2. Bespreking van de incidentele vordering
[verweerders] voeren in hun verweerschriften aan dat Promneftstroy c.s. niet-ontvankelijk zijn in het principaal cassatieberoep, dan wel dat het cassatieberoep moet worden verworpen, omdat Promneftstroy c.s. geen rechtsmiddel hebben ingesteld tegen de arresten in de zaak met zaaknummer 200.002.104/02. Promneftstroy c.s. hebben in de procesinleiding namelijk uitsluitend cassatieberoep aangezegd in de zaak met zaaknummer 200.002.097/02. De procesinleiding vermeldt onder par. 1 ‘Bestreden arresten’ het volgende:
‘Eisers stellen cassatieberoep in tegen het tussenarrest van 21 juni 2016 (het “Tussenarrest”) en het eindarrest van 9 mei 2017 (het “Eindarrest”), gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam (het “hof”), in de zaak met zaaknummer 200.002.097/02, tussen eisers als tussenkomende partijen en [verweerders] als geïntimeerden (de “Arresten”)’.
[verweerders] betogen dat uitsluitend in zaak 200.002.097/02 (hierna: zaak 097) cassatieberoep is aangezegd en derhalve geen cassatieberoep in zaak 200.002.104/02 (hierna: zaak 104). Zij doen een beroep op het gebrek aan belang van Promneftstroy c.s., gelet op de bindende kracht van de beslissing van de arresten als gevolg van art. 236 lid 1 Rv in de zaak 104 tussen Promneftstroy c.s. en [verweerders] De beslissing in die zaak is identiek aan de beslissing uit de bestreden arresten in de zaak 097. De rechtszekerheid, in het bijzonder met betrekking tot de vraag of een rechtsmiddel aanhangig is of niet, verzet zich ertegen dat het cassatieberoep met een expliciete vermelding in de aanzegging in de procesinleiding van enkel zaak 097 eveneens een beroep in de zaak 104 inhoudt. Voorts verzet de rechtszekerheid zich ertegen dat het verzuim met een beroep op de deformaliseringsgedachte in het burgerlijk procesrecht na het verstrijken van de cassatietermijn hersteld kan worden. Herstel zou dan ook in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, aldus [verweerders]
In het verweerschrift zijdens [verweerder 2] wordt er bovendien nog op gewezen dat het bij de uitleg van een exploot, gelet op art. 3:59 BW in samenhang met art. 3:33 BW en 3:35 BW, aankomt op de vraag wat verweerders begrepen en redelijkerwijs behoorden te begrijpen op basis van hetgeen in het exploot is vermeld. Uit HR 22 oktober 2004 volgt dat hierbij een strenge maatstaf geldt. De aanzegging heeft een zelfstandige afbakeningsfunctie in het belang van de rechtszekerheid. In de onderhavige zaak, waarbij de aanzegging expliciet het zaaknummer van één van de twee zaken vermeldt, verzet de rechtszekerheid zich tegen een uitleg dat het beroep is ingesteld in beide zaken. Eén en ander leidt niet tot excessief formalisme (‘excessive formalism’) in de zin van de rechtspraak van het EHRM. Het gaat er in dit verband niet slechts om of in strijd is gehandeld met een nationale (procesrechtelijke) regel, maar of er ook daadwerkelijk inbreuk is gemaakt op hetgeen die regel beoogt te beschermen, aldus [verweerder 2] .
Bij de bespreking van het opgeworpen incident stel ik het volgende voorop. Het is vaste rechtspraak dat een zaaksvoeging op de voet van art. 222 Rv dan wel een informele rolvoeging niet afdoet aan de processuele zelfstandigheid van beide zaken. Deze zelfstandigheid houdt onder meer in dat de voeging niet tot gevolg heeft dat een bij één van de gevoegde zaken betrokken partij nadien partij is in de andere zaak. De processuele zelfstandigheid houdt eveneens in, dat in iedere zaak afzonderlijk een rechtsmiddel moet worden ingesteld.
Het gevolg van een voeging op de voet van art. 222 Rv is onder meer dat de procedures gelijktijdig worden behandeld en dat volstaan kan worden met één processtuk, zoals één memorie van grieven. Daarnaast kan in alle zaken tegelijk uitspraak worden gedaan bij één vonnis, arrest of beschikking. In het geval dat op grond van subjectieve cumulatie, voeging of rolvoeging bij één vonnis, arrest of beschikking in alle zaken tegelijk uitspraak wordt gedaan, mag bij één dagvaarding of één verzoekschrift, dan wel bij procesinleiding in het geval van digitaal procederen, een rechtsmiddel worden aangewend.
In de onderhavige zaak is op de procesinleiding in cassatie het KEI-regime van toepassing. Art. 407 lid 1 Rv bepaalt dat het beroep in cassatie wordt ingesteld door het indienen van een procesinleiding in dezelfde vorm en met dezelfde vereisten als in eerste aanleg, behoudens het bepaalde in de volgende leden van art. 407 Rv. Het tweede lid van art. 407 Rv bepaalt onder meer dat de procesinleiding, in afwijking van art. 30a lid 3, onder d, Rv, de omschrijving van de middelen behelst waarop het beroep in cassatie steunt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor de vaststelling van de omvang van het cassatieberoep de inhoud van het middel bepalend is. Hoewel de wet niet de eis stelt dat de eiser tot cassatie in de procesinleiding uitdrukkelijk dient te vermelden tegen welke uitspraak hij opkomt, pleegt de eiser dit wel aan de verweerder kenbaar te maken. Korthals Altes & Groen merken in dit verband op:
‘Onjuistheid en zelfs ontbreken van de aanduiding der bestreden uitspraak in de dagvaarding wordt ten gevolge van de buitenwerkingstelling van art. 111 lid 2 onder d Rv niet met nietigheid bedreigd. Een dergelijke misslag kan ten hoogste leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens onduidelijkheid van de middelen (…). In de regel zal de verweerder uit de geformuleerde klachten kunnen opmaken tegen welke uitspraak de voorziening is gericht’.
De verwijzing in dit citaat naar art. 111 lid 2, onder d, Rv moet thans onder het KEI-regime worden gelezen als een verwijzing naar art. 30a lid 3, onder d, Rv. Genoemd artikellid is krachtens art. 407 lid 2 Rv niet van toepassing in de procedure in cassatie.
Ingevolge art. 3:59 BW zijn op de uitleg van de dagvaarding dan wel de procesinleiding ingeval van digitaal procederen art. 3:33 BW en art. 3:35 BW van overeenkomstige toepassing. In het kader van de vraag in welke hoedanigheid een eisende partij optreedt, heeft de Hoge Raad overwogen dat ten aanzien van de uitleg in verband met de aard van het exploot en de belangen van de wederpartij strenge eisen moeten worden gesteld aan de duidelijkheid van de formulering van het exploot. Onder het KEI-regime is dit niet anders ten aanzien van de uitleg van de procesinleiding in cassatie.
In de onderhavige zaak hebben eisers tot cassatie en verweerders in cassatie in de twee zaken jegens elkaar identieke vorderingen ingesteld. Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, in één tussenarrest en één eindarrest een identieke beslissing gegeven met betrekking tot de identieke vorderingen in beide zaken. De middelen waarop het cassatieberoep steunt, bestrijden deze beslissing van het hof. De cassatiemiddelen zijn namelijk gericht tegen het identieke oordeel van het hof in beide zaken over dezelfde geschilpunten tussen partijen. Zij bestrijden in het bijzonder de beslissing van het hof dat de gevorderde verklaring voor recht door [verweerders] wordt toegewezen en de vorderingen van Promneftstroy c.s. worden afgewezen. In de procesinleiding in cassatie (onder 3, p. 2) staat vermeld dat Promneftstroy c.s. ‘tegen de arresten’ het in de procesinleiding uiteengezette middel van cassatie aanvoeren. De woorden ‘de arresten’ hebben in dit verband betrekking op zowel het tussenarrest als het eindarrest. In de conclusie (procesinleiding in cassatie onder 5, p. 114) vorderen Promneftstroy c.s. op grond van het cassatiemiddel de vernietiging van het desbetreffende tussenarrest en het eindarrest (‘de beide bestreden arresten’). Uit het voorgaande volgt dat de inhoud van het cassatiemiddel in het onderhavige geval voor de wederpartij en de rechter voldoende kenbaar maakt dat het beroep is ingesteld tegen de arresten van het hof in beide zaken.
Het ontbreken van de aanduiding van het zaaknummer van één van beide zaken in de aanzegging dan wel de omstandigheid dat het zaaknummer van één van de twee zaken expliciet is vermeld en het andere zaaknummer niet, dwingt mijns inziens niet tot de uitleg dat het cassatieberoep beperkt is tot de beslissing in de zaak waarvan het nummer wel is vermeld (zaak 097). Het cassatiemiddel laat, zoals volgt uit hetgeen ik hierboven heb geschreven, erover geen twijfel bestaan dat de (identieke) beslissing van het hof in beide zaken over de toe- en afwijzing van de (identieke) vorderingen, gedaan bij één tussenarrest en één eindarrest, wordt bestreden. De conclusie dat het beroep is ingesteld in beide zaken is dan ook, mede geplaatst in het licht van het procesverloop en het gevoerde processuele debat, niet in strijd met de uitlegregels die gelden voor een procesinleiding, die – mede gelet op de belangen van de processuele wederpartij – strenge eisen stellen. Ik wijs er in dit verband nog op dat zowel uit het tussenarrest als uit het eindarrest van het hof blijkt dat de zaken niet alleen nauwe samenhang vertonen maar ook processueel nauw verbonden zijn. Zo heeft het hof in het tussenarrest van 21 juni 2016 de incidentele vorderingen gezamenlijk besproken en merkt het hof op dat partijen ter comparitie ermee hebben ingestemd dat alle producties die door alle partijen in het geding zijn gebracht, als in beide zaken ingediend moeten worden beschouwd (rov. 5.1.4). Met ‘beide zaken’ bedoelt het hof zaak 097 en zaak 104. In het eindarrest van 9 mei 2017 heeft het hof de beide zaken (zaak 097 en zaak 104) gezamenlijk beoordeeld (zie rov. 4 onder het kopje ‘De verdere beoordeling in beide zaken’ en vanaf rov. 4.8 ‘Inhoudelijke beoordeling in de zaken na verwijzing (200.002.097/02 en 200.002.104/02)’), terwijl ook in het dictum van het eindarrest (onder 5) ten aanzien van Promneftstroy c.s. in beide zaken gelijkelijk uitspraak wordt gedaan.
Het bovenstaande wordt niet anders door hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 9 december 2011. In die zaak betrof het een situatie van twee afzonderlijke arresten van het hof en kon, gelet op het cassatiemiddel en de cassatiedagvaarding, niet worden aanvaard dat het cassatieberoep eveneens een cassatieberoep in de parallelzaak impliceerde. Ik citeer uit het arrest van de Hoge Raad:
‘3.3. (…). De omstandigheid dat de rechtsbetrekking die in het onderhavige arrest is beoordeeld, ook in geschil was in de parallelzaak, en dat daarover in die parallelzaak onherroepelijk is beslist, brengt ingevolge art. 236 lid 1 Rv mee dat laatstgenoemde beslissing tussen partijen bindende kracht heeft. Daarom heeft [eiser tot cassatie] geen belang meer bij de beoordeling van het in de onderhavige zaak aangevoerde middel. (…). De omstandigheden dat tussen beide zaken een nauwe samenhang bestond, dat ter rolle een zogeheten rolvoeging heeft plaatsgevonden, en dat in beide zaken op dezelfde datum arrest is gewezen, doen niet af aan de processuele zelfstandigheid van beide zaken. Voorts kan, (…), niet worden aanvaard dat het cassatieberoep in de onderhavige zaak een cassatieberoep in de parallelzaak impliceert, nu in de cassatiedagvaarding uitsluitend beroep in de onderhavige zaak is aangezegd. (…)’.
Dat het cassatiemiddel niet tegen alle overwegingen van het hof, in het bijzonder rov. 4.76 t/m 4.87 van het bestreden eindarrest, klachten richt, maakt het bovenstaande niet anders. Dat het middel ingesteld door Promneftstroy c.s., die in de appelprocedures zijn tussengekomen en in beide zaken een eigen vordering hebben ingesteld, geen klachten bevat die gericht zijn tegen de rechtsoverwegingen van het hof in het bestreden eindarrest die betrekking hebben op argumenten van [betrokkene 6] , ligt immers voor de hand.
Niet ter discussie staat dat het cassatieberoep in de onderhavige zaak tijdig is ingesteld. De rechtszekerheid, die ertoe dwingt dat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel niet mag worden overschreden, is hier dan ook niet in het geding. In de onderhavige zaak is, zo volgt onder meer uit art. 407 Rv, geen plicht geschonden waarop volgens de wet een nietigheidsanctie staat. Herstel van een gebrek dat met nietigheid wordt bedreigd, geplaatst in het licht van de deformaliseringstendens in de rechtspraak over nietigheden, is dan ook niet aan de orde.
Aangezien uit het voorgaande volgt dat het cassatieberoep is ingesteld in de beide zaken (zaak 097 en zaak 104), behoeft in het onderhavige geval niet te worden onderzocht of er sprake is van excessief formalisme in het kader van art. 6 EVRM.
De slotsom is dat de door [verweerders] opgeworpen incidentele vorderingen moeten worden verworpen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van de incidentele vorderingen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G