[eiser]
eiser tot cassatie,
(hierna: [eiser] ),
tegen
Enexis B.V.,
verweerster in cassatie,
(hierna: Enexis).
1. [eiser] heeft bij een op 12 maart 2018 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen procesinleiding met het opschrift “cassatiedagvaarding” beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof ‘s-Hertogenbosch van 12 december 2017 met zaaknummer 200.191.564/01. In dit arrest is bekrachtigd het bij verstek gewezen arrest van hetzelfde hof van 22 maart 2016, waarbij het hof het vonnis waarvan beroep heeft vernietigd en [eiser] heeft veroordeeld tot betaling aan Enexis van een bedrag van € 7.035,65, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
2 De procesinleiding is ingediend en ondertekend door mr. M.M. van der Marel, die geen advocaat bij de Hoge Raad is.
3 Bij brief van 13 maart 2018 is [eiser] door de griffie van de Hoge Raad onder meer bericht dat de procesinleiding niet is ingediend door een advocaat bij de Hoge Raad en dat dit verzuim kan worden hersteld doordat een advocaat bij de Hoge Raad alsnog dezelfde procesinleiding getekend indient binnen twee weken na de datum waarop de procesinleiding door de griffie van de Hoge Raad is ontvangen (i.e. uiterlijk op 26 maart 2018).
4 Tot op heden is door [eiser] geen procesinleiding ingediend die is ondertekend door een cassatieadvocaat. Zodoende is dit verzuim niet tijdig hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste van art. 407 lid 3 Rv, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid moet leiden.
5 Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal