde: ‘Is een vonnis nietig, dan is er geen ruimte meer om het te bevestigen. Een vonnis waarin bijvoorbeeld de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is nietig en leent zich niet meer voor een bevestiging met aanvulling van gronden (...). En ten slotte kan de nietigheid van het vonnis veroorzaakt worden door fouten die tijdens de loop van het onderzoek ter terechtzitting zijn gemaakt. (…) De mogelijkheden tot het gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen worden bepaald door de volgorde van de beslissingen, die op basis van de artt. 348 en 350 Sv moeten worden genomen. (…) Zo besliste de Hoge Raad dat een vonnis niet bevestigd kan worden, op de punten van de kwalificatie tot en met de strafmaat, indien de rechter in hoger beroep tot een andere bewezenverklaring is gekomen is gekomen dan de rechter in eerste aanleg. De basis voor het bevestigen van deelbeslissingen is weggenomen, doordat de rechter in hoger beroep tot een andere bewezenverklaring kwam. (…) De rechter in hoger beroep, die zoveel mogelijk op ‘safe’ speelt en daarom het vonnis in eerste aanleg gewezen vernietigt, kan met overneming van gedeelten van het vonnis in eerste aanleg doen wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen. Na een vernietiging van het vonnis in eerste aanleg mag de rechter in hoger beroep immers gedeelten van het vonnis overnemen, waarbij men moet bedenken dat het begrip ‘gedeelten’ geen onderscheid maakt tussen beslissingen en gronden (art. 423 lid 3 Sv)’.

45. Alleen al de onmogelijkheid om een beslissing die op een vernietigde beslissing voortbouwt te bevestigen, door Harteveld wel eens verduidelijkt met de metafoor van een blokkentoren, bracht mee dat een partiële vernietiging van -bijvoorbeeld- de bewezenverklaring niet erg aantrekkelijk was. Een partiële vernietiging van de bewezenverklaring impliceerde dat een partiële vernietiging van de beslissingen inzake de kwalificatie en een al dan niet partiële vernietiging van de beslissing inzake de straftoemeting noodzakelijk was. Dat bracht al gauw complicaties mee die het aantrekkelijker maakten om -conform de werkwijze die destijds de gangbare was- het vonnis te vernietigen.

46. De wetgever heeft in deze stand van zaken wijziging willen brengen met de Wet stroomlijnen hoger beroep. Zoals wij zagen heeft de wetgever zich in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel aangesloten bij de Werkgroep hoger beroep en verzet, die een voorkeur heeft uitgesproken voor een systeem waarin de appelrechter het vonnis bevestigt ‘in zoverre hij daarmee instemt’ en waarin hij verbeteringen kan aanbrengen in beslissingen en motiveringen die in het vonnis staan. Daaruit lijkt te spreken dat ook een beslissing die voortbouwt op een beslissing die vernietigd is, kan worden bevestigd. Doorslaggevend voor het kunnen bevestigen van een beslissing is, zo lijkt het, immers enkel dat de rechter daarmee instemt. Het vervolg van de memorie van toelichting doet er wat aan twijfelen of de wetgever werkelijk zo ver heeft willen gaan: ‘In de controle op de rechtmatigheid van het onderzoek (...) kan een grond voor de vernietiging van de aangevallen beslissing worden gevonden. Maar een vormverzuim behoeft niet tot vernietiging van een vonnis te leiden. Het past bij het concept van het voortbouwend hoger beroep, dat het gerechtshof, met inachtneming van hetgeen ter zitting in hoger beroep is geschied, oordeelt of aan enig vormverzuim in eerste aanleg vernietigende betekenis moet worden toegekend’. Een vormverzuim kan blijkens deze passage nog steeds tot vernietiging leiden. Maar de beslissing tot vernietiging lijkt niet langer een automatisch gevolg te zijn van het vormverzuim. Het is veeleer een consequentie die de appelrechter daar al dan niet aan kan verbinden.

47. Uw Raad heeft in het eerder genoemde HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011/294 m.nt. Mevis overwegingen geformuleerd die tot op zekere hoogte bij deze benadering aansluiten. Uw Raad overwoog dat een vonnis dient te worden vernietigd ‘indien en voor zover het hof zich niet kan verenigen met door de eerste rechter op de voet van art. 358 in verbinding met de art. 348 en 350 Sv genomen beslissingen’. Dat laat -net als de memorie van toelichting- de mogelijkheid open dat een beslissing die op een vernietigde beslissing voortbouwt wordt bevestigd. Uw Raad relativeerde voorts het uitgangspunt ‘dat bevestiging van een vonnis slechts mogelijk is indien het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is gevoerd met inachtneming van alle daarvoor geldende procedureregels’. Vormverzuimen begaan gedurende de behandeling in eerste aanleg zijn doorgaans door de behandeling in appel hersteld en behoeven ingeval cassatieberoep is ingesteld veelal niet tot cassatie te leiden omdat daarover hetzij bij de behandeling van de zaak in hoger beroep hetzij in cassatie niet is geklaagd dan wel de betrokkene niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad. Nadien heeft Uw Raad onder meer een arrest gewezen waaruit kan worden afgeleid dat een vonnis waarin ten onrechte met een opgave van bewijsmiddelen was volstaan had mogen worden bevestigd met aanvulling van de gronden. Uit een ander arrest kan worden afgeleid dat Uw Raad het zelfs mogelijk acht een stempelvonnis met aanvulling van gronden te bevestigen.

48. Daarmee is, praktisch gesproken, een stelsel tot stand gebracht waarin elke in het vonnis opgenomen beslissing waarmee de appelrechter inhoudelijk instemt kan worden bevestigd. In een dergelijk stelsel zijn er naar het mij voorkomt geen wezenlijke bezwaren tegen het partieel bevestigen en vernietigen van beslissingen inzake (met name) bewezenverklaring en straftoemeting. De gedachte dat met een partieel vernietigde bewezenverklaring een blokje zou zijn weggeslagen onder de daaropvolgende beslissingen inzake materiële vragen is verlaten.

49. Een belangrijke randvoorwaarde is wel dat inzichtelijk is exact welk deel van de beslissing is vernietigd en welk deel in stand is gelaten, in het bijzonder ook met het oog op de tenuitvoerlegging. Ook thans is het echter mogelijk dat straffen die voor tenuitvoerlegging vatbaar worden deels in het vonnis zijn opgenomen en deels in het arrest. In het geval het hoger beroep beperkt is tot een deel van de ten laste gelegde feiten kunnen voor die buiten het hoger beroep gebleven feiten in het vonnis hoofdstraffen of bijkomende straffen zijn opgelegd die naast het arrest in stand blijven. Aan de randvoorwaarde van duidelijkheid voldoet de straftoemetingsbeslissing van het hof in deze strafzaak, naar het mij voorkomt.

50. Dat was bijvoorbeeld niet het geval in HR 14 maart 1950, NJ 1950/672. De politierechter had de verdachte veroordeeld tot een geldboete van fl. 600,- met twee maanden vervangende hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Het hof vernietigde het vonnis ten aanzien van de opgelegde geldboete en vervangende hechtenis en veroordeelde de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde en gekwalificeerde misdrijf tot een geldboete van fl. 200,- met een maand vervangende hechtenis. De Hoge Raad oordeelde dat hiermee een ‘tot misverstand aanleiding gevende en niet ondubbelzinnig voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing’ was gegeven. Door deze onduidelijke ‘oplegging van straf of maatregel’ waren de artikelen 359 en 358 jo art. 350 Sv niet nageleefd.

51. De werkwijze die het hof in deze zaak heeft gevolgd sluit aan bij de gedachte dat de rechter, door zo veel mogelijk te bevestigen, exact aangeeft met welke onderdelen van het vonnis hij zich niet kan verenigen. Niet onbelangrijk is ook dat deze werkwijze in sommige strafzaken tot werkbesparing kan leiden. Verlaging van de opgelegde gevangenisstraf behoeft er in deze werkwijze bijvoorbeeld niet toe te leiden dat schadevergoedingsmaatregelen opnieuw worden uitgeschreven.

52. In het geval niet met de door het hof gevolgde werkwijze akkoord wordt gegaan, zal onderscheid gemaakt moeten worden tussen wijzigingen in beslissingen inzake sancties die wel en wijzigingen die niet aan bevestiging van andere beslissingen inzake sancties in de weg staan. Krabbe besprak jurisprudentie waaruit volgde dat (in 1983) beslissingen inzake andere punten dan die welke waren vermeld in art. 358 Sv niet aan bevestiging in de weg behoefden te staan. Zo noemde Krabbe een arrest waaruit kon worden afgeleid dat wijziging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in een voorwaardelijke niet aan bevestiging in de weg stond. Bij een keuze voor die benadering ligt het voor de hand dat de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de onderhavige strafzaak niet aan bevestiging in de weg stond en de verlaging van de opgelegde gevangenisstraf wel. Ondertussen is het de vraag of de complicaties die anno 2018 uit deze benadering voortvloeien (bij een voorkeur voor bevestigen) geen argument voor het toelaten van de door het hof gevolgde werkwijze zijn. Zo zou een andere beslissing op een vordering van de benadeelde partij niet aan bevestiging van de beslissing inzake straftoemeting in de weg staan, een andere beslissing inzake de schadevergoedingsmaatregel wel.

53. In het geval Uw Raad desalniettemin niet met de door het hof gevolgde werkwijze akkoord wil gaan, dan komt het mij voor dat zulks niet tot cassatie en een derde berechting in appel behoeft te leiden. Uw Raad zou kunnen verstaan dat het hof het vonnis wat betreft de strafoplegging heeft vernietigd en de straf en maatregelen heeft opgelegd die onder 1 zijn omschreven.

54. Het vierde middel faalt.

55. De middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen worden verworpen met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

56. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?