ECLI:NL:PHR:2018:289

ECLI:NL:PHR:2018:289

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-04-2018
Datum publicatie 04-04-2018
Zaaknummer 16/03956
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:1156
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op personenauto waarin gestolen onderdelen zijn gemonteerd. Vordering tot onttrekking aan het verkeer van deze personenauto zonder toekenning geldelijke tegemoetkoming aan eigenaar te goeder trouw, art. 36b lid 2 juncto art. 33c lid 2 Sr. Art. 1 Eerste Protocol EVRM. De AG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad de beschikking tot onttrekking aan het verkeer zal vernietigen.

Uitspraak

De beslissing op de vordering tot onttrekking aan het verkeer

In het eerste middel wordt gesteld dat de rechtbank niet (kenbaar) heeft onderzocht of de beslissing tot onttrekking aan het verkeer voldoet aan het proportionaliteitsvereiste van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP). De rechtbank oordeelt slechts dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang. Daarmee is volgens de steller van het middel echter nog niet gegeven dat dit algemeen belang ook zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van de klager – het ongestoord genot van zijn eigendom – en inmenging aldus gerechtvaardigd zou zijn. Door de verdediging is tijdens de behandeling in raadkamer niet met zoveel woorden een beroep gedaan op art. 1 EP, zodat de vraag rijst of dit voor het eerst in cassatie kan worden gedaan. Omdat hetgeen inhoudelijk in raadkamer naar voren is gebracht in materiële zin wel onder de reikwijdte van art. 1 EP valt ben ik van mening dat hiervan geen (formeel) punt hoeft te worden gemaakt.

De bepaling waarop de steller van het middel zich beroept, art. 1 EP, luidt als volgt:

‘’Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.’’

Wanneer een inmenging in het eigendomsrecht in de zin van art. 1 EP aan de orde is, hetgeen mag worden aangenomen bij een onttrekking aan het verkeer van een aan de klager in eigendom toebehorende auto, dan toetst het EHRM op basis van een vast stramien of daarvoor een rechtvaardiging kan worden aangenomen. Deze toets is in beginsel voor alle soorten van inmenging, of die nu een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke achtergrond hebben, vergelijkbaar. Eerst gaat het EHRM na of de inmenging bij wet is voorzien, dus een voldoende precieze en toegankelijke nationale wettelijke basis heeft en voorzienbaar is. Verder speelt bij deze toets ook een rol of de kwestie van de inmenging in de beschikbare nationale procedures aan de orde kan komen. Daarna wordt getoetst of de inmenging een gerechtvaardigd algemeen belang dient. Tot zover is bij een onttrekking aan het verkeer aan de vereisten die het EHRM stelt voldaan: de onttrekking aan het verkeer is bij de wet voorzien en onderhavige procedure is er het bewijs van dat de kwestie in een nationale procedure aan de orde kan worden gesteld. In het middel wordt op zichzelf ook niet bestreden dat het ongecontroleerd bezit van de auto, die mede uit gestolen onderdelen bestaat, in strijd is met het algemeen belang.

De centrale vraag is, en daar doet de steller van het middel een beroep op, of de inmenging proportioneel is. Met andere woorden, of er een ‘fair balance’ c.q. rechtvaardig evenwicht is tussen de eisen van het algemene belang en de bescherming van de fundamentele eigendomsrechten van de klager. Een inmenging mag volgens de Straatsburgse jurisprudentie geen onevenredige last (‘excessive burden’) op de betrokkene leggen. Bij de toets aan dit criterium wordt ook vaak bezien of, en, zo ja, in welke mate, er schadevergoeding is geboden voor de ondervonden last. Indien het gaat om ontneming van eigendom, zoals bij onttrekking aan het verkeer het geval is, dan kan uit de rechtspraak van het EHRM worden afgeleid dat dit zonder compensatie al snel als disproportioneel wordt aangemerkt en dus in strijd met art. 1 van het EP.

Naar mijn mening heeft de Nederlandse wetgever door middel van de in art. 36b Sr, tweede lid juncto art. 33c, tweede en derde lid, Sr neergelegde mogelijkheid voor de rechter een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen aan de rechthebbende, wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de rechthebbende onevenredig zou worden getroffen door de onttrekking aan het verkeer, een adequate voorziening getroffen om tegemoet te komen aan de hiervoor beschreven proportionaliteitstoets. Met andere woorden: indien de rechter vaststelt dat aan de eisen voor onttrekking aan het verkeer is voldaan, hetgeen een legitiem belang oplevert in de zin van art. 1 EP, kan de daarmee mogelijk disproportionele inmenging op het eigendomsrecht worden gecompenseerd door middel van een geldelijke tegemoetkoming. Deze proportionaliteitstoets en de daarbij te maken belangenafweging dient dus plaats te vinden bij de vraag of een geldelijke tegemoetkoming dient te worden toegekend en niet bij de vraag of het voorwerp als zodanig vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, hetgeen in het middel primair lijkt te worden gesteld.

Mede gelet op deze mogelijkheid tot geldelijke tegemoetkoming kan uit de door klager aangehaalde zaak Sildedzis tegen Polenniet worden afgeleid dat de wettelijke regeling met betrekking tot de onttrekking aan het verkeer in strijd zou zijn met art. 1 EP noch dat in de onderhavige zaak de belangen in het concrete geval niet genoegzaam zouden zijn afgewogen. Die belangenafweging dient immers plaats te vinden bij de eventuele geldelijke tegemoetkoming, waarover meer bij de bespreking van het tweede middel.

Deze klacht faalt.

5. Het tweede middel richt zich, zoals hiervoor al is aangegeven, tegen de afwijzing van het verzoek om een geldelijke compensatie als bedoeld in art. 36b Sr, tweede lid juncto art. 33c, tweede en derde lid, Sr. De steller van het middel doet in het verlengde van het eerste middel een beroep op het proportionaliteitsvereiste van art. 1 EP. Door het verzoek af te wijzen op de grond dat de klager nog de mogelijkheid heeft om zijn schade langs de civielrechtelijke weg op de verkoper van de auto te verhalen, heeft de rechtbank volgens de steller van het middel miskend dat als criterium geldt of de eigenaar onevenredig zwaar wordt getroffen door de onttrekking van zijn eigendom aan het verkeer. Daarmee, zo wordt gesteld, getuigt het oordeel van de rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

Voor het lezersgemak herhaal ik hierbij wat de rechtbank ten aanzien van de geldelijke tegemoetkoming (in de beslissing naar aanleiding van het klaagschrift ex art. 552a Sv) heeft overwogen:

“Bij de beoordeling van de vraag of klager hierdoor onevenredig zwaar wordt getroffen en hem daarom een geldelijke compensatie toekomt, een mogelijkheid gebaseerd op artikel 36 b, lid 2, Sr waarop - zo begrijpt de rechtbank de opmerkingen van de raadsman - de klager zich heeft beroepen, geldt het volgende.

Klager heeft een aanzienlijke ervaring in de autohandel. Hij heeft deze auto verkregen door inruil van een andere auto bij een hem bekende automonteur met wie hij al 10 jaar zaken doet. Nu vaststaat dat hem een auto is verkocht waarin gestolen onderdelen zijn gemonteerd, staan klager de mogelijkheden van het Burgerlijk Wetboek open om verhaal te halen bij de verkoper. Het verzoek om een geldelijke compensatie in deze procedure wordt dan ook afgewezen.’’

Zoals ik bij het eerste middel al heb uiteengezet komt, wanneer vastgesteld kan worden dat het ongecontroleerd bezit van een voorwerp in strijd is met het algemeen belang en dit aan het verkeer dient te worden onttrokken, de bij de proportionaliteitstoets te maken belangenafweging te liggen bij de vraag of een geldelijke tegemoetkoming dient te worden toegekend. Art. 33c Sr, dat ingevolge artikel 36b, lid 2, Sr van overeenkomstige toepassing is bij de onttrekking aan het verkeer, biedt de rechter de mogelijkheid een geldelijke tegemoetkoming vast te stellen wanneer iemand daardoor onevenredig wordt getroffen. Als de rechter hieraan ten onrechte geen toepassing geeft komt een schending van art. 1 EP in beeld.

In de onderhavige zaak is door de klager aangevoerd dat hij te goeder trouw eigenaar is geworden van de auto, hij er geen weet van heeft gehad dat hierin gestolen onderdelen waren aangebracht en dat zowel hij zelf als ook de verkoper vrijgesproken is van heling. Opmerking verdient ook dat de officier van justitie, zo blijkt uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer, het redelijk acht dat de klager voor een schadevergoeding in aanmerking komt, nu hij in de strafzaak is vrijgesproken.

Ik vind gelet op deze omstandigheden dan ook onredelijk dat de rechtbank de klager doorverwijst naar de civiele rechter, terwijl hem met betrekking tot de aan het verkeer onttrokken auto – volgens de door de strafrechter gegeven vrijspraak – geen blaam treft. Daar komt bij dat de rechtbank op de stelling van de klager dat (ook) de verkoper is vrijgesproken van heling niet is ingegaan. Daardoor heeft de rechtbank in het midden gelaten of er wel een reële kans is dat de verkoper aansprakelijk kan worden gesteld voor de geleden schade. Gelet hierop is het oordeel van de rechtbank dat de klager niet onevenredig wordt getroffen omdat hij civielrechtelijk verhaal kan halen bij de verkoper, naar mijn mening niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij wil ik opmerken dat art. 33c lid 2 Sr een wassen neus zou zijn als de rechter (in alle gevallen) zou kunnen oordelen dat geen tegemoetkoming hoeft te worden toegekend omdat (tevens) een (theoretische) mogelijkheid bestaat om op grond van een andere titel een tegemoetkoming in de geleden schade te krijgen. Het is immers de overheid die de daadwerkelijke inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de klager en het is de proportionaliteit van die inbreuk die moet worden beoordeeld.

Ik stel mij op het standpunt dat het cassatieberoep tegen de beschikking over de vordering tot onttrekking aan het verkeer dient te slagen, omdat de beslissing van de rechtbank aan de klager geen tegemoetkoming toe te kennen niet begrijpelijk is en derhalve in strijd is met art. 1 EP.

De beslissing op het klaagschrift ex art. 552a Sv

6. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van de middelen voor zover deze zich richten tegen de afwijzing van het verzoek om teruggave ex art. 552a Sv.

In de cassatieschriftuur wordt niet geklaagd over het oordeel dat de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat de strafrechter, later oordelend, de auto zal onttrekken aan het verkeer en dat het belang van strafvordering zich derhalve verzet tegen opheffing van het beslag. Wel wordt erover geklaagd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het subsidiaire verzoek om teruggave van de slechts niet-gestolen onderdelen van de auto.

Het is juist dat de rechtbank op dat verzoek niet heeft beslist.

Mijn ambtgenoot Knigge heeft onlangs in een conclusie uitvoerig aandacht besteed aan een zaak waarbij het OM in cassatie is gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarbij naar aanleiding van een op de voet van art. 552a Sv gedaan beklag de rechtbank de teruggave heeft gelast van een bij de klager inbeslaggenomen snorfiets, met dien verstande dat vóór de teruggave het motorblok dat van diefstal afkomstig was, zou worden verwijderd. Het ging in deze zaak, net als in de onderhavige, om de vraag of voorwerpen gedeeltelijk aan het verkeer kunnen worden onttrokken en of de beklagrechter met het oog daarop een beklag gedeeltelijk gegrond kan achten.

Knigge maakte daarover uit civielrechtelijk oogpunt de volgende opmerkingen (de voetnoten bij dit citaat zijn weggelaten):

“3.3. Ik stel voorop dat in het civiele recht het zogenaamde eenheidsbeginsel geldt. De in art. 5:3 BW neergelegde hoofdregel is dat een eigenaar van een zaak eigenaar is van de zaak in haar geheel. Dat betekent dat de eigendom van een zaak de eigendom van de onzelfstandige onderdelen (bestanddelen) daarvan omvat. Op die onderdelen kunnen geen zakelijke rechten (zoals het eigendomsrecht) gevestigd zijn. Wanneer dan ook een zaak een bestanddeel van een andere zaak wordt, houdt zij op voorwerp te zijn van goederenrechtelijke aanspraken. Voor de vraag of iets een bestanddeel is (geworden) van een andere zaak is in het bijzonder art. 3:4 BW bepalend. Volgens het eerste lid van dat artikel is al hetgeen volgens verkeersopvattingen onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel van die zaak. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, bestanddeel wordt van de hoofdzaak. Wie in een dergelijk geval eigenaar van het geheel wordt, is, wat roerende zaken betreft, te vinden in art. 5:14 lid 1 BW. Dat artikellid bepaalt dat de eigendom van de tot bestanddeel geworden zaak overgaat naar de eigenaar van de hoofdzaak. Men spreekt in een dergelijk geval wel van natrekking. Het derde lid van art. 5:14 BW bepaalt daarbij dat als hoofdzaak is aan te merken de zaak waarvan de waarde die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft of die volgens verkeersopvatting als zodanig wordt beschouwd. Volledigheidshalve vermeld ik nog dat naast de natrekking van art. 5:14 BW de vermenging van art. 5:15 BW en de zaakvorming van art. 5:16 BW staan. Art. 5:14 BW is daarop van overeenkomstige toepassing.

Toegespitst op de onderhavige zaak betekent dit dat de gestolen onderdelen, die in de Mercedes van de klager zijn gemonteerd als bestanddelen van die auto moeten worden aangemerkt zodat de klager eigenaar is van de Mercedes, met inbegrip van de gestolen onderdelen. Dit betekent dat de oorspronkelijke eigenaar van de gestolen onderdelen als gevolg van natrekking zijn eigendomsrecht heeft verloren en daarmee ook zijn recht tot revindicatie.

De vraag is echter welke betekenis deze vaststelling heeft voor de behandeling van een klaagschrift strekkende tot teruggave van de betrokken auto voor zover deze uit niet gestolen onderdelen bestaat. Hierbij zal de beklagrechter onder andere moeten beoordelen of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter het voorwerp zal onttrekken aan het verkeer. In dit verband schrijft Knigge in zijn conclusie:

“3.13. Dan nu de onttrekking aan het verkeer. Ik stel voorop dat de vraag aan wie het desbetreffende voorwerp toebehoort, bij deze maatregel geen rol van betekenis speelt. De wet stelt op dit punt in elk geval geen voorwaarden. De oplegging van de maatregel impliceert dan ook niet een (voorlopige) vaststelling van eigendoms- of bezitsverhoudingen. De goederenrechtelijke stand van zaken lijkt hier daarom van weinig betekenis. De onttrekking aan het verkeer van een voorwerp maakt uiteraard inbreuk op het eigendomsrecht van de rechthebbende, maar daaruit vloeit niet voort dat die onttrekking het voorwerp in zijn geheel moet betreffen. Integendeel, zou men kunnen betogen: een onttrekking aan het verkeer die zich beperkt tot een bestanddeel van het voorwerp maakt een geringere inbreuk op het eigendomsrecht en is dus vanuit het gezichtspunt van eigendomsbescherming te verkiezen boven de onttrekking aan het verkeer van het gehele voorwerp. Hier openbaart zich dus een belangrijk verschil met de afscheiding van bestanddelen die plaatsvindt met het oog op de teruggave van het voorwerp. Die afscheiding maakt zoals betoogd inbreuk op het eigendomsrecht van de rechthebbende. De afscheiding die plaatsvindt teneinde een gedeeltelijke onttrekking aan het verkeer van het voorwerp te bewerkstelligen, doet dat niet.”

Ook al lijkt volgens Knigge het wettelijk uitgangspunt te zijn dat het gehele voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer en de rechter niet gehouden is om (in voorkomende gevallen) slechts onderdelen van het desbetreffende voorwerp aan het verkeer te onttrekken, dat nog niet wil zeggen dat de rechter onder omstandigheden niet zou mogen overgaan tot een partiële onttrekking. Knigge breekt er zelfs een lans voor:

“3.20. Een standpunt van de Hoge Raad over de vraag of een gedeelte van een voorwerp aan het verkeer onttrokken kan worden, kan uit de besproken jurisprudentie niet afgeleid worden. Hooguit kan gezegd worden dat uit die jurisprudentie blijkt dat er in de praktijk wel enige behoefte bestaat aan de mogelijkheid om voorwerpen partieel aan het verkeer te onttrekken. Ik zou gelet daarop willen verdedigen dat een partiële onttrekking aan het verkeer niet in strijd is met het recht als de betrokken partijen daartegen geen bezwaar maken. Dat betekent in het bijzonder dat aannemelijk moet zijn dat het openbaar ministerie – dat belast is met de tenuitvoerlegging van de beslissing – daarmee instemt. Het is in deze benadering het openbaar ministerie dat moet afwegen of de kosten die met het demonteren van het desbetreffende voorwerp zijn gemoeid, te verkiezen zijn boven een eventuele door de rechter toe te kennen geldelijke tegemoetkoming. In die afweging mag de rechter dus niet treden. Uiteraard kan over dit laatste anders worden gedacht, maar een rechtlijnig standpunt heeft het voordeel van de eenvoud en de duidelijkheid en voorkomt daarmee moeizame procedures over een betrekkelijk ondergeschikte kwestie.”

Ik kan mij in de voorgaande bespiegelingen van Knigge vinden. Maar deze hebben vooral betrekking op de beslissing op een vordering tot onttrekking aan het verkeer, terwijl het verzoek tot partiële teruggave gedaan is in het kader van het klaagschrift ex art. 552a Sv. In dat verband blijft het de vraag of een mogelijkheid tot partiële onttrekking voor de beklagrechter, die moet oordelen op een verzoek om teruggave dat is gebaseerd op art. 552a Sv, voldoende aanleiding kan zijn om aan te nemen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende rechter de gehele Mercedes, in plaats van alleen de daarin gemonteerde gestolen onderdelen, aan het verkeer onttrokken zal verklaren. Ik meen van niet, maar dat is vooral ingegeven door de omstandigheid dat de beklagprocedure ex art. 552a Sv zich niet goed leent voor een partiële teruggave omdat daarmee al snel vooruit wordt gelopen op het latere oordeel van de strafrechter. Ik ben van mening dat het in principe aan die (in onderhavig geval: eventjes) later oordelende rechter is om te bepalen of de auto al dan niet in zijn geheel aan het verkeer moet worden onttrokken.

Ik kom dan ook tot de conclusie dat het cassatieberoep, voor zover ingesteld tegen de beschikking op het klaagschrift ex art. 552a Sv, faalt.

7. Nu het cassatieberoep, voor zover dat gericht is tegen de beschikking tot onttrekking van de Mercedes aan het verkeer naar mijn mening dient te slagen, wil ik met het oog op de verdere afhandeling van de zaak nog een opmerking maken die ik eveneens ontleen aan de hiervoor reeds aangehaalde conclusie van mijn ambtgenoot Knigge van 9 januari 2018. Na verwijzing of terugwijzing door de Hoge Raad van de zaak die betrekking heeft op de beslissing op de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de Mercedes, zal de rechter die de opnieuw op de vordering moet beslissen (wederom) moeten beoordelen of het feit dat verschillende in de Mercedes gemonteerde onderdelen van diefstal afkomstig zijn, grond kunnen opleveren om de Mercedes aan het verkeer te onttrekken. Ervan uitgaande dat de klager eigenaar is van de Mercedes, inclusief de daarin gemonteerde gestolen onderdelen en de Mercedes zelf niet van diefstal of enig misdrijf afkomstig is, zal de rechtbank moeten beoordelen of de Mercedes “geheel of grotendeels” door middel van of uit baten van het strafbare feit is verkregen in de zin van art. 36c sub 1° Sr. Indien dit niet het geval is, dan is een onttrekking aan het verkeer alleen al op die grond niet aan de orde.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikkingen aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van 5 juli 2016 waarbij op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in art. 552f lid 2 Sv de Mercedes onttrokken aan het verkeer is verklaard, tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van de cassatieberoepen voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?