4. Namens de verdachte heeft mr. D.J.G.J. Cornelissen op 17 december 2015 hoger beroep ingesteld. Gehecht aan de cassatieschriftuur is een faxbericht van mr. Cornelissen gedateerd 21 december 2015 – aan de authenticiteit daarvan behoeft naar het mij voorkomt in redelijkheid niet te worden getwijfeld –, met als onderwerp: “stelbrief”. Daarin deelt mr. Cornelissen mede namens de verdachte hoger beroep te hebben laten instellen tegen het vonnis van de politierechter in deze zaak en ook dat hij verzoekt om toezending van een aantal specifieke stukken, waaronder “een afschrift van de hoger beroep dagvaarding”. Dit faxbericht kan naar zijn inhoud niet anders worden begrepen dan als een stelbrief in de zin van art. 39 Sv. Het automatisch gegenereerde verzendrapport met daarin achtereenvolgens de vermelding “Verzending OK”, “ID aansluiting HOF DH Straf” en “Resultaat OK” doet vermoeden dat het faxbericht met de stelmededeling de strafgriffie van het hof Den Haag op 21 december 2015 daadwerkelijk heeft bereikt. Voorts kan worden aangenomen dat geen afschrift van de dagvaarding aan mr. Cornelissen is verzonden, nu de stukken daarvan geen blijk geven. Voor een vermoeden dat hij anderszins op de hoogte was van de dag van de terechtzitting geven de stukken geen aanleiding.
5. Evenmin bevindt zich onder de stukken van het geding, althans voor zover deze in cassatie voorhanden zijn, een bericht met ontvangstbevestiging van het verzonden faxbericht. Ook aan de cassatieschriftuur is een dergelijk schrijven niet (als bijlage) gehecht. Verder expliciteert het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2016 niet dat het hof enig onderzoek heeft gedaan naar de vraag of was voldaan aan het voorschrift als bedoeld in art. 51 (oud) Sv.
6. Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, moet het er in cassatie voor worden gehouden dat het faxbericht met de stelmededeling wel ter strafgriffie is ontvangen maar aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt en dat het hof (daardoor) bij de behandeling van de zaak niet beschikte over dat faxbericht. Daaruit vloeit weer het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de (verkrijging van de) appeldagvaarding het voorschrift van art. 51 Sv (oud) niet is nageleefd.Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is volgens de Hoge Raad van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.
7. In alle zaken waarin de Hoge Raad tot deze overweging kwam en de uitspraak van het hof op die grond vernietigde, was, voor zover ik heb kunnen nagaan, op de terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een voor de verdachte optredende raadsman verschenen – de Hoge Raad lijkt op die combinatie van afwezigheid de nadruk te leggen – en was aan de verdachte verstek verleend.
8. Daarin verschilt de onderhavige zaak juist van al die andere zaken, zodat het middel, zoals voorgesteld, reeds om die reden niet tot cassatie kan leiden. De verdachte is hier namelijk wel aanwezig geweest bij de behandeling in hoger beroep. Niet blijkt uit de stukken van het geding dat hij (tevoren) contact heeft opgenomen met zijn raadsman (hetgeen, anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen, op de weg van verdachte had gelegen) en evenmin dat hij ter terechtzitting tegenover het hof een wens voor bijstand van zijn raadsman heeft uitgesproken, zelfs niet nadat de voorzitter de verdachte op dat recht had gewezen. In plaats van aanhouding van de behandeling van de zaak te vragen teneinde zich van rechtsbijstand te voorzien, verzoekt de verdachte het hof hem een taakstraf of een andersoortige straf op te leggen en, zo volgt daar mijns inziens uit, de behandeling van de zaak voort te zetten. Van strijd met een goede procesorde is, indien en voor zover de toelichting op het middel daarover ook bedoelt te klagen, geen sprake. Ik citeer uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof:
“De verdachte legt op vragen van de voorzitter de volgende verklaring af:
A. Het klopt dat ik mij schuldig heb gemaakt aan hetgeen aan mij ten laste is gelegd.
B. Ik meende voor het hof te moeten verschijnen voor een andere zaak dan de onderhavige. Ik weet waar de onderhavige zaak over gaat, maar normaliter heb ik ter terechtzitting bijstand van een advocaat. U deelt mij mede dat op de dagvaarding staat vermeld dat ik recht heb op bijstand van een advocaat. Op de dag van betekening van de dagvaarding voor de terechtzitting van heden zat ik nog niet in voorlopige hechtenis. Ik verzoek u aan mij een taakstraf of een ander soort straf op te leggen.”
9. Het middel faalt mitsdien.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG