Frühere Namen
- [I] AG (01.01.96 - 30.01.00)
Status: Aktiv
Rechtsform: Aktiengesellschaft
31. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een overeenkomst van geldlening van 2 januari 2001 (ordner 7, bijlage 153), zakelijk weergegeven, inhoudende:
Op 20 oktober 2000 heeft [G] N. V. als enig oprichtster van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Nederlands recht [F] B.V. opgericht waarbij ten tijde van de oprichting de door [G] gehouden aandelen in [D] zijn ingebracht onder de gehoudenheid dat [F] B.V. met ingang van 20 oktober 2000 de verplichtingen van [G] volledig van [G] overneemt.
[F] B.V. verklaart wegens te leen ontvangen gelden schuldig te zijn aan B.V. [C] een bedrag van fl. 9.863.282,-
(...)
Aldus overeengekomen op 2 januari 2001
(...)
[F] B.V. [G]
door: [G] N.V. door: [verdachte]
door [verdachte]
32. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een brief aan de Belastingdienst Roermond/Ondernemingen van 12 december 2002 (ordner 6, bijlage 152 sub bijlage 4), zakelijk weergegeven, inhoudende:
Inleiding
Op 18 februari 2002 heeft [J] B.V. 100% -/- 1 aandeel van de aandelen [D] BV verworven.
33. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 22 maart 2012 van de meervoudige kamer in de rechtbank Zutphen, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
U vraagt mij naar de overeenkomst van geldlening waarin [G] geld schuldig zou zijn aan B.V. [C] . Er was sprake van een akte van cessie, maar de titel daarvoor bleek afwezig. Waarom zou je een vordering cederen, zonder daar iets voor terug te krijgen. Op basis daarvan heb ik de stelling ingenomen dat er een overeenkomst van geldlening moest bestaan tussen B.V. [C] en [G] . Dit moest nader geformaliseerd worden en daarom is de overeenkomst van geldlening opgemaakt.”
13. Daarnaast bevat het arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, nog de volgende overwegingen:
“Feiten
[C] B.V. heeft blijkens de akte van levering haar aandelen [D] BV overgedragen aan [G] . Blijkens artikel 3 in de akte van levering is [G] de koopsom schuldig gebleven. Blijkens een overeenkomst van geldlening, heeft [C] B.V. aan [G] een bedrag ter hoogte van fl. 33.000.000,- geleend, daarbij overwegende: “voor het schuldig blijven van de koopsom”.
Bij akte van cessie van dezelfde datum als de akte van levering is door [C] B.V. een vordering ter hoogte van fl. 33.000.000,00 op [G] overgedragen aan [I] AG. Met ingang van 1 februari 2000 is de naam [I] AG gewijzigd in [H] AG (hierna: [H] ).
[G] heeft de aandelen [D] BV op 20 oktober 2000 overgedragen aan [F] BV. [F] BV heeft de aandelen vervolgens op 18 februari 2002 verkocht aan [J] BV, met als koopsom de overname van (onder meer) de (rest)schuld van [F] BV aan [C] B.V., welke zou blijken uit een overeenkomst van 2 januari 2001.
Op de vordering van [H] zijn kennelijk afbetalingen gedaan door [F] BV, waarna per 7 mei 2001 voor [F] een schuld tot een bedrag van fl. 9.853.282,- resteerde.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat de overeenkomst van geldlening vals is, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Beoordeling door het hof
Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de overeenkomst van geldlening tussen [C] B.V. en [G] d.d. 24 november 1999 (bijlage D-127) op zijn initiatief is opgemaakt, in de veronderstelling dat er anders geen vordering op [G] zou bestaan, nu [G] de koopsom voor de geleverde aandelen [D] BV schuldig zou blijven.De overeenkomst van geldlening d.d. 2 januari 2001 is mede door hem, namens [G] en [F] BV, ondertekend.
Het hof merkt op dat, gelet op het feit dat [C] B.V. het geld dat [G] aan haar schuldig was vervolgens aan [G] heeft geleend, de vordering ter zake de koopsom op [G] is voldaan, er enkel een vordering ter zake de overeenkomst van geldlening op [G] is blijven bestaan.
Voorts stelt het hof vast dat [C] B.V. de vordering op [G] heeft gecedeerd aan [I] AG, waarvan met ingang van 1 februari 2000 de naam is gewijzigd in [H] AG ( [H] . Vanaf die datum had [H] (v.h. [I] AG) een vordering op [G] ter zake eerdergenoemde overeenkomst van geldlening.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen had [G] deze schuld niet aan [C] B.V., doch aan [H] . Een vermelding van een schuld aan [C] B.V. ter hoogte van laatstgenoemd bedrag als titel voor de overeenkomst van geldlening d.d. 2 januari 2001 is derhalve niet juist.
Daarmee heeft verdachte een onjuiste voorstelling van zaken gegeven en bekrachtigd in een stuk dat is opgemaakt om als bewijs te dienen.
Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het onder dit feit ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt.”
14. Art. 225, eerste lid, Sr luidt:
“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
15. Het gaat bij het onder 4 bewezenverklaarde blijkens de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden om het volgende. [C] B.V. (hierna: [C] ) verkoopt voor 33 miljoen gulden aandelen [D] BV (hierna: [D] ) aan [G] N.V. (hierna: [G] ). Om de koopsom te voldoen, leent [C] op 24 november 1999 dit bedrag aan [G] (bewijsmiddel 28). Het hof stelt ten aanzien hiervan vast dat hiermee de vordering ter zake van de koopsom op [G] is voldaan en dat een vordering ter zake van de overeenkomst van geldlening op [G] is blijven bestaan. Deze vordering wordt op diezelfde dag gecesseerd aan [I] AG (hierna: [I] ), per 1 februari 2000 [H] AG (hierna: [H] ; bewijsmiddel 29 en 30). Op 20 oktober 2000 worden de aandelen [D] overgedragen aan [F] BV (hierna: [F] ), welke aandelen vervolgens op 18 februari 2002 worden verkocht aan [J] VB (hierna: [J] ; bewijsmiddel 31 en 32). De verdachte heeft op 2 januari 2001 een overeenkomst van geldlening ondertekend, waarin staat vermeld dat [F] wegens te leen ontvangen gelden een bedrag van fl. 9.863.282 schuldig is aan [C] (bewijsmiddel 31). Dit bedrag zou de (rest)schuld betreffen van [F] aan [C] . De verdenking is dat deze overeenkomst valselijk is opgemaakt, omdat het een schuld van [G] aan [H] (en niet aan [C] ) betrof. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor valsheid in geschrift.
16. Voor een veroordeling ter zake van art. 225, eerste lid, Sr is onder meer vereist dat de verdachte een geschrift (dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen) valselijk opmaakt of vervalst. Het opzet zit ingeblikt in de term valselijk opmaken. Gelet op de bewijsvoering acht ik het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op het valselijk opmaken van de overeenkomst van geldlening niet onbegrijpelijk. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de overeenkomst van geldlening heeft ondertekend, waarin staat vermeld dat [F] verklaart een bedrag van bijna 10 miljoen gulden schuldig te zijn aan [C] . Met deze handtekening heeft de verdachte, die toentertijd werkzaam was als directeur van accountantskantoor [B] , de juistheid van deze overeenkomst bevestigd. Uit de tot het bewijs gebezigde cessie-akte blijkt evenwel dat deze vordering was gecesseerd aan [I] , die later handelde onder de naam [H] . Het hof heeft kennelijk niet getwijfeld aan de juistheid en geldigheid van deze akte van cessie. De tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte houdt in dat hij wetenschap had van deze akte van cessie. Door desondanks de overeenkomst van geldlening tussen [C] en [G] te ondertekenen, heeft de verdachte de overeenkomst van 2 januari 2001 valselijk opgemaakt. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
17. Het middel faalt.
18. Het derde middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 7 en behelst de klacht dat er geen enkel bewijsmiddel is waaruit blijkt dat in het aangiftebiljet vennootschapsbelasting betreffende het jaar 2002 een verlies op aandelen werd opgegeven van ongeveer € 1.626.895,-.
19. Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezen verklaard dat:
“ [medeverdachte 2] op 3 maart 2003 en/of 3 maart 2004, althans op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode maart 2003 tot en met maart 2004, in de gemeente Lelystad en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over de jaren 2001 en/of 2002, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Lelystad, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in het aangiftebiljet betreffende het jaar 2001 (zakelijk weergegeven) ten onrechte een bedrag van ongeveer Euro 56.876,-, aan verlies op aandelen werd opgegeven en/of ten onrechte een negatief belastbaar bedrag of een te hoog negatief belastbaar bedrag werd vermeld, en/of in het aangiftebiljet betreffende het jaar 2002 (zakelijk weergegeven) ten onrechte een bedrag van ongeveer Euro 1.626.895,-, aan verlies op aandelen werd opgegeven en/of ten onrechte een negatief belastbaar bedrag of een te hoog negatief belastbaar bedrag werd vermeld, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);”
20. Het hof heeft onder “Overweging met betrekking tot het bewijs” – voor zover hier van belang - het volgende vastgesteld:
“Ten aanzien van de feiten 7 en 8
Het verwijt dat verdachte [verdachte] wordt gemaakt komt er kortweg op neer, dat hij ten onrechte in privé geleden verliezen op aandelentransacties zakelijk bij [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) heeft geboekt en als zodanig in de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2001 en 2002 heeft verwerkt, waardoor er bij [medeverdachte 2] te weinig vennootschapsbelasting is geheven (feit 7).
Voorts is er het verwijt dat hij ten onrechte het door hem in privé genoten voordeel door voormelde boekingswijze niet in zijn aangifte inkomstenbelasting over het j aar 2002 als dividenduitkering heeft verwerkt, waardoor bij hem te weinig inkomstenbelasting is geheven (feit 8).
Feiten
Op 3 maart 2003 en 3 maart 2004 zijn door de belastingdienst de aangiftes Vennootschapsbelasting 2001 respectievelijk 2002 van [medeverdachte 2] ontvangen (bijlage 21b resp. 21c). Tevens bevindt zich in het dossier als bijlage bij documentbijlage 25 een op 5 maart 2004 gedagtekende en ondertekende concept aangifte inkomstenbelasting 2002 ten name van verdachte.
Verdachte had vanaf april 1996 een rekening-courant met beleggingsportefeuille onder nummer [001] bij [A] (hierna: het account [001] ) (bijlage 37). In 1999 is bij akte van huwelijksvoorwaarden van 29 juni 1999 het effectendepot van verdachte bij [A] aan zijn echtgenote, [betrokkene 1] , toebedeeld (bijlage 38). Ingevolge een overeenkomst tussen verdachte en zijn echtgenote van juli 1999 is dat effectendepot weer aan verdachte overgedragen, met dien verstande dat het account [001] op naam van [betrokkene 1] bleef staan in verband met eventuele aansprakelijkstelling van verdachte door derden (bijlage 39). Op 8 december 1999 is verdachte door [betrokkene 1] gemachtigd in het kader van het account [001] alle rechtshandelingen te verrichten (bijlage 40). Op 8 januari 2000 is een overeenkomst gesloten tussen [B] B.V. (nu geheten: [medeverdachte 2] ), [betrokkene 1] en verdachte, waarbij onder meer is bepaald dat [betrokkene 1] meewerkt aan aankoop van effecten voor rekening en risico van [B] B.V. via de op haar naam staande rekening (bijlage 41).
In maart en mei 2002 zijn door verdachte vanuit [medeverdachte 2] bedragen tot in totaal bijna twee miljoen euro overgeboekt naar een privé bankrekening van [betrokkene 1] . Vanaf die rekening is in juni en juli 2002 een bedrag van in totaal € 2.100.000,- op account [001] overgeboekt. Verdachte heeft in juni en juli 2002 effecten met het geld van account [001] gekocht. In september 2002 is een rekening-courant/effectenrekening van [medeverdachte 2] bij [A] geopend onder nummer [002] (hierna: account [002] ).
Op 31 december 2002 hebben verdachte en [betrokkene 1] per fax (waarop achter de datum is vermeld als tijdstip: 10:42) aan [A] verzocht om aandelen, die waren aangekocht voor rekening en risico [medeverdachte 2] uit de portefeuille van [betrokkene 1] over te boeken naar de portefeuille [medeverdachte 2] , in verband met scheiding tussen privé en zakelijk (bijlage 58). Het betreft hier 88000 effecten ING, 15000 Philips (waarvan 5000 aankoop op 9 oktober 2000), 5000 ASML en 200 contracten call ING 20 oktober 2003). Nog dezelfde dag heeft verdachte per fax (waarop achter de datum is vermeld als tijdstip: 10:50) verzocht om een over-/terugboeking op 2 januari 2003 van account [002] naar account [001] (bijlage 60).
Uit de fiscale opgaven van [A] over het jaar 2002 is gebleken dat [medeverdachte 2] in 2002 op account [002] geen dividend uitgekeerd heeft gekregen, terwijl [betrokkene 1] op account [001] tot een bedrag van € 75.940,33 aan (binnenlands) dividend heeft uitgekeerd gekregen. In de aangifte inkomstenbelasting van [betrokkene 1] over 2002 is een bedrag van € 20.268,- opgenomen als ingehouden Nederlandse dividendbelasting (bijlage 86); in de aangifte vennootschapsbelasting van [medeverdachte 2] over 2002 is geen dividendbelasting opgenomen als voorheffing op te betalen vennootschapsbelasting.”
21. Het moet de stellers van het middel worden nagegeven dat het hof heeft nagelaten een bewijsmiddel of bewijsoverweging op te nemen waaruit uitdrukkelijk blijkt hoe het bewezenverklaarde bedrag van € 1.626.895 is opgebouwd. In de als bewijsmiddel 35 gebezigde aangifte vennootschapsbelasting 2002 van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en de daaraan gevoegde Winst en verliesrekening blijkt dat onder 19k als ‘Waarderingsvermindering van effecten’ een bedrag van € 83.014 is opgegeven voor het jaar 2002. Daarnaast is onder 20a1 een post ‘Buitengewone baten en lasten’ opgegeven ten bedrage van “- € 1.975.656”. Kennelijk heeft het hof het bedrag € 1.626.895 zo uitgelegd dat dit bedrag ten laste van de winst van [medeverdachte 2] is gebracht en dit de afwaardering ten bedrage van € 83.014 van de in 2000 aangekochte aandelen omvatte, alsmede het verlies ten bedrage van € 1.543.881 met betrekking tot de in 2002 aangeschafte aandelen die op andere wijze in de boekhouding is verwerkt. Daarbij wijs ik erop dat uit de overige bewijsmiddelen blijkt dat op naam van de echtgenote van de verdachte aandelen zijn aangeschaft (bewijsmiddel 42), deze aandelen feitelijk toebehoorden aan de verdachte (bewijsmiddel 37, 38, 39 en 40), in 2000 aandelen Philips zijn aangeschaft (bewijsmiddel 44 en 45), in 2002 in totaal voor een bedrag van € 2.746.253 aandelen zijn aangeschaft op naam van de echtgenote van de verdachte (bewijsmiddel 42), deze echtgenote € 2.100.000 van haar privérekeningen heeft overgeboekt naar haar account bij [A] (bewijsmiddel 42), op 31 december 2002 door de verdachte aandelen zijn overgeboekt naar [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 44), op 2 januari 2003 deze overboeking weer ongedaan is gemaakt tegen de slotkoers van 31 december 2002 (bewijsmiddel 45) en de getuige [getuige 1] , de Private Banker van de verdachte, heeft verklaard dat hij geen weet had dat het beleggen voor rekening en risico van [medeverdachte 2] plaatsvond (bewijsmiddel 37, 49 en 50).
22. De vraag die in cassatie voorligt, is of het ontbreken van een nadere motivering van het bewezenverklaarde bedrag van € 1.626.895 in dit geval tot vernietiging moet leiden. Ik meen dat dit niet het geval is. Daarvoor is allereerst van belang dat het in de bewezenverklaring opgenomen bedrag niet een (uiteindelijk) benadelingsbedrag betreft dat voor de straftoemeting in fraudezaken een maatgevende rol kan spelen. Vastgesteld kan worden dat in de strafmaatoverweging van het hof dan ook niet naar dit bedrag is verwezen. Verder wordt in cassatie niet bestreden dat de verdachte de verliezen op de aandelen heeft geboekt ten laste van [medeverdachte 2] .
23. Het voorgaande in combinatie met de omstandigheid dat in de schriftuur een toelichting ontbreekt met betrekking tot het belang bij het ingestelde beroep en het – rechtens te respecteren – belang, brengt mee dat de aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij de klacht.
24. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
25. Het vierde middel klaagt ten aanzien van feit 8 dat het oordeel van het hof dat in de aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2002 een bedrag van (ongeveer) € 139.890,- en/of ongeveer € 1.543.881,- totaal (ongeveer) € 1683.771,- had moeten worden opgegeven, onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.
26. Ten laste van de verdachte is onder 8 bewezen verklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode maart 2004 tot en met februari 2005, in de gemeente Lelystad en/of elders in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2002, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Lelystad, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die aangifte onder "inkomen box 2" een "0" werd opgegeven, terwijl daar een bedrag van (ongeveer) Euro 139.890,- en/of (ongeveer) Euro 1.543.881,- totaal (ongeveer) Euro 1.683.771,-, althans een bedrag had moeten worden opgegeven, en/of in die aangifte een te laag belastbaar inkomen werd opgegeven.”
27. Het middel borduurt voort op de in het derde middel vervatte klacht en houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet de bedragen kunnen volgen die de verdachte in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2002 had moeten opgeven. Deze klacht faalt gelet op hetgeen ik ten aanzien van het derde middel heb besproken. Daarbij wijs ik erop dat het in de bewezenverklaring genoemde bedrag van € 139.890,- is opgebouwd uit het verlies op in 2000 aangeschafte aandelen, zoals vermeld in onder post 19k (2002: € 83.014 en 2001: €56.876) van de als bewijsmiddel 35 opgenomen aangifte vennootschapsbelasting 2002.
28. Het middel faalt.
29. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid RO ontleende motivering.
30. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG