ECLI:NL:PHR:2018:360

ECLI:NL:PHR:2018:360, Parket bij de Hoge Raad, 17-04-2018, 16/02820

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-04-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/02820
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:776
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Conclusie plv. AG. Medeplegen opzettelijk telen hennep. 1. Klachten over vraag of sprake was van hennepteelt, de pleegperiode en het medeplegen. 2. Middel over verzuim reactie op voorwaardelijk getuigenverzoek. 3. Middel over begrijpelijkheid strafmotivering, nu uit JD niet zou blijken dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van (andersoortige) strafbare feiten. De plv. AG stelt zich op het standpunt dat het beroep in cassatie dient te worden verworpen.

Uitspraak

Hennepteelt

10. De eerste deelklacht betreft de motivering dat sprake was van hennepteelt. Het hof is er van uitgegaan dat er in de bewezenverklaarde periode een hennepkwekerij aanwezig is geweest in een woning aan de [a-straat 1] in Breda. Dat oordeel acht ik geenszins onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat er op het perceel hennepmaterialen en -resten zijn aangetroffen, er illegaal stroom is afgetapt en er diverse aanwijzingen voor eerdere hennepoogsten zijn geconstateerd (zie de bewijsmiddelen 2 tot en met 5). Daarbij wijs ik erop dat het hof het verweer dat de aangetroffen sporen verklaard kunnen worden doordat sprake was van tweedehands materialen als niet aannemelijk terzijde heeft geschoven, aangezien er hennepafval en voor het knippen gebruikte schaartjes zijn aangetroffen en de potjes voor de hennepplanten niet schoon waren. Voor het overige stuit de betreffende klacht af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.

Bewezenverklaarde periode

11. Voor zover geklaagd wordt over de lengte van de bewezenverklaarde periode (van 1 januari 2009 tot en met 19 mei 2011) merk ik op dat een pleegperiode niet inhoudt dat de verdachte zich gedurende die hele tijd schuldig heeft gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten. Bovendien gaat de steller van het middel eraan voorbij dat bewezen is verklaard dat de verdachte “op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 19 mei 2011” (en derhalve niet in de gehele pleegperiode) de hem verweten handelingen heeft verricht. De vastgestelde pleegperiode is ook niet onbegrijpelijk, aangezien het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen heeft aangegeven de pleegperiode te hebben ontleend aan de bewijsmiddelen 2 en 3, waaruit blijkt dat er ten minste vier eerdere oogsten zijn geweest. Voorts kon het hof er gelet op bewijsmiddel 11 en 12 van uitgaan dat medepleger [betrokkene 1] tijdens de gehele bewezenverklaarde periode in de woning aan de [a-straat 1] in Breda woonde. Ook deze klacht faalt.

Medeplegen

12. Voor de beoordeling van de derde deelklacht over de motivering van het medeplegen is het navolgende van belang. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. De bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict moet daarbij van voldoende gewicht zijn. Bij de vorming van zijn oordeel over de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, waarbij aangetekend kan worden dat aan het niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers, aldus de Hoge Raad, om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

13. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat niet te snel moet worden aangenomen dat de verdachte het opzettelijk telen van hennepplanten heeft medegepleegd. Zo is de wetenschap van verdachte van een hennepplantage in een ruimte die hij ter beschikking stelt onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte zo bewust en nauw met een ander heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen. De omstandigheid dat de verdachte in ruil voor het ter beschikking stellen van de door hem gehuurde woning deelt in de winst, de verdachte toestond dat de kwekerij werd gefinancierd uit gemeenschappelijke gelden of mensen heeft geregeld die de hennepplantage hebben aangelegd voor zijn toenmalige vriendin en dat de betaling voor de hennepplantage aan haar via de verdachte liep zijn niet zonder meer voldoende.

14. De klacht richt zich in het bijzonder op het feit dat het hof de juistheid van het namens de verdachte gevoerde Meer en Vaart-verweer, inhoudende dat de verdachte betrokken is geweest bij (de voorbereidingen voor) een andere hennepkwekerij dan de ten laste gelegde, in het midden heeft gelaten en dat dit verweer evenmin weerlegging vindt in de bewijsvoering. In ieder geval is het volgens de steller van het middel ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen van hennepteelt gevoerde verweer voor zover inhoudende dat [betrokkene 1] daarvoor alleen verantwoordelijk is en de verdachte geen wetenschap had van het bestaan van de hennepkwekerij, laat staan dat hij enige uitvoeringshandelingen heeft verricht ontoereikend dan wel onvoldoende door het hof verworpen.

15. Het hof heeft – anders dan de rechtbank en in afwijking van de gevorderde vrijspraak door de advocaat-generaal bij het hof – geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen van hennep in een woning aan de [a-straat 1] in Breda. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat in de woning aan de [a-straat 1] in Breda hennep is geteeld. Vervolgens is het hof uitgegaan van een gemeenschappelijke uitvoering van een of meer handelingen tijdens dit telen van hennep en een bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met [betrokkene 1] . Uit de in de schuur aangetroffen DNA-sporen in twee paar rubberen handschoenen heeft het hof immers afgeleid dat zowel [betrokkene 1] als de verdachte daadwerkelijk werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van het telen van hennep. Het oordeel dat de handschoenen verband houden met de hennepteelt in de woning aan de [a-straat 1] in Breda en dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen (in ieder geval) de verdachte en [betrokkene 1] acht ik niet onbegrijpelijk nu – zoals hiervoor overwogen – door het hof kon worden vastgesteld dat er hennep is geteeld in de woning; de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor het niet slechts ‘op’ maar ‘op de binnenzijde van’ een handschoen aangetroffen DNA-spoor dat aan hem te linken valt; het spoor in het andere paar handschoenen een match oplevert met het DNA-profiel van [betrokkene 1] , die in de woning woonde (bewijsmiddel 12) en het loodje van de elektriciteitskast heeft verwijderd (bewijsmiddel 14), terwijl ten behoeve van de hennepteelt illegaal stroom is gebruikt na het verwijderen van de verzegeling (bewijsmiddel 2); de handschoenen zijn aangetroffen in de schuur waarin een complete inventarisatie van een hennepkwekerij is aangetroffen (bewijsmiddel 2) en uit het ovc-gesprek van 1 april 2011 valt af te leiden dat de verdachte zich destijds bezig hield met het telen van hennep (bewijsmiddel 15). Het bewezenverklaarde medeplegen is, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, daarmee toereikend gemotiveerd.

16. Het middel faalt.

17. Het tweede middel klaagt dat het hof verzuimd heeft te reageren op een voorwaardelijk getuigenverzoek.

18. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De raadsman van de verdachte heeft per brief van 7 april 2016 aan het ressortsparket het voorwaardelijke verzoek gedaan om een werkvoorbereider van Amvest te horen. Deze getuige zou kunnen verklaren dat er in de ten laste gelegde periode een verbouwing heeft plaatsgevonden aan de [a-straat 1] . De verdachte zou kunnen verklaren over “verbouwingswerkzaamheden, wat deze inhielden, in welke ruimtes er is verbouwd en in welke periode en over hetgeen hij heeft waargenomen in de woning (met betrekking tot de vermeende hennepkwekerij)”. Deze verbouwingswerkzaamheden door een onbekende derde zouden onwaarschijnlijk maken dat er in diezelfde periode hennep werd geteeld in de woning.

(ii) Per brief van 16 april 2016 is gespecificeerd dat het gaat om het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [betrokkene 4] , werkvoorbereider bij Amvest.

(iii) Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 april 2016 houdt in dat de verdediging het betreffende getuigenverzoek niet handhaaft.

(iv) Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 19 april 2016 vermeldt dat de raadsvrouw het woord ter verdediging voert overeenkomst haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer het volgende in:

“72. Ook hebben er in de periode van 7 februari 2011 tot het moment van binnentreden van de woning werkzaamheden plaatsgevonden in de buurt waardoor de weg was afgesloten voor doorgaand verkeer en er niet direct voor de woning geparkeerd kon worden. Hetgeen het onwaarschijnlijk maakt om juist dan goederen voor de hennepteelt te gaan vervoeren.

73. In eerste aanleg zijn daarvan reeds stukken overgelegd aan de rechtbank. In dat kader is er reeds een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de werkvoorbereider van Amvest, [betrokkene 4] . De verdediging wenst dit verzoek te handhaven en verzoekt uw Hof, mocht u niet tot een vrijspraak komen voor deze feiten, genoemde getuige op te roepen.”

19. Het hof had – uitgaande van de juistheid van het proces-verbaal van de zitting van 18 april 2016, waaruit blijkt dat het voorwaardelijke getuigenverzoek toen uitdrukkelijk niet gehandhaafd is – het op 19 april 2016 gedane verzoek moeten opvatten als een nieuw voorwaardelijk getuigenverzoek als bedoeld in art. 315 Sv in verbinding met art. 328 Sv (en art. 415 Sv). Geconstateerd kan worden dat de bestreden uitspraak geen beslissing inhoudt over het verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 4] , terwijl het hof niet tot een vrijspraak is gekomen en daarmee aan de voorwaarde voor het verzoek is voldaan. Het middel is daarmee terecht voorgesteld, maar kan niet tot cassatie leiden. Het getuigenverzoek was er immers op gericht om aan te tonen dat geen hennepplantage aanwezig was in de woning aan de [a-straat 1] . Zoals ik eerder al heb aangegeven, is het oordeel van het hof dat er sprake was van een hennepplantage niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande, heeft het hof het verzoek kennelijk (en niet onbegrijpelijk) niet noodzakelijk geacht voor zijn te nemen beslissingen.

20. Het middel faalt.

21. Het derde middel klaagt dat de strafmotivering niet, althans niet zonder meer voldoende begrijpelijk gemotiveerd is, nu het hof ter motivering van de straf mede heeft overwogen dat blijkens het justitieel uittreksel de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van (andersoortige) strafbare feiten en dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het bewezenverklaarde feit te plegen, terwijl uit dit uittreksel volgt dat de verdachte slechts eenmaal eerder (onherroepelijk) is veroordeeld. Voor zover het hof oog heeft op eerdere transacties, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien een transactie niet gelijkgesteld kan worden met een veroordeling en ook anderszins niet op dezelfde wijze redengevend is voor de strafoplegging.

22. Het hof heeft onder het hoofd ‘Strafmotivering’ het volgende opgenomen:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan hennepteelt gedurende een periode van ruim 2 jaar. Zodoende heeft hij doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Drugs zijn bovendien schadelijk voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 maart 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van (andersoortige) strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het bewezenverklaarde is, zeker gelet op de geruime duur van de pleegperiode, een ernstig feit dat in beginsel een gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Echter, het feit dat het bewezenverklaarde feit reeds geruime tijd geleden is gepleegd en het hof, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals naar voren gekomen ter terechtzitting in hoger beroep, het niet opportuun acht de verdachte thans hiervoor tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te veroordelen is het hof - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”

23. Met zijn overweging dat de verdachte "eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van (andersoortige) strafbare feiten" heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte ten minste één keer eerder voor andersoortige strafbare feiten is veroordeeld, terwijl het betreffende vonnis of arrest onherroepelijk is geworden vóór de pleegdatum van het onderhavige feit. Uit het door het hof genoemde uittreksel Justitiële Documentatie van 30 maart 2016 blijkt immers dat de verdachte op 15 oktober 2007 – en derhalve vóór de pleegdatum van het onderhavige feit – onherroepelijk is veroordeeld door de politierechter in Dordrecht wegens overtreding van de Wegenverkeerswet en van de Wet aansprakelijkheidsverzekering. Het middel mist daarmee feitelijke grondslag.

24. Het middel faalt.

25. Alle middelen falen. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?