“hij op 27 maart 2007 in de gemeente Lelystad toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie hem ter uitvoering van een onherroepelijk geworden vonnis, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste over te brengen naar het politiebureau te Lelystad, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig trappende bewegingen te maken in de richting van [verbalisant 2], waarbij hij de arm van [verbalisant 2] raakte, en zich te bewegen in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren hem trachtten te geleiden.”
Het hof heeft aan deze bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverweging gewijd:
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid tegen twee agenten van politie Lelystad, toen deze hem wilden aanhouden. Verdachte heeft in zijn schriftuur als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering, inhoudende de redenen van het door hem ingestelde hoger beroep, aangegeven dat hij zich niet schuldig acht aan het ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de agenten hem mee naar het bureau wilden nemen zonder daarvoor een reden te hebben opgegeven. Blijkens de verklaringen van verdachte in het dossier erkent verdachte dat hij zich heeft verzet tegen zijn aanhouding.”
5. Art. 359, derde juncto achtste lid, Sv - dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv eveneens in hoger beroep toepasselijk is - schrijft op straffe van nietigheid voor dat een arrest de bewijsmiddelen bevat, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.
6. Het aan de Hoge Raad toegezonden arrest bevat geen door het hof met betrekking tot de bewezenverklaring gebezigde bewijsmiddelen, noch – voor zover het hof is uitgegaan van een bekennende verdachte - een opgave van bewijsmiddelen. Voor zover het arrest is bedoeld als een verkort arrest, dat nadat een gewoon rechtsmiddel is ingediend nog dient te worden aangevuld met de bewijsmiddelen of een opgave van de bewijsmiddelen, ontbreekt een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, terwijl, gelet op art. 415, eerste lid, Sv, voor de appelrechter geldt dat aanvulling ook dient plaats te vinden indien het cassatieberoep meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld. Daarmee is de bewezenverklaring niet met redenen omkleed.
7. Het eerste middel slaagt en daarmee kan het tweede middel onbesproken blijven.
8. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. In cassatie bevindt zich een brief van de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 16 juni 2017, gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden. Deze brief houdt in:
“De bewijsmiddelen, noch het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, d.d. 14 oktober 2008, zijn uitgewerkt.
Reden:
Het griffiersmapje, inclusief de griffiersaantekeningen, dat in het Centrale Archief werd bewaard, is reeds vernietigd (zie aangehecht e-mailbericht van het Archief, locatie Leeuwarden, d.d. 30 mei 2017, gericht aan ondergetekende).
Het bijgevoegde verkorte proces-verbaal van genoemde zitting is dan ook opgemaakt naar aanleiding van de gegevens vermeld in het bijgevoegde verkorte arrest.”
9. Ingevolge deze brief doemt de vraag op of – vanwege een vernietiging van stukken – het hof na vernietiging en terugwijzing van de zaak nog tot een ander oordeel kan komen dan dat de inleidende dagvaarding nietig is of dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezenverklaard. In beide gevallen kan de Hoge Raad immers de zaak, mede gelet op de ouderdom daarvan, om doelmatigheidsredenen zelf afdoen en de inleidende dagvaarding nietig verklaren c.q. de verdachte vrijspreken. Een blik over de papieren muur laat echter zien dat de stukken van het geding in eerste aanleg, waaronder de inleidende dagvaarding en de processen-verbaal van politie, nog beschikbaar zijn, zodat ervan mag worden uitgegaan dat het hof na terugwijzing niet slechts tot het oordeel zal kunnen komen dat de inleidende dagvaarding nietig is of dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezenverklaard.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem, locatie Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG