ECLI:NL:PHR:2018:544

ECLI:NL:PHR:2018:544, Parket bij de Hoge Raad, 05-06-2018, 16/05290

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 05-06-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/05290
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:1950
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 5 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. 'Boiler room". Frauduleuze constructie waarbij beleggers worden overgehaald te investeren in waardeloze of nepaandelen. Witwassen art. 420bis Sr en oplichting art. 326 Sr. AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep ten aanzien van één van de tenlastegelegde oplichtingen gegrond te verklaren omdat de bewezenverklaring daarvan onvoldoende met redenen is omkleed.

Uitspraak

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren

De ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouw gevoerde verweren zullen per feit worden besproken, waarbij wordt aangevangen met de onder 2 ten laste gelegde oplichting.

Ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen vaststellen dat de geïnvesteerde gelden grotendeels niet in de Amerikaanse bedrijven zijn geïnvesteerd. Subsidiair heeft ze zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen die zijn vermeld op de tenlastelegging niet als oplichting kunnen worden gekwalificeerd. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw betwist dat de verdachte wetenschap van de vermeende oplichtingspraktijken heeft gehad. Nog meer subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat de verdachte geen opzet had op de ten laste gelegde gedragingen en tot slot zijn volgens de raadsvrouw de gedragingen van de verdachte, te weten het verkopen van aandelen, niet van dien aard geweest dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking om tot bewezenverklaring van medeplegen te komen.

Geïnvesteerde bedragen

Gelet op hetgeen hierboven onder de relevante feiten is vermeld, volgt het hof de raadsvrouw niet in haar primaire standpunt. Daaruit volgt voorts dat op de facturen die aan beleggers werden verzonden werd vermeld dat de kosten 2% bedroegen. Uit de getuigenverklaringen van [C] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] volgt dat zij ervan zijn uitgegaan dat dit percentage de commissie betrof die [A] in rekening bracht.(30) Slechts een zeer gering gedeelte van de door verkopers betaalde gelden (circa 10%) kwam ten goede aan de vennootschappen. Het dossier bevat geen aanwijzingen waaruit volgt dat beleggers hiervan op de hoogte zijn gebracht. Bovendien werden onder meer grote bedragen overgeboekt naar bankrekeningen van [A] dan wel rekeningen van [betrokkene 1] of aan hem gelieerde bankrekeningen en naar bankrekeningen van de verdachte.

Oplichting

Ook het subsidiaire standpunt van de verdediging dat de gedragingen die zijn vermeld op de tenlastelegging niet als oplichting kunnen worden gekwalificeerd, kan niet worden gevolgd. Zoals hiervoor onder de relevante feiten is vermeld, heeft [A] zich gepresenteerd als een bonafide bemiddelaar in aandelen. Particuliere beleggers, die woonachtig waren buiten Nederland, werden geïnformeerd dat zij konden beleggen in Amerikaanse aandelen, dat hun investeringen zouden worden gedaan vanuit de Britse Maagdeneilanden, dat zij 2% kosten betaalden en dat beleggers hun aandelen via [A] konden verkopen. In werkelijkheid werden de activiteiten van [A] vanaf september 2006 verricht in Amsterdam; slechts zeer geringe bedragen werden geïnvesteerd in Amerikaanse vennootschappen waarvan de financiële resultaten niet inzichtelijk waren voor de beleggers; uit het dossier blijkt niet dat de vennootschappen ondernemingsactiviteiten verrichten(31); aan de hand van persberichten werd beleggers positief nieuws verteld over de vennootschappen om hen te bewegen meer geld over te maken; de certificaten van aandelen werden gehouden op het kantoor onder het mom dat deze gemakkelijker konden worden verkocht, terwijl het bedrijfsbeleid er op was gericht om verkoop onmogelijk te maken. De aandelen bleken bovendien waardeloos te zijn. Tot slot werd gebruik gemaakt van valse namen om te voorkomen dat medewerkers van [A] getraceerd konden worden. De geraffineerde werkwijze van [A] , die wel wordt aangeduid als ‘boilerroom’, kan worden gekwalificeerd als oplichting.

Opzet

Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte al dan niet wetenschap heeft gehad van de oplichtingspraktijken zijn de volgende omstandigheden van belang:

- Gedurende de ten laste gelegde periode heeft de verdachte (telefonisch) contact gehad met beleggers en heeft hij op de bij [A] gebruikelijke wijze zo veel mogelijk aandelen verkocht(32);

- De verdachte was een gewaarschuwd man, nu hij wist dat opsporingsautoriteiten belangstelling hadden voor zijn vorige werkgever en de aldaar verrichte werkzaamheden. De verdachte was er, zo heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, ongeveer een jaar nadat hij zijn werkzaamheden bij [H] Ltd had beëindigd, mee bekend dat deze vennootschap werd verdacht van ‘boilerroom’ activiteiten(33). De werkzaamheden die de verdachte verrichtte in Dubai kwamen sterk overeen met de werkzaamheden die hij voor [I] en [A] ging verrichten.

- De verdachte wist dat [A] op een waarschuwingslijst over boilerrooms van de Irish Financial Services Regulatory Authority stond(34);

- De verdachte wist dat [betrokkene 1] gebruik maakte van een valse naam en dat aan beleggers werd voorgespiegeld dat de activiteiten van [A] vanuit de Britse Maagdeneilanden dan wel Londen werden verricht;

- De verdachte heeft de hem door [betrokkene 1] voorgelegde scripts, persberichten et cetera nimmer op welke wijze dan ook gecontroleerd. Hij heeft geadviseerd over de aankoop van aandelen zonder te beschikken over de financiële gegevens van de vennootschappen waarvan hij aandelen verkocht. Daarbij komt dat de inhoud van de scripts met elkaar in tegenspraak waren(35);

- De verdachte was ervan op de hoogte dat niet, zoals de beleggers dachten, op grond van de hen toegezonden factuur een fee van 2% werd ingehouden, maar dat [A] er beduidend meer aan verdiende. Dit volgt uit de omstandigheid dat hij aanvankelijk 7,5%, later 10% en in bepaalde gevallen 17,5% of zelfs 25% commissie ontving.(36) Het is onmogelijk dat dermate hoge provisies uit een remuneration fee van de vennootschappen werd vergoed, van welke afspraken tussen [A] en de vennootschapen zich overigens geen stukken in het dossier bevinden;

- Het bedrijfsbeleid van [A] was erop gericht de verkoop van aandelen zo veel als mogelijk tegen te gaan. De verdachte was daarvan op de hoogte en heeft daaraan bijgedragen;

- Uit een met [betrokkene 1] gevoerd telefoongesprek is af te leiden dat [betrokkene 1] en de verdachte met elkaar over een klant van [A] , [C] , spreken. Het gesprek luidt, voor zover hier van belang:[verdachte] : He sold his father’s company, that his father started up in 1951, and he sold it two years ago.[betrokkene 1] : So, he inherited the money.[verdachte] : Yeah.[betrokkene 1] : So, he is just pissing it all away, that’s perfect.[verdachte] : (laughing) Uhm…[betrokkene 1] : We are gonna end up with his father’s empire.[verdachte] : We’ll have our own empire.(37)Uit de inhoud van dit gesprek leidt het hof af dat de verdachte en [betrokkene 1] het voornemen hadden [C] zo veel mogelijk te laten investeren in door [A] verhandelde aandelen en hem aldus van de erfenis van zijn vader te ontdoen.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan het niet anders dan dat de verdachte wist dat de klanten van [A] werden opgelicht. Hij heeft investeerders welbewust overgehaald grote geldbedragen te investeren, terwijl hij, gelet op de daarvoor ontvangen exorbitante vergoedingen, wist dat het niet mogelijk was dat hun inleg (voor het overgrote deel) bij de betreffende bedrijven terechtkwam. In werkelijkheid werden klanten allerhande onwaarheden voorgehouden, waarvan de verdachte op de hoogte was, met de bedoeling verkoop van aandelen te belemmeren waardoor reeds uitgegeven aandelen niet of nauwelijks te gelde werden gemaakt.

Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen met betrekking tot het ten laste leggen van de oplichting een selectie van beleggers te maken. Uit het dossier blijkt dat de werkwijze van [A] er in het algemeen op gericht was beleggers onder valse voorwendselen te bewegen tot afgifte van geldbedragen. Dit was niet anders ten aanzien van niet in de tenlastelegging genoemde beleggers. Het hof gaat er dan ook vanuit dat alle commissie die de verdachte heeft ontvangen uit oplichting afkomstig is.

Medeplegen

De verdachte heeft in de hoedanigheid van verkoper aandelen aan klanten verkocht en met die klanten (al) het contact onderhouden. Gedurende de laatste periode was de verdachte zelfs de enig overgebleven verkoper bij [A] . Tijdens zijn dienstverband bij [A] heeft hij een omzet van ongeveer zeven miljoen Amerikaanse dollar behaald(38). Dat de rol van de verdachte essentieel is geweest, blijkt ook uit de omvang van de daarvoor door hem ontvangen provisie. De omstandigheid dat [betrokkene 1] hoger in de hiërarchie van [A] stond, doet niet af aan de wezenlijke bijdrage die de verdachte heeft geleverd. De verdachte heeft, naast de verkoop van aandelen, het informeren over persberichten die nog niet waren gepubliceerd en het belemmeren van het ten gelde maken van gekochte aandelen, de schijn opgehouden dat de activiteiten van [A] vanuit de Britse Maagdeneilanden werden verricht. Voorts was hij er mee bekend dat [betrokkene 1] zich van een valse naam bediende en heeft hij niets gedaan om te voorkomen dat beleggers werden ontdaan van grote sommen geld.

Gelet op het voorgaande staat voldoende vast dat de verdachte het ten laste gelegde in nauwe en bewust samenwerking met [betrokkene 1] heeft gepleegd. De verweren van de raadsvrouw worden verworpen en het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van feit 1

De verdachte heeft samen met anderen beleggers bewogen tot afgifte van grote geldbedragen in ruil voor aandelen in vennootschappen waarvan de waarde veel lager bleek te zijn dat de daarvoor betaalde bedragen en die niet verkoopbaar waren. De verdachte ontving daarvoor aanzienlijke bedragen in de vorm van commissies. Deze commissies werden volgens de verdachte betaald op een bankrekening die op zijn naam stond bij de Abbey Bank in Londen(39) en waren afkomstig van een bankrekening op naam van [I] (40).

Daarnaast ontving de verdachte van de Bank of America $ 227.000 op een bankrekening in Spanje voor een deal met [C] (41) en voor een deel met [D] heeft de verdachte een fee van $ 150.000 ontvangen van [A] (42).

Het merendeel van de stortingen op de bankrekening van [I] is afkomstig van de bankrekening van [E] bij de Bank of America(43). Ook de bedragen die aan de verdachte zijn betaald voor de deals met [C] en [D] zijn afkomstig van rekeningen waarop gelden zijn gestort die afkomstig waren van beleggers(44).

Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de gelden die door beleggers op Amerikaanse rekeningen zijn gestort in de vorm van betaling van commissies bij de verdachte terecht zijn gekomen. Deze commissies vormen de beloning voor de bijdrage van de verdachte aan de oplichting. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de door de verdachte ontvangen commissies dan ook onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf.

Dit brengt mee dat het hof de vraag dient te beantwoorden of de verdachte de ontvangen commissies voorhanden heeft gehad en daarvan de criminele herkomst heeft verhuld of verborgen (HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687). Het dossier biedt geen steun voor het oordeel dat de gedragingen van de verdachte (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verhullen of verbergen van de criminele herkomst van de commissies.

Ten aanzien van het overdragen en/of gebruik maken van geldbedragen afkomstig uit eigen misdrijf, is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de navolgende bedragen die hij als commissies heeft ontvangen, heeft witgewassen:

- € 207.000 door de aankoop van drie onroerende zaken in Spanje (in december 2006, mei 2007 en juli 2007)(45);

- € 65.000 door de overboeking van de bankrekening van [I] naar de bankrekening van de moeder van de verdachte(46);

- € 30.000 door de aankoop van een horloge, Rolex Daytona(47);

- € 15.000 voor een vakantie in Zweden(48);

- $ 30.000 voor de huur van een appartement in Londen(49);

- $ 60.000 voor aflossing van een lening(50).

Daarnaast heeft de verdachte bedragen witgewassen door voorschotten op zijn commissie te gebruiken voor zijn levensonderhoud en dat van zijn vrouw(51).

Ten aanzien van feit 3

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat het niet bevoegd zijn aandelen te verkopen, dan wel het niet kunnen leveren van aandelen, geen oplichtingsmiddel oplevert. Subsidiair heeft ze gesteld dat de verdachte geen wetenschap had over het daadwerkelijk leveren van de aandelen en de vraag of de investeringen bij [G] werden gestort. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft medegepleegd.

Het hof overweegt als volgt. Blijkens een brief van 1 december 2006(52), die door advocaten van [G] naar klanten van [A] met [G] aandelen is verstuurd, was [A] reeds twee jaren niet meer bevoegd [G] te vertegenwoordigen. [A] mocht derhalve niet (meer) in (nieuw uit te geven) [G] -aandelen handelen. Deze aandelen betroffen OTC-aandelen (over the counter), hetgeen met zich brengt dat deze - na afloop van de periode waarin een verkooprestrictie geldt - vrij verhandelbaar waren. De verdachte was bekend met een ruzie tussen [betrokkene 10] , eigenaar van [G] en [betrokkene 1] . De verdachte wist dat [betrokkene 1] een brief stuurde aan klanten waarin hij schreef dat [A] wel het recht had om aandelen [G] te verkopen(53).

[betrokkene 7] heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd om aandelen te verkopen in november 2006 en dat hij vervolgens door de verdachte is gebeld. De verdachte vertelde dat het geen goed moment was om de aandelen te verkopen en dat eerst meer geïnvesteerd moest worden om uiteindelijk de aandelen gemakkelijker te verkopen. [betrokkene 7] heeft vervolgens via [A] 12.000 - naar later bleek nooit bij [G] geregistreerde - aandelen gekocht, die uit “een soort depot” kwamen.(54) [betrokkene 7] kocht deze aandelen van [A] en heeft ze in november 2006 betaald aan [A] . Uit telefonische informatie bleek volgens Lernteg dat [G] niet bekend was met deze 12.000 aandelen. [betrokkene 7] heeft diverse keren geprobeerd zijn geld terug te krijgen van [A] maar [A] wilde de investering niet terugdraaien omdat ze bezorgd waren dat ze hun fee kwijtraakten. [betrokkene 7] heeft geprobeerd de verdachte te ontmoeten, maar dat is niet gelukt(55). Nu uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de 12.000 aan [betrokkene 7] afgegeven kopieën van aandelen geregistreerd waren bij [G] dan wel anderszins recht gaven op een deel van het eigen vermogen van dit bedrijf, acht het hof bewezen dat [A] op slinkse wijze [betrokkene 7] heeft bewogen om een bedrag van $ 37,149 over te maken naar Nat West Bank, ten name van [A] (56) zonder dat hij daarvoor aandelen kreeg die enige waarde [G] vertegenwoordigde.

[betrokkene 8] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij in 2003 de eerste aandelen [G] heeft gekocht, dat hij heeft geprobeerd aandelen te verkopen, maar dat dit niet is gelukt. In 2006 heeft hij opnieuw opdracht gegeven om aandelen [G] te kopen(57), maar in plaats daarvan kreeg hij aandelen [E] . Hij heeft aan [betrokkene 6] geschreven dat hij het daar niet mee eens was. [betrokkene 8] heeft daarna een advocaat ingeschakeld en geen zaken meer gedaan met [A] . Desgevraagd verklaart [betrokkene 8] dat hij daarna telefonisch is benaderd door [G] , dat zij aandelen van hem wilden kopen, maar dat hij dan eerst een bedrag van 10% van de na de verkoop te ontvangen verkoopprijs moest storten in een depot.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat niet kan worden bewezen dat de verdachte dit feit heeft medegepleegd overweegt het hof het volgende. [betrokkene 8] heeft weliswaar verklaard dat hem de naam [verdachte] niets zegt, maar uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op de hoogte was en deelnam aan de ten laste gelegde oplichting met betrekking tot de aandelen [G] . Uit een opname van een telefoongesprek(58) tussen [betrokkene 1] en de verdachte volgt dat de verdachte in nauwe samenspraak met [betrokkene 1] klanten, die vragen stelden over [G] , te woord stond. Als [betrokkene 1] in een telefoongesprek zegt dat de verdachte de klanten het standaardantwoord moet sturen, antwoordt de verdachte dat ‘we dat ook doen.’ Uit het vervolg van de weergave van dit gesprek leidt het hof af dat de verdachte tegen klanten die vragen stelden over [G] als standaardantwoord gaf dat alle [G] aandelen ‘zijn gestuurd naar [G] hoofdkantoor in USA en geplaatst zijn in het nieuwe bedrijf’. Dit antwoord kan niet anders worden omschreven dan als een leugen omdat de verdachte wist dat [A] niet mocht optreden namens [G] , [A] geen aandelen mocht verkopen voor [G] en niet kon weten waar de aandelen van [G] zich bevonden. De verdachte heeft [betrokkene 7] en [betrokkene 8] tezamen en in vereniging met anderen bewogen om meer aandelen [G] te kopen door onwaarheden te (laten) vertellen. Daardoor heeft de verdachte willens en wetens onjuiste informatie aan klanten medegedeeld, dan wel door anderen laten mededelen.

De verweren van de raadsvrouw slagen niet. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem onder 3 primair ten laste gelegde.

Het oordeel van het hof over het onder 4 ten laste gelegde

Het hof acht het onder 4 primair ten laste gelegde bewezen op grond van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2015 en het bij zijn fouillering onder hem aangetroffen document.(59)

Voetnoten

(1) Bijlage nr. 36848, D-114.

(2) AH/23, pag. 5.

(3) Bijlage nr. 36848 D/182

(4) Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, 6 november 2007, pagina 3.

(5) Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , G05-01, p 4-5.

(6) Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, 6 november 2007, pagina 3.

(7) G02-01, verhoor [betrokkene 7] .

(8) AH-103, pag. 1.

(9) AH-110, pag. 7.

(10) AH-109, pag. 2.

(11) AH-103, pag 2.

(12) AH-103, pag 3.

(13) Overzichtsproces-verbaal, pag. 6.

(14) AH-93, pag. 1.

(15) AH-110, pag. 7.

(16) AH-93, pag. 1.

(17) AH-93, pag. 1 ev.

(18) Proces-verbaal van verhoor verdachte, 28 november 2007, pag. 2; verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2015.

(19) AH-102.

(20) D-182.

(21) D-004.

(22) Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2015, blz. 6

(23) T2-52-3325; verhoor getuige [betrokkene 5] bij de rechter-commissaris van 8 december 2011, pag. 3

(24) Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2015.

(25) D-120 bevat drie scripts, getiteld: “Why haven’t you sold my shares???”, “Why is it so difficult to sell… They are my shares and I want to sell.. Blah Blah Blah (Whine … bitch)” en “I want to sell my stock”.

(26) T03-22-55, pag. 3

(27) AH-38; T03-24-877, pag. 1.

(28) T-03-12-412, pag. 5.

(29) AH-38, pag. 10.

(30) Verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris van 28 juni 2012, pag. 3, verhoor getuige [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris van 28 juni 2012, pag. 8 en 10, verhoor getuige [betrokkene 5] bij de rechter-commissaris van 8 december 2011, pag. 3, verhoor getuige [betrokkene 7] bij de rechter-commissaris van 29 augustus 2011, pag 3.

(31) OPV pag 14, de vennootschappen deden geen uitkeringen in contanten aan klanten/aandeelhouders.

(32) Verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris van 28 juni 2012, p. 3-4; Verhoor getuige [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris van 28 juni 2012, p. 10; verhoor getuige [betrokkene 5] bij de rechter-commissaris van 8 december 2011, p. 3.

(33) Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2016.

(34) D-008, pag. 1; verhoor van de verdachte V04-03, pag. 3-4.

(35) Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, V04-03, p. 3-4.

(36) Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2015, D-112, D-118.

(37) T02-12-525.

(38) AH-110, p. 48.

(39) V04-2, pag. 2.

(40) V04-3, pag. 1.

(41) V04-03, aanvullend op bij 2.4 vermelde verklaring, zie ook AH 101.

(42) V04-3, zie ook AH 101.

(43) AH-108, pag. 2.

(44) AH-108, pag 3.

(45) AH-101, pag. 24 en 25.

(46) AH-108, pag. 2.

(47) V04-03’; T2-12-508.

(48) T2-12-508; proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2015.

(49) V-04-03.

(50) T2-12-508; V04-03.

(51) Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2015.

(52) D-73.

(53) V04-05, pagina 4.

(54) G-02-01, derde pagina.

(55) G02-01.

(56) D-068/12.

(57) D-148-1; verhoor van getuige [betrokkene 8] , R-C 5 augustus 2011, pag 5 en 6, waar hij bevestigt dat hij in totaal 1,5 miljoen Zweedse Kronen heeft ingelegd en daar niets van heeft teruggezien.

(58) T04, nr. 690.

(59) D-119.”

6. Het eerste middel bevat een algemene klacht dat de verwijzing naar de bewijsmiddelen in het bestreden arrest onvoldoende nauwkeurig is om te kunnen beoordelen of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt, dan wel of de bewijsmiddelen niet zijn gedenatureerd.

Met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde heeft het hof volstaan met een opgave van bewijsmiddelen op grond van de tweede volzin van art. 359 lid 3 Sv. Deze opgave bestaat uit een verwijzing naar de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en een verwijzing naar het document met nummer D-119, zijnde kennelijk het document waarop het onder 4 bewezenverklaarde betrekking heeft. Naar mijn mening valt niet in te zien dat deze verwijzingen onvoldoende nauwkeurig zouden zijn. Voor zover het middel beoogt te klagen over de bewijsvoering ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde faalt het daarom.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde heeft het hof bij de bewijsmotivering de Promis-werkwijze gehanteerd. Deze werkwijze komt erop neer dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op een bewijsredenering waarin de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk is samengevat en waarin voor de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt, wordt verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend. In een dergelijk geval moet de verwijzing naar de bewijsmiddelen zo nauwkeurig zijn dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of de bewijsmiddelen niet zijn gedenatureerd.

Aan de klacht dat de verwijzing naar de bewijsmiddelen onvoldoende nauwkeurig is, is allereerst ten grondslag gelegd dat onduidelijk is welke feiten en omstandigheden het hof redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring, omdat het hof eerst de relevante feiten heeft besproken en vervolgens de gevoerde verweren en daarbij heeft verwezen naar onderdelen van het dossier zonder aan te geven of sprake is van een wettig bewijsmiddel.

Naar mijn mening is echter zonder meer duidelijk dat zowel de onder “Relevante feiten” weergegeven feiten en omstandigheden als de onder “Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren” weergegeven feiten en omstandigheden door het hof redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring. Verder heeft het hof zowel bij de weergave van de relevante feiten als bij de bespreking van de gevoerde verweren verwezen naar (specifieke pagina’s van) processen-verbaal en andere geschriften – die veelal zijn aangeduid aan de hand van het nummer van het betreffende document – alsmede naar de verklaringen die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft afgelegd. Mij is niet gebleken van verwijzing naar stukken die niet als wettige bewijsmiddelen kunnen worden aangemerkt.

Verder is aan het middel – bij wijze van voorbeeld – ten grondslag gelegd dat het hof bij het samenvatten van de relevante feiten in drie gevallen heeft nagelaten de vindplaatsen in het dossier te vermelden. Het is mij niet helemaal duidelijk wat de steller van het middel hiermee beoogt: de algemene klacht ondersteunen of drie specifieke deelklachten formuleren. Ik vat de genoemde voorbeelden op als drie deelklachten. Het betreft volgens de steller van het middel allereerst de volgende overweging:

“In september 2006 is een nieuw bedrijf in Amsterdam gestart, genaamd [A] LTD (hierna: [A] ). (…) De verdachte verkocht voor [A] (…) aandelen (…).”

Het hof heeft inderdaad verzuimd het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan het de eerste zin in deze passage heeft ontleend. Daarover klaagt het middel terecht. Maar tot cassatie hoeft dat mijns inziens niet te leiden. Het hof heeft namelijk elders in het bestreden arrest overwogen dat de verdachte op de bij [A] LTD (hierna: [A] ) gebruikelijke wijze zo veel mogelijk aandelen heeft verkocht, waarbij het hof heeft verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan het deze overweging heeft ontleend. Wat het belang ervan is dat uit de stukken blijkt dat het bedrijf [A] al op 8 februari 1995 is opgericht ontgaat mij. Gelet hierop mist de verdachte belang bij dit onderdeel van de klacht. Een nieuwe behandeling van de zaak op dit punt zal niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring leiden en in de schriftuur wordt geen melding gemaakt van een rechtens te respecteren belang van de verdachte bij deze klacht.

Verder heeft het hof volgens de steller van het middel nagelaten de vindplaats te vermelden van de navolgende overweging:

“Nadat klanten hadden betaald, ontvingen ze kopieën van aandelencertificaten. De originelen werden bewaard bij [A] en aan klanten werd verteld dat de certificaten op het kantoor bleven zodat ze snel zouden kunnen worden verkocht.”

In het arrest kan worden gelezen dat het hof in de eerstvolgende voetnoot, voetnoot 6, heeft verwezen naar pagina 3 van het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 6 november 2007. Dit proces-verbaal, waarbij het hof kennelijk het oog heeft gehad op het proces-verbaal van verhoor met codenummer V04-01, houdt op pagina’s 3 en 4 als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in:

“Nadat de klant betaald had, ontvingen zij een zogenaamde share-certificate, een aandelencertificaat. (…) De certificaten werden via [A] / [I] naar de klanten verzonden. De originelen werden bij [I] bewaard en de klant kreeg een kopie opgestuurd. Ik vertelde dit ook aan de klanten. Wij bewaarden de certificaten veilig en wij konden de aandelen snel verkopen als ze bij ons op kantoor lagen.”

Gelet hierop moet mijns inziens worden aangenomen dat als gevolg van een kennelijke misslag in voetnoot 6 enkel is verwezen naar pagina 3 van het proces-verbaal en niet tevens naar pagina 4 van dat proces-verbaal. Indien het arrest van het hof wordt gelezen met verbetering van deze misslag, komt aan dit onderdeel van het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.

Ook heeft het hof volgens de steller van het middel nagelaten de vindplaats te vermelden van de navolgende bewijsoverweging:

“Uit financiële gegevens van een drietal betrokken vennootschappen ( [E] , [F] en [J] ) is gebleken dat [A] miljoenen aandelen aan investeerders heeft verkocht. Het bedrag dat uiteindelijk op deze aandelen is gestort, varieert van € 0,06 tot € 0,061 per aandeel, terwijl [A] prijzen van € 5,00 tot € 8,50 voor dezelfde aandelen aan kopers heeft gefactureerd.”

Hier speelt hetzelfde als in het voorgaande voorbeeld. In de eerstvolgende voetnoot na deze overweging, voetnoot 10, heeft het hof verwezen naar pagina 2 van het proces-verbaal met codenummer AH-109. Een blik achter de papieren muur leert dat het hof de aangehaalde overweging niet alleen aan pagina 2 maar ook aan pagina 3 van dit proces-verbaal heeft ontleend. Het is daarom naar mijn mening zonder meer duidelijk dat het hof in voetnoot 10 als gevolg van een kennelijke misslag slechts heeft verwezen naar pagina 2 van het proces-verbaal en niet tevens naar pagina 3. Indien het arrest van het hof wordt gelezen met verbetering van deze misslag, komt ook aan dit onderdeel van het middel feitelijke grondslag te ontvallen.

Ten slotte is aan de klacht ten grondslag gelegd dat in de voetnoten niet de relevante delen uit bewijsmiddelen zijn opgenomen. Ik meen echter dat het middel hier een eis stelt die het recht niet kent, zodat het middel ook in zoverre tevergeefs is voorgesteld.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

7. Het tweede middel richt zich met vier deelklachten tegen de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder 2 tenlastegelegde.

De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde is aan te merken als witwassen ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering van het hof niet volgt dat de gedragingen van de verdachte (kennelijk) gericht waren op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de, uit eigen misdrijf afkomstige, geldbedragen.De tweede deelklacht houdt in dat het hof heeft overwogen dat het dossier geen steun biedt voor het oordeel dat de gedragingen van de verdachte kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verhullen en verbergen van de criminele herkomst, zodat de bewezenverklaring ten aanzien van het overdragen en/of het gebruik maken van deze geldbedragen zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

Deze deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet, wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, uit de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

In deze zaak heeft het hof echter bewezen verklaard het “overdragen” en “gebruik maken” van de geldbedragen. Op deze gedragingen heeft de hierboven genoemde rechtspraak van de Hoge Raad geen betrekking behoudens in het bijzondere geval dat het overdragen of gebruik maken van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. In een zodanig bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als witwassen, sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft.

Een dergelijk bijzonder geval doet zich in de regel voor in die gevallen waarin het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als “omzetten” of “overdragen” in de betekenis van art. 420bis lid 1 onder b Sr. In een dergelijk geval zal, om de betreffende gedragingen als witwassen te kunnen kwalificeren, sprake moeten zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat zich in deze zaak kennelijk een hiervoor bedoeld bijzonder geval voordoet, omdat het hof heeft overwogen dat het dossier geen steun biedt voor het oordeel dat de gedragingen van de verdachte kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verhullen of verbergen van de criminele herkomst van de commissies.

Ik ben van mening dat het middel berust op een verkeerde lezing van het arrest. Ik lees de laatstgenoemde overweging van het hof zo dat deze betrekking heeft op het ontvangen en voorhanden hebben van de commissies door de verdachte. Vervolgens heeft het hof gespecificeerd welke handelingen met deze ontvangen commissies moeten worden aangemerkt als overdragen en/of gebruik maken van de door de verdachte ontvangen gelden. Deze gedragingen bestaan uit het aankopen van onroerende zaken, het overdragen van een geldbedrag naar de bankrekening van de moeder van de verdachte, het aankopen van een horloge, een vakantie, het huren van een appartement, het aflossen van een lening en het gebruik van geldbedragen voor het levensonderhoud van de verdachte en zijn vrouw. Naar mijn mening valt niet in te zien dat hier geen sprake zou zijn van een wezenlijk verschil met verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen. De kwalificatie van het bewezenverklaarde als witwassen is daarom onjuist noch onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde ook overigens geen (nadere) motivering.

De eerste en de tweede deelklacht falen.

De derde deelklacht houdt in dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is, doordat het hof bewezen heeft verklaard dat het witwassen heeft plaatsgevonden in Amsterdam, terwijl in de bewijsoverwegingen wordt verwezen naar het overdragen en gebruik maken van geldbedragen in Spanje, Zweden en Londen.

In de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof ligt mijns inziens als oordeel van het hof besloten dat de verdachte de betreffende geldbedragen – die zijn overgedragen en/of gebruikt voor de aankoop van onroerende zaken in Spanje, een vakantie in Zweden en de huur van een appartement in Londen – in Amsterdam heeft overgedragen en/of daarvan in Amsterdam gebruik heeft gemaakt. In aanmerking genomen dat de verdachte blijkens de bewijsoverwegingen in Amsterdam woonde, komt dat oordeel mij geenszins onbegrijpelijk voor. Van innerlijke tegenstrijdigheid is daarom geen sprake.

Het middel faalt ook in zoverre.

De laatste deelklacht houdt in dat het bestreden arrest innerlijk tegenstrijdig is, omdat het onder 1 bewezenverklaarde door het hof is gekwalificeerd als ‘gewoontewitwassen’, terwijl het hof niet bewezen heeft verklaard dat de verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

“hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 4 november 2007 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, Spanje, Verenigd Koninkrijk (Engeland) en/of Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders voorwerpen, te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 965.000 dollar, althans enig(e) geldbedrag(en), (telkens) voorhanden gehad en/of overgedragen en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - middellijk of onmiddellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf”.

Daarvan is, zoals hiervoor reeds weergegeven, bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 mei 2006 tot en met 4 november 2007 te Amsterdam, geldbedragen heeft overgedragen en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf”.

Het hof heeft dit feit gekwalificeerd als “gewoontewitwassen”.

Art. 420bis lid 1 Sr luidde ten tijde van het bewezenverklaarde, voor zover hier van belang:

“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

(…)

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf.”

Art. 420ter Sr luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:

“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Gelet op het vorenstaande is de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde niet juist. De kwalificatie had immers moeten luiden: “witwassen, meermalen gepleegd”. Het middel is in zoverre dus terecht voorgesteld. Maar ook dat hoeft mijns inziens niet tot cassatie te leiden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf, het strafmaximum voor de bewezenverklaarde feiten – acht jaar – en de strafmotivering, kan de Hoge Raad namelijk volstaan met een verbeterde lezing van de kwalificatie.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

8. Het derde middel valt uiteen in twee klachten.

Allereerst klaagt het middel met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde dat het oordeel van het hof dat er sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid omdat [A] zich heeft voorgedaan als een bonafide bemiddelaar in aandelen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat de bewezenverklaring op dit punt onbegrijpelijk is. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het hof het zich presenteren als bonafide bemiddelaar in aandelen heeft aangemerkt als het aannemen van een valse hoedanigheid, terwijl het zich presenteren als bonafide bemiddelaar niet nader is uitgewerkt in de onder 2 tenlastegelegde feitelijke gedragingen en de wel tenlastegelegde feitelijke gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als het aannemen van een valse hoedanigheid.

De klacht berust, althans dat meen ik uit de toelichting op te maken, op de opvatting dat voor een bewezenverklaring van het aannemen van een valse hoedanigheid vereist is dat dit aannemen van een valse hoedanigheid in de tenlastelegging nader is feitelijk is omschreven. Daarmee stelt het middel mijns inziens echter een eis die het recht niet kent. In zijn arrest van 2 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1316, NJ 1999/368, overwoog de Hoge Raad namelijk dat het oordeel van het hof in die zaak dat aan de in de tenlastelegging opgenomen woorden “aannemen van een valse hoedanigheid” tevens feitelijke betekenis toekwam geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was.

Verder klaagt het middel dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het aannemen van een valse hoedanigheid in de tenlastelegging niet is uitgewerkt in een feitelijke gedraging.

Blijkens de toelichting op het middel wordt daarbij gedoeld op de volgende passage uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen:

“De rechtbank heeft vrijgesproken voor het oplichtingsmiddel valse naam (vanwege ontbreken causaal verband) en valse hoedanigheid (niet nader in feitelijke gedraging uitgewerkt). Verdediging vereist naar deze overweging.”

Het hof heeft dit onderdeel van de pleitnota kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk, zodat het middel ook in zoverre tevergeefs is voorgesteld.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

9. Het vierde middel klaagt allereerst dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat [C] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot de afgifte van geldbedragen, onvoldoende steunt op de in het arrest weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen en het hof heeft nagelaten opgave te doen van de redengevende feiten en omstandigheden die tot deze bewezenverklaring hebben geleid.

Voor bewezenverklaring van oplichting is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot een van de in art. 326 lid 1 Sr bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel 'beweegt' tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed. Of daarvan sprake is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Het hof heeft in de bewijsoverwegingen vastgesteld dat [A] zich heeft gepresenteerd als een bonafide bemiddelaar in aandelen en dat de geraffineerde werkwijze van [A] hierin bestond dat particuliere beleggers werden geïnformeerd dat zij konden beleggen in Amerikaanse aandelen, dat hun investeringen zouden worden gedaan vanuit de Britse Maagdeneilanden, dat zij 2% kosten betaalden en dat beleggers hun aandelen via [A] konden verkopen, terwijl in werkelijkheid de activiteiten van [A] vanaf september 2006 werden verricht in Amsterdam, slechts zeer geringe bedragen weren geïnvesteerd in Amerikaanse vennootschappen, het bedrijfsbeleid erop gericht was om verkoop van de aandelen onmogelijk te maken, de aandelen waardeloos waren en gebruik werd gemaakt van valse namen om te voorkomen dat medewerkers van [A] getraceerd konden worden. Deze werkwijze van [A] was er op gericht beleggers onder valse voorwendselen te bewegen tot de afgifte van geldbedragen, aldus het hof. Verder blijkt uit de bewijsoverwegingen dat deze werkwijze ook is gehanteerd tegenover [C] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . Het hof heeft immers onder verwijzing naar de verklaringen van [C] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] vastgesteld dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode contact heeft gehad met beleggers en hij op de bij [A] gebruikelijke wijze zo veel mogelijk aandelen heeft verkocht, waarmee het hof kennelijk heeft gedoeld op de geraffineerde werkwijze van [A] .

Daarmee heeft het hof het in zijn overwegingen besloten liggende oordeel, dat voldoende aannemelijk is dat [C] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , mede onder invloed van de door het aannemen van een valse hoedanigheid en het samenweefsel van verdichtsels in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken, zijn overgegaan tot de afgifte van de bewezenverklaarde geldbedragen en zijn bewogen tot de afgifte van de geldbedragen, toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt in zoverre.

Verder wordt erover geklaagd dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de beleggers niet door de genoemde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot de afgifte van geldbedragen.

Daarbij wordt gedoeld op de volgende passage uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen:

“Feit is dat cliënt in 2006 is gaan werker als verkoper voor [A] . [betrokkene 1] was toen al jaren bezig om [A] vorm te geven en de klanten van het bedrijf er van te overtuigen dat [A] een bonafide beleggingskantoor was. In de periode voordat [verdachte] werkzaam was bij [A] was er reeds voor een bedrag van 29 miljoen aan aandelen verkocht door [A] . De klanten hadden dan ook al jarenlange en kennelijk ook goede ervaring met [A] voordat zij aandelen kochten via cliënt. Kijkende naar de verklaringen van [C] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] lijkt het erop dat deze eerdere positieve contacten met [A] reden waren op wederom te investeren in [A] en niet zo zeer dat zij bewogen zijn tot het doen van nieuwe investeringen door de handelingen zoals vermeld in de tenlastelegging.”

Het hof heeft dit onderdeel van de pleitnota kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv en dat oordeel getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk, zodat het middel ook in zoverre tevergeefs is voorgesteld.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

10. Het zesde middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan oplichting, onvoldoende met redenen is omkleed.

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest, maar het medeplegen heeft afgeleid uit het feit dat de verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht. Volgens de steller van het middel heeft het hof daarom de bewezenverklaring van het medeplegen ontoereikend gemotiveerd, terwijl dat medeplegen ook niet zonder meer kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen.

Vooropgesteld moet worden dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking en die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat het hof er geen blijk van heeft gegeven de nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde te hebben onderzocht, berust het op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft blijkens de hiervoor onder 5.2 aangehaalde bewijsoverwegingen immers vastgesteld dat de rol van de verdachte essentieel is geweest en dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Dat kan in het licht van de overige overwegingen van het hof moeilijk anders worden verstaan dan dat het hof heeft geoordeeld dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om van nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken.

De hiervoor onder 5.2 weergegeven bewijsoverwegingen van het hof houden verder onder meer in dat de verdachte aan klanten van [A] aandelen heeft verkocht en met die klanten – waaronder [C] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] – contact heeft onderhouden. Daarbij wist de verdachte dat het niet mogelijk was dat dat de inleg van klanten voor het overgrote deel zou worden geïnvesteerd in aandelen. Verder heeft de verdachte er alles aan gedaan om klanten ervan te weerhouden hun aandelen te verkopen, terwijl tegenover klanten de indruk werd gewekt dat de aandelen vrij verhandelbaar waren. Ook heeft hij de schijn opgehouden dat de activiteiten van [A] vanuit de Britse Maagdeneilanden werden verricht. Daarbij heeft het hof vastgesteld dat de verdachte en [betrokkene 1] gezamenlijk het voornemen hadden om [C] zoveel mogelijk te laten investeren in door [A] verhandelde aandelen en [C] aldus van de erfenis van zijn vader te ontdoen.

Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het hof dat de verdachte een zodanige bijdrage heeft geleverd dat van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] kan worden gesproken naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. De bewezenverklaring van het medeplegen is aldus voldoende met redenen omkleed.

Het middel faalt.

11. Het zevende middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte en zijn mededaders opzettelijk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid hebben voorgewend dat [A] bevoegd en in staat was aandelen [G] aan [betrokkene 7] en [betrokkene 8] te verkopen en af te leveren, onvoldoende steunt op de in het arrest weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen.

De hiervoor aangehaalde bewijsoverwegingen van het hof houden in dat [A] – ik citeer het bestreden arrest – “niet (meer) in (nieuw uit te geven) [G] -aandelen” mocht handelen, maar ook dat deze aandelen na afloop van de periode waarin een verkooprestrictie gold vrij verhandelbaar waren. Uit de bewijsvoering van het hof kan niet volgen dat [betrokkene 7] en [betrokkene 8] is voorgehouden dat hen nieuw uit te geven aandelen [G] zouden worden verkocht, terwijl daaruit evenmin sluitend volgt dat [A] niet bevoegd en in staat was om te handelen in de vrij verhandelbare aandelen [G] .

Verder blijkt uit de overwegingen van het hof dat [betrokkene 7] en [betrokkene 8] geen aandelen [G] hebben ontvangen, maar daaruit kan mijns inziens nog niet worden afgeleid dat, zoals bewezen is verklaard, opzettelijk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid is voorgewend dat [A] bevoegd en in staat was aandelen [G] aan hen te verkopen en af te leveren. Het enkele feit dat [betrokkene 7] en [betrokkene 8] geen aandelen [G] hebben ontvangen, laat immers de mogelijkheid open dat [A] wel bevoegd en in staat was aandelen [G] te verkopen en af te leveren, maar dat niet heeft gedaan.

Het middel klaagt dan ook terecht dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte en zijn mededaders opzettelijk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid hebben voorgewend dat [A] bevoegd en in staat was aandelen [G] aan [betrokkene 7] en [betrokkene 8] te verkopen en af te leveren, onvoldoende steunt op de in het arrest weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen. De bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde is in zoverre onvoldoende met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

12. Het negende middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan de oplichting van [betrokkene 8] en [betrokkene 7] , onvoldoende met redenen is omkleed.

Blijkens de bewijsoverwegingen van het hof berust het oordeel dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander [betrokkene 8] en [betrokkene 7] heeft opgelicht in de kern op de vaststelling dat de verdachte willens en weten aan “klanten” onjuiste informatie heeft medegedeeld dan wel heeft laten mededelen met betrekking tot aandelen [G] . De bewijsvoering van het hof houdt echter niet in dat de verdachte aan [betrokkene 8] en [betrokkene 7] onjuiste informatie heeft medegedeeld dan wel heeft laten mededelen met betrekking tot aandelen [G] . Uit de bewijsoverwegingen en de daarin vermelde bewijsmiddelen blijkt niet méér dan dat de verdachte [betrokkene 7] ervan heeft proberen te weerhouden dat hij zijn aandelen [G] zou verkopen en er goed aan zou doen zijn pakket uit te breiden. Zowel [betrokkene 7] als [betrokkene 8] hebben blijkens de bewijsmiddelen waar het hof in zijn voetnoten naar verwijst vooral contact gehad met andere medewerkers van [A] of noemen niet met wie zij hebben gesproken. Uit de algemene vaststellingen van het hof kan mijns inziens niet volgen dat de verdachte aan de oplichting van [betrokkene 8] en [betrokkene 7] aangaande de handel in aandelen [G] een materiële of intellectuele bijdrage heeft geleverd van voldoende gewicht om van nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken.

De bewezenverklaring van het medeplegen is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

13. Nu het zevende en het negende middel naar mijn mening doel treffen, hetgeen dient te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde, zal ik het achtste middel, dat zich eveneens richt tegen de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde, onbesproken laten. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, dan ben ik, indien de Hoge Raad dat wenst, uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

14. Het zevende en negende middel slagen. Mocht de Hoge Raad daaraan toekomen, dan kunnen het eerste, tweede, derde, vierde, zesde en tiende middel met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan, mits de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde verbeterd wordt gelezen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?