L. S,
Hierbij stel ik mij als raadsman voor [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1983, thans verblijvend op uw bureau.
K.C. van de Wijngaart, mede namens P. J. Silvis
Op grond van artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier. Wanneer dat nog niet het geval is, geeft hij van zijn optreden schriftelijk kennis aan de in zaak betrokken hulpofficier.
Nu de strafzaak zich op het moment dat de raadsvrouw zich had gesteld nog in de piketfase bevond en derhalve geen officier van justitie in de zaak betrokken was heeft de raadsvrouw zich op een juiste wijze gesteld bij de in de zaak betrokken hulpofficier. Nu de voornoemde brief als een stelbrief in de zin van artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden aangemerkt, had de raadsvrouw op grond van artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering een afschrift van de dagvaarding en de overige processtukken moeten ontvangen.
De vraag die voorts voorligt is of het nalaten van voornoemde verplichting tot gevolg
heeft dat de appeltermijn niet is gaan lopen vanaf de dag van de uitspraak, maar pas vanaf het moment dat de raadsvrouw bekend is geraakt met het vonnis waarvan beroep.
Op grond van artikel 408, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering moet binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep worden ingesteld indien de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend. Gelet hierop en op de uitspraken van de Hoge Raad, 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4260 en van de Hoge Raad, 22 juni 2010 ECLI:NL:HR:2010:BM3628 is voor het aanvangen van de appeltermijn slechts bepalend of de verdachte — en dus niet de raadsvrouw - op de hoogte was van de datum van de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Nu de dagvaarding van de verdachte om op 27 mei 2015 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen, op 28 januari 2015 in persoon aan de verdachte is uitgereikt, had de verdachte binnen veertien dagen na het op 27 mei 2015 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 8 december 2015 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het verweer wordt mitsdien verworpen.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
6. Uit de toelichting op het middel blijkt dat het uiteen valt in twee deelklachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd te onderzoeken of het aanwezigheidsrecht van de verdachte in eerste aanleg is geschonden. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof ten onrechte art. 408, eerste lid aanhef onder a, Sv toepasselijk heeft geacht, omdat de raadsvrouwe eerst in december 2015 op de hoogte is geraakt van het veroordelend vonnis en bovendien het verzuim van art. 51 Sv (oud) daaraan in de weg staat. Ik zal in de eerste plaats de tweede deelklacht bespreken.
7. Bij de beoordeling van de tweede deelklacht kan het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 408, eerste lid, Sv moet het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend (art. 408, eerste lid aanhef onder a, Sv). Indien het rechtsmiddel niet tijdig wordt aangewend, volgt niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, tenzij er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarvan kan sprake zijn indien het (gerechtvaardigd) vertrouwen is gewekt dat de termijn nog niet is verstreken of indien er sprake is van een psychische stoornis bij de verdachte.
8. De bepaling van art. 408, eerste lid aanhef onder a, Sv is toegesneden op de verdachte. Uitgangspunt is dat indien de betekening in persoon (rechtsgeldig) heeft plaatsgevonden, ervan kan worden uitgegaan dat de verdachte op de hoogte is van het strafgeding en zich vergewist van het verloop en de uitkomst van de zaak. De Hoge Raad heeft benadrukt dat onder een omstandigheid als bedoeld in art. 408, eerste lid aanhef onder c, Sv niet de bekendheid van de raadsman met de zitting valt. In andere gevallen dan de in art. 408, eerste lid, Sv genoemde gevallen, geldt ingevolge art. 408, tweede lid, Sv dat de termijn voor het instellen van hoger beroep aanvangt zodra zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte is bekend geraakt met de einduitspraak. Ook deze bepaling is toegesneden op de verdachte en niet op de bekendheid van de raadsman met het vonnis.
9. Art. 51 Sv (oud) kent de raadsman, ingevolge de overeenkomstig van toepassing verklaarde artikelen 30 tot en met 34 Sv, wat betreft de toezending van de processtukken waaronder de dagvaarding, dezelfde rechten toe als de verdachte. De Hoge Raad kent aan het voorschrift van art. 51 Sv (oud) een zo grote betekenis toe dat de niet-nakoming daarvan bij afwezigheid van de verdachte en diens raadsman wordt geacht in de weg te staan aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting. De niet-naleving van art. 51 Sv (oud) heeft echter geen verontschuldigende werking voor de overschrijding van de beroepstermijn in gevallen waarin de dagvaarding (in hoger beroep) aan de verdachte in persoon is betekend.
10. In het onderhavige geval heeft het hof geoordeeld dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat – samengevat – hij niet binnen veertien dagen na het vonnis hoger beroep heeft ingesteld. De rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding is in hoger beroep niet bestreden. In het licht van hetgeen hiervoor is vooropgesteld, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Ingevolge art. 408, eerste lid aanhef onder a, Sv dient immers in geval de dagvaarding in persoon aan de verdachte is betekend het hoger beroep binnen veertien dagen te worden ingesteld. In dergelijke gevallen mag, zoals gezegd, van de verdachte worden verwacht dat hij zich vergewist van het verloop en de uitkomst van zijn zaak. De omstandigheid dat de raadsvrouw eerst in december op de hoogte is geraakt van het vonnis doet aan het voorafgaande niet af. De niet-naleving van art. 51 Sv (oud) brengt immers niet mee dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. In het licht van het voorafgaande, is het oordeel van het hof noch onjuist noch onbegrijpelijk. De deelklacht faalt.
11. Daarmee valt ook het doek voor de eerste deelklacht. Zelfs als de politierechter in eerste aanleg ten onrechte verstek zou hebben verleend, stond voor de verdachte de mogelijkheid van hoger beroep open met het recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
12. Het middel faalt.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden