ECLI:NL:PHR:2018:550

ECLI:NL:PHR:2018:550, Parket bij de Hoge Raad, 05-06-2018, 16/05537

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 05-06-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/05537
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:1814
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 7 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001840 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Beklagzaak ex art. 552a Sv. Gestolen auto. Gevolgen verzuim t.a.v. uitspraak in het openbaar conform art. 24 lid 1 Sv. Gedingstukken in vreemde taal. Samenloop van rechthebbenden, namelijk koper te goeder trouw en verzekeringmaatschappij die is getreden in rechten van de bestolene, in het licht van art. 3:86 lid 3 onder a en b BW. De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen.

Uitspraak

De officier van justitie verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik kan de raadsman volgen als hij zegt dat er geen akte is geweest. (…) Ik denk dat we om de formele bezwaren heen kunnen, maar ik weet niet of we de zaak inhoudelijk kunnen afdoen. (…)

De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

De zaak is vrij complex. Er moet marginaal getoetst worden op grond van een heel summier dossier. U kunt beide klaagschriften niet-ontvankelijk verklaren, omdat er te weinig informatie ligt. (…) De andere partij kan niet in het klaagschrift ontvangen worden, gelet op het formele bezwaar dat ik zojuist opgeworpen heb. (…)’’

De rechtbank heeft het klaagschrift ontvankelijk verklaard en daarbij, voor zover relevant, het volgende overwogen:

‘’(…) De raadsman van [klager] heeft in raadkamer aangevoerd dat het klaagschrift dat namens [A] is ingediend niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het klaagschrift niet conform de voorschriften van artikel 449 Sv is ingediend. De rechtbank verwerpt het door de raadsman aangevoerde formele verweer, nu artikel 449 Sv niet ziet op klaagschriften ex artikel 552a Sv. Artikel 552a Sv vereist enkel dat het klaagschrift schriftelijk (lid 2) ter griffie wordt ingediend (lid 3). Aan die voorwaarden is voldaan en zodoende kan het klaagschrift dat namens [A] is ingediend ontvangen worden. (…)

De raadsman van [klager] heeft zich in raadkamer - zakelijk weergegeven - primair op het standpunt gesteld dat de beide klaagschriften niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu het dossier te weinig informatie bevat om een beslissing te nemen. (…)

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende informatie bevat om tot een beslissing te komen over de teruggave van de in beslag genomen Audi. (…)’’

De steller van het middel voert aan dat de rechtbank het klaagschrift ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard aangezien het klaagschrift niet is ondertekend en de regels van art. 449 e.v. Sv wel van toepassing zijn.

Het oordeel van de rechtbank dat de regels van art. 449 e.v. Sv niet van toepassing zijn bij de indiening van klaagschriften ex art. 552a Sv, getuigt inderdaad van een onjuiste rechtsopvatting. Hoewel art. 552a Sv spreekt over ‘klaagschrift’ en de art. 449-451 Sv spreken over ‘bezwaarschrift’, moet er volgens de Hoge Raad vanuit worden gegaan dat de art. 449-451 Sv van overeenkomstige toepassing zijn. Een klaagschrift of beklag ex art. 552a Sv is naar zijn aard een bezwaarschrift en daarom een gewoon rechtsmiddel als bedoeld in art. 449 lid 3 Sv.

Het is echter de vraag of dit tot cassatie moet leiden. Naar mijn mening heeft de klager geen rechtens te respecteren belang bij deze klacht. De wel of niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift van [A] raakt immers de beoordeling van het klaagschrift van de klager niet. Ik begrijp wel dat het de klager erom te doen is te voorkomen dat de rechtbank de teruggave van de Audi aan [A] kan gelasten, maar ook als het klaagschrift van [A] niet-ontvankelijk zou zijn verklaard, was de rechtbank gehouden geweest zich te vergewissen of mogelijk aan een andere belanghebbende, in casu [A], een sterker recht toekomt dan aan de klager, alvorens tot teruggave van het inbeslaggenomen goed aan de klager over te gaan. Bovendien vereist de wet dat [A] als belanghebbende door de rechtbank in de gelegenheid moet worden gesteld te worden gehoord, alvorens een beslissing te nemen op het klaagschrift van de klager. Ik acht het niet aannemelijk dat de rechtbank tot een andere beslissing ten aanzien van de klager zou zijn gekomen, indien het klaagschrift van [A] niet-ontvankelijk zou zijn verklaard.

De eerste deelklacht is dus tevergeefs voorgesteld.

De tweede deelklacht richt zich tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift van [A] en tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift van de klager. De steller van het middel voert aan dat de rechtbank:

a) zijn oordeel heeft doen steunen op vreemdtalige stukken welke niet vertaald zijn;

b) ten onrechte is getreden in de beslechting van een civielrechtelijke eigendoms- en bezitskwestie;

c) de regeling van art. 3:86 BW “te veel” heeft genegeerd, mede gelet op hetgeen aan het klaagschrift ten grondslag is gelegd. Daarbij is volgens de steller van het middel relevant dat (ook) de officier van justitie heeft gesteld dat door de klager een redelijk beroep wordt gedaan op een koop te goeder trouw.

De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ongegrond en het klaagschrift van [A] gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

‘’(…) Maatstaf bij de beoordeling van de onderhavige klaagschriften is allereerst of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen in beslag is genomen. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaring of onttrekken aan het verkeer.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich in dit geval niet verzet tegen de beëindiging van het beslag. De rechtbank overweegt dat niet valt in te zien dat het beslag dient voort de duren voor het aan de dag brengen van de waarheid in de strafzaak of voor het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, hetgeen in beslag is genomen zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer.

De raadsman van [klager] heeft zich in raadkamer - zakelijk weergegeven - primair op het standpunt gesteld dat de beide klaagschriften niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu het dossier te weinig informatie bevat om een beslissing te nemen. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen Audi dient te worden terug gegeven aan [klager], nu hij de Audi te goeder trouw heeft gekocht. [klager] verdient daarom de bescherming van artikel 3:86 BW, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft in raadkamer aangegeven dat de zaak eerst strafrechtelijk moet worden afgedaan, voor er een beslissing dient te worden genomen over de teruggave van de Audi.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende informatie bevat om tot een beslissing te komen over de teruggave van de in beslag genomen Audi. Uit de stukken in het dossier blijkt dat Firma [B] eigenaar is geweest van de Audi. De Audi is op 28 augustus 2014 als gestolen geregistreerd. [A] heeft vervolgens op 21 oktober 2014 aan Firma [B] een bedrag van € 22.581,09 uitgekeerd en is daarmee eigenaar geworden van de Audi. Door [C] is, namens [A], een klaagschrift ingediend, met daarbij stukken waaruit blijkt dat [A] [C] heeft gemachtigd namens haar op te treden.

Uit het dossier blijkt voorts dat [klager] de Audi via internet heeft gevonden en op 4 november 2015 heeft gekocht van een Poolse man uit Schiedam.

Namens [klager] wordt een beroep gedaan op de bescherming van artikel 3:86 BW. De rechtbank is van oordeel dat [klager] die bescherming niet toekomt, nu hij de Audi via internet heeft gevonden en kennelijk van een particuliere verkoper heeft gekocht. Dit was anders geweest als hij de Audi in een winkel had gekocht. De rechtbank stelt vast dat revindicatie door de oorspronkelijke eigenaar mogelijk is, nu niet is voldaan aan de uitzonderingen genoemd onder artikel 3:86 lid 3 BW. Namens [A] wordt ook teruggave van de Audi gevraagd. De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen Audi dient te worden terug gegeven aan [A], die daar op het eerste gezicht een sterker recht op heeft dan [klager].

De rechtbank zal het klaagschrift dat namens [A] is ingediend gegrond verklaren en de teruggave van de Audi aan [A] gelasten. De rechtbank zal het klaagschrift van [klager] ongegrond verklaren.’’

De overwegingen van de rechtbank kunnen als volgt worden samengevat. De rechtbank is er klaarblijkelijk van uitgegaan dat de klager, [klager], de auto niet heeft verkregen van een vervreemder die in de uitoefening van zijn bedrijf handelde maar van een particulier. Op grond van art. 3:86 lid 3 BW komt in een dergelijk geval aan de benadeelde, in dit geval de verzekeringsmaatschappij [A] (die in de rechten is getreden van de oorspronkelijke eigenaar), het recht toe de auto als zijn eigendom op te eisen. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat [A] op het eerste gezicht een sterker rechter toekomt dan de klager [klager] en daarom teruggave van de auto moet worden gelast aan eerstgenoemde. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is naar mijn mening toereikend gemotiveerd.

Wat de klacht aangaat, dat de rechtbank zijn oordeel heeft doen steunen op vreemdtalige (Duitse) stukken welke niet vertaald zijn, geldt dat hierover ten tijde van de raadkamerbehandeling niet door de klager is geklaagd en in cassatie niet voor het eerst daartegen kan worden opgekomen. Bovendien leidt het gebruik van vreemdtalige stukken niet zonder meer tot nietigheid, maar alleen als daardoor de uitspraak onbegrijpelijk is. Waarom door het gebruik van vreemdtalige stukken de beschikking onbegrijpelijk zou zijn, wordt in cassatie niet toegelicht.

Daarnaast is de rechtbank, anders dan in de tweede deelklacht wordt betoogd, niet getreden in de beslechting van een civielrechtelijke eigendoms- en bezitskwestie. Uit het stelsel van de wet volgt dat strafvorderlijke beslissingen over eigendoms- en bezitsvragen civielrechtelijk geen bindend karakter hebben en ieders rechten ten aanzien van de voorwerpen onverlet laten. Bij een beslissing over de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt dus geen definitieve beslissing over eigendomskwesties gegeven en bestaat er voor de burgerlijke rechter nog steeds de mogelijkheid om een andersluidend (definitief) oordeel te geven. Ik vermag niet in te zien waarom dat hier anders zou zijn. De rechtbank heeft (slechts) geoordeeld dat aan [A] op het eerste gezicht een sterker recht toekomt dan aan de klager, hetgeen de rechtbank op basis van de vastgestelde feiten ook mocht aannemen.

Tot slot heeft de rechtbank de regeling van art. 3:86 BW niet genegeerd. Integendeel, de rechtbank heeft conform deze bepaling beslist door te oordelen dat aan de benadeelde, onderscheidenlijk de verzekeringsmaatschappij die in diens rechten is getreden, in dit geval een recht toekomt om het bezit van de zaak als zijn eigendom op te eisen omdat de uitzonderingsgronden in art. 3:86 lid 3 onder a en b BW niet van toepassing zijn. Anders dan het middel lijkt te veronderstellen, is in een dergelijk geval niet relevant of de klager de auto te goeder trouw heeft verkregen zodat de rechtbank dit in het midden mocht laten.

De tweede deelklacht faalt en daarmee ook het eerste middel.

7. De middelen falen en het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?