3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gedane aanhoudingsverzoek heeft afgewezen.
5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De rechtbank Maastricht heeft de verdachte op 20 juni 2012 op tegenspraak van het ten laste gelegde vrijgesproken.
(ii) Het openbaar ministerie heeft op 29 juni 2012 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
(iii) Een akte van uitreiking, gehecht aan de appeldagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 28 oktober 2013, houdt in dat de appeldagvaarding op 12 september 2013 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] in Leeuwarden en vervolgens, na niet te zijn afgehaald op het postkantoor, op 25 september 2013 is aangeboden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant. Een afschrift van de appeldagvaarding is op 25 september 2013 verzonden aan het voornoemde adres van de verdachte in Leeuwarden.
(iv) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 25 september 2013 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 5 augustus 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Leeuwarden.
(v) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2013 blijkt dat de verdachte aldaar niet is verschenen. Wel is de raadsman van de verdachte, W.R. Smeets, verschenen, die door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren. Hij heeft opgemerkt dat de verdachte wegens ziekte niet is verschenen. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, om de inhoud van aanvullende stukken met de verdachte te bespreken en eventueel naar aanleiding van die stukken onderzoekswensen te formuleren. Het hof heeft vervolgens de behandeling van de zaak aangehouden.
(vi) Op 27 januari 2014 is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet. Noch de verdachte noch diens raadsman is verschenen. Uit het proces-verbaal van deze terechtzitting blijkt dat de verdediging bij brief van 18 november 2013 heeft verzocht de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige te doen horen. Het hof heeft dat getuigenverzoek op de terechtzitting van 27 januari 2014 toegewezen en heeft de behandeling van de zaak aangehouden teneinde de stukken in de handen van de raadsheer-commissaris te stellen en [medeverdachte 1] als getuige te horen.
(vii) De oproeping van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 17 februari 2016 is op 12 januari 2016 tevergeefs aangeboden op het adres [b-straat 1] in Leeuwarden en vervolgens, na niet te zijn afgehaald op het postkantoor, op 26 januari 2016 aangeboden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant. Voorts is op 26 januari 2016 een afschrift van de oproeping verzonden naar het voornoemde adres van de verdachte in Leeuwarden.
(viii) De aan de oproeping gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 26 januari 2016 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 29 april 2015 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in Leeuwarden.
(ix) Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016 blijkt dat de verdachte aldaar niet is verschenen. Het proces-verbaal houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht, die verklaart dat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd is om namens de verdachte de verdediging te voeren, nu hij geen contact met zijn cliënt heeft kunnen krijgen.
(…)
In verband met de gewijzigde samenstelling van het hof wordt het onderzoek, dat ter terechtzitting van 27 januari 2014 werd geschorst, opnieuw aangevangen.
De raadsman deelt mede:
Ik weet niet waarom mijn cliënt niet ter terechtzitting aanwezig is. Om die reden verzoek ik uw hof om aanhouding van de zaak in het belang van de verdediging. Het gaat immers niet om een gering feit. Ik heb getracht mijn cliënt te bereiken op het adres [postcode] Leeuwarden, [b-straat 1]. Ik heb zijn moeder telefonisch gesproken. Zij heeft contact met hem en zij zou zijn telefoonnummer aan mij doorgeven. Deze heb ik echter nog niet mogen ontvangen.
De advocaat-generaal vordert dat het hof het verzoek tot aanhouding afwijst.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na beraad deelt de voorzitter als de beslissing van het hof mede, dat het hof het verzoek tot aanhouding van de strafzaak tegen verdachte afwijst, nu naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld niet in staat is om ter terechtzitting te verschijnen.”
6. Het op 17 februari 2016 ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van mr. Smeets tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.
7. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding (schorsing) van het onderzoek dient het hof een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
8. De steller van het middel bestrijdt niet dat de oproeping van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 17 februari 2016 rechtsgeldig is betekend. In de onderhavige zaak doet zich de situatie voor waarin de verdachte zonder opgave van reden niet ter terechtzitting is verschenen. Ook de raadsman tastte over de reden van de afwezigheid van zijn cliënt in het duister. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de lat voor het afwijzen van een aanhoudingsverzoek van de wel aanwezige raadsman onder deze omstandigheden niet hoog ligt. Daarbij speelt een rol dat van de verdachte die van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken, mag worden gevergd dat hij ook zelf stappen onderneemt om het aanwezigheidsrecht te effectueren. In gevallen waarin de verdachte van de zitting op de hoogte was maar zonder opgave van reden wegblijft, terwijl zijn raadsman wel ter terechtzitting verschijnt, kan bij de afwijzing van een aanhoudingsverzoek in de regel met een summiere motivering worden volstaan.
9. Mijn ambtgenoot Knigge merkte op dat de motivering van de afwijzende beslissing op een aanhoudingsverzoek bijna in alle gevallen als begrijpelijk wordt beoordeeld ingeval de verdachte na een rechtsgeldig betekende oproeping zonder opgave van reden niet ter terechtzitting verschijnt. Indien uit de omstandigheden van het geval al niet kan worden afgeleid dat de verdachte afstand van het aanwezigheidsrecht heeft gedaan, zal de hiervoor onder 7 genoemde belangenafweging in deze gevallen in de regel in het nadeel van de verdachte uitvallen en kunnen worden ingelezen in de afwijzende beslissing op het aanhoudingsverzoek.
10. Ook in gevallen waarin niet duidelijk is geworden of de verdachte wist dat er een zitting zou plaatsvinden, strandt een summier gemotiveerde afwijzende beslissing in cassatie zelden. Ik wijs in dit verband op een zaak waarin de raadsvrouwe tijdens de terechtzitting in hoger beroep naar voren had gebracht dat de verdachte er niet was en dat zij zich zorgen maakte. Zij voerde voorts aan dat de verdachte haar telefoon niet opnam, terwijl zij voorheen altijd goed bereikbaar was en verzocht om aanhouding teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van haar zaak aanwezig te zijn. Het hof wees het aanhoudingsverzoek af, omdat naar zijn oordeel niet was gebleken dat de verdachte niet in staat was om bij de behandeling aanwezig te zijn. De Hoge Raad verwierp het hierover klagende middel met toepassing van art. 81, eerste lid, RO. In een andere zaak had de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep tevergeefs getracht contact te krijgen met de verdachte en kenbaar gemaakt niet te weten of de verdachte op de hoogte was van de zitting, waarop hij om aanhouding verzocht. Het hof wees het aanhoudingsverzoek af. Aan die afwijzende beslissing legde het hof ten grondslag dat de verdachte was opgeroepen op alle van hem bekende adressen en dat de raadsman had gepoogd contact te zoeken met de verdachte, maar de verdachte desondanks niet was verschenen en evenmin schriftelijk contact had gezocht over de zitting. Daarop overwoog het hof dat niet was gebleken dat de verdachte gebruik wenste te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Ook het cassatieberoep in deze zaak werd met toepassing van art. 81, eerste lid, RO verworpen.
11. In de onderhavige zaak heeft het hof met de overweging dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte buiten zijn schuld niet in staat is om ter terechtzitting te verschijnen kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat een geldige reden van verhindering niet aannemelijk is geworden en dat er geen grond is om het belang van de verdachte bij een berechting in zijn aanwezigheid zwaarder te laten wegen dan de belangen die met een spoedige berechting en een goede organisatie van de rechtspleging zijn gemoeid. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
12. Bij het voorafgaande neem ik in aanmerking dat de raadsman geen reden heeft gegeven voor de afwezigheid van de verdachte, terwijl de oproeping voor de terechtzitting van 17 februari 2016 rechtsgeldig is betekend. Aan het voorafgaande doet niet af dat niet de verdachte, maar het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Uit het proces-verbaal van de eerste terechtzitting in hoger beroep (die plaatsvond op 28 oktober 2013) blijkt immers dat aldaar een door de verdachte gemachtigde raadsman aanwezig was, terwijl de verdachte op die zitting door ziekte afwezig was. Kennelijk was de verdachte er dus van op de hoogte dat tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep was ingesteld. Ten slotte wijs ik er nog op dat de raadsman zijn aanhoudingsverzoek slechts heeft gemotiveerd met de woorden dat aanhouding “in het belang van de verdediging” is en dat het “niet om een gering feit” gaat. De raadsman van de verdachte heeft daarmee niet aangegeven om welke reden de verdachte niet is verschenen en evenmin betoogd dat de verdachte bij de behandeling aanwezig wenst te zijn. In het licht van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, behoefde het oordeel van het hof geen nadere motivering.
13. Het middel faalt.
14. Het tweede middel bevat de klacht dat de inzendingstermijn in cassatie is overschreden.
15. Namens de verdachte is op 15 maart 2016 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 27 januari 2017 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden is overschreden. Dit brengt mee dat de opgelegde straf moet worden verminderd.
16. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG