5. In art. 27 Sr is bepaald dat de rechter bij het opleggen van een tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of taakstraf beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de uitspraak (onder meer) in verzekering of voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Art. 27 Sr betekent voor een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf dat de in die bepaling bedoelde detentietijd in mindering wordt gebracht op de vrijheidsstraf, voor zover die wordt ten uitvoer gelegd. De civiele kamer van de Hoge Raad heeft daarover in een recent arrest klare wijn geschonken:
“Ingevolge art. 27 lid 1 Sr heeft de rechter bij het opleggen van tijdelijke vrijheidsstraffen de verplichting te bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit bevel tot aftrek van voorarrest ziet ook op de gevangenisstraf ten aanzien waarvan de rechter met toepassing van art. 14a Sr heeft bepaald dat die straf of een gedeelte daarvan onder voorwaarden niet zal worden tenuitvoergelegd.”
6. Het hof, dat de verdachte heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, heeft verzuimd toepassing te geven aan art. 27, eerste lid, Sr. Daarover klaagt het middel terecht.
7. Tot cassatie behoeft het voorafgaande evenwel niet te leiden. Ik zie geen grond af te wijken van de lijn in de rechtspraak van de Hoge Raad, die inhoudt dat ingeval is verzuimd toepassing te geven aan art. 27 Sr onvoldoende in rechte te respecteren belang bestaat bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Er bestaat immers de mogelijkheid tot het wijzen van een herstelarrest, terwijl in geval van het achterwege blijven van een herstelbeslissing, gelet op het hiervoor genoemde arrest van maart 2017, sprake is van een voor een ieder evidente vergissing op grond waarvan de uitspraak in die zin verbeterd moet worden gelezen, dat de bedoelde aftrek wel is bevolen. Bij de (eventuele) tenuitvoerlegging van de straf kan een redelijk handelend openbaar ministerie zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd.
8. In het licht van het voorafgaande, meen ik dat het middel strandt op het ontbreken van voldoende in rechte te respecteren belang.
9. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG