ECLI:NL:PHR:2018:652

ECLI:NL:PHR:2018:652, Parket bij de Hoge Raad, 26-06-2018, 17/00705

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 26-06-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/00705
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:1762
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie plv. AG. Art. 41.2 Sr. Motivering verwerping verweer op noodweerexces. Strekt tot verwerping.

Uitspraak

Inbeslagneming

Plaats : [a-straat 1] Almere

Omstandigheden : in de kelderbox behorende bij de woning aan de [a-straat 1] te Almere is een tweetal scooters aangetroffen. Op het voetenstuk van de scooter van het merk Znen, kenteken [AA-00-BB], lag een zwartkleurig heft van een mes.

4. Een proces-verbaal werktuigsporen d.d. 14 augustus 2014, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] (pagina 219 tot en met 222):

Op 10 juli 2014 ontving ik van forensisch onderzoeker H. Dijs, twee voorwerpen:

A) een zilverkleurig afgebroken lemmet van een mes, aangetroffen achter een toiletgebouw op de IJmeerdijk te Almere en in beslag genomen onder goednummer PL0900-2014170110-1185347;

B) een afgebroken zwart kunststof heft van een mes, aangetroffen op een scooter in de schuur van verdachte [verdachte] en in beslag genomen onder goed nummer PL0900- 2014170110-1185347.

Resultaten

Bij vergelijking van de breukranden in lemmet [A] en de breukranden van het stukje metaal uit heft [B] bleek dat de randen onregelmatige vormen hadden, die tegenovergesteld gelijk waren.

Verder is er een overeenkomst in kleur en vorm zichtbaar van vuil, roestvorming welke zich in lemmet [A] en op het stukje metaal uit het heft [B] heeft gevormd, mogelijk ontstaan tijdens het reguliere gebruik.

Conclusie

Aan de hand van het vergelijkend soucheonderzoek concludeer ik, dat lemmet [A] en heft [B] eerder één geheel hebben gevormd.

5. Een letselbeschrijving betreffende [slachtoffer], door arts R W. Peters, werkzaam bij het Amsterdam Medisch Centrum, d.d. 4 juli 2014, pagina 217, zakelijk weergegeven inhoudende:

Omschrijving van het letsel

Wond rug links, tweemaal;

Wond rug/schouder rechts, eenmaal;

Wond behaarde hoofd, eenmaal;

Wond arm, onderarm rechts, tweemaal.

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 juni 2014, proces-verbaal nummer PL0900-2014170110-22, pagina 1014 e.v., zakelijk weergegeven inhoudende:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [voornamen verdachte]

Adres : [a-straat 1]

Postcode en plaats : [postcode] Almere

Ik ben 's middags op het strand geweest. Daarna heb ik boodschappen gedaan en ben ik naar huis geweest. Vervolgens ben ik weer naar het strand gegaan.

Ik had die avond een blowtje gerookt en Bacardi-cola gedronken.

Ik heb sms-contact gehad met [slachtoffer].

Ik zag dat [slachtoffer] uitstapte uit zijn auto. Ik zag dat hij de kofferbak opende en een soort Albert Heijn tas pakte. Ik hoorde dat er blikjes en flessen in de tas zaten. In zijn rechterhand had hij een kruissleutel, een sleutel om je autoband te verwisselen.

Hij kwam op mij afgelopen. Ik zag dat hij de tas met blikjes en flessen mijn kant op gooide waardoor de troep om mij heen lag.

Ik liep twee stappen naar achter en toen kon ik het mes pakken. Dit mes heb ik altijd bij mij.

Ik heb bovenhandse stekende bewegingen gemaakt.

7. De bijlagen bij het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 juni 2014, proces-verbaal nummer 2014170110-22, inhoudende schermafbeeldingen van sms-verkeer, pagina 1019 - 1023 (op pagina 1023 met name het bericht: "Kom je nog?).

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 13 november 2014, proces-verbaal nummer 6, documentcode 2014.1113.1259.7797 (los proces-verbaal), zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik was op 26 juni 2014 op het strandje in Almere.

Ik kwam rond 22.30 uur aan bij het strandje. Bij het eerste strandhuisje draaide ik het strandje op. Ik zag op de dijk een kleine zwarte auto staan die ik daar wel vaker had gezien. Toen ik het pad op reed richting het toiletgebouwtje hoorde ik muziek of geschreeuw uit die kleine auto komen. Ik reed drie meter en zette mijn scooter neer. Toen ik mijn helm afdeed, zag ik een meter voor het toiletgebouwtje een donkere man. Ik herkende deze man van vorige keren. Ik vroeg hem hoe het ging. Op dat moment kwam er een pijpje bier over mijn hoofd gevlogen vanuit de richting van de dijk. Ook zag ik dat er een witte tas vanaf de dijk werd gegooid.

Ik zag een man komen aanrennen. Het was een blanke man van tussen de 30 en 35 jaar oud met kort haar, rond de 1.80 m lang en een normaal postuur.

Het ging heel snel allemaal. Ik hoorde ze tegen elkaar schelden.

Ik zag toen dat de donkere man achter het toiletgebouwtje rende. Hij rende rechtsom. De blanke man rende achter hem aan. Ik zag ze toen niet meer. Ik hoorde ze wel schreeuwen achter het gebouwtje.

Ik heb mijn scooter achter de betonblokken gezet en ben teruggelopen naar de plek waar ik stond. Ik zag toen dat de situatie was omgedraaid. Ik zag namelijk dat de blanke man achter het huisje vandaan kwam gerend en door de donkere man werd achtervolgd. Ze kwamen dezelfde weg terug. Ik denk dat ze een halve of een hele minuut achter het huisje zijn geweest. Ik kon wel horen dat het geschreeuw achter het huisje gewoon doorging.”

6. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 23 januari 2017 houdt – voor zover relevant – het volgende in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging - zakelijk weergegeven:

Ik doe een beroep op noodweer dan wel noodweerexces.

Op grond van de verklaringen in het dossier is aannemelijk dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval door aangever van cliënt. Aangever heeft cliënt aangevallen met een kruissleutel. Client was in beginsel niet gewapend. Het gebruik van een mes was in de gegeven situatie gerechtvaardigd. Van noodweerexces kan ook sprake zijn als de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding reed is geëindigd. Daarvan is sprake als de verdachte de verweten gedraging pleegt vanwege een hevige gemoedsbeweging die bij hem teweeg is gebracht door die eerdere aanval. In dit scenario zijn de verwondingen pas toegebracht, nadat de confrontatie achter het badhuisje al was geëindigd. (…)”

7. Het arrest van het hof houdt – voor zover relevant – het volgende in:

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde/de verdachte

(…)

Beroep op noodweer

De verdediging heeft zich op noodweer dan wel noodweerexces beroepen.

Op grond van de verklaringen in het dossier is aannemelijk dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval door aangever jegens verdachte. In dit scenario zijn de verwondingen toegebracht achter het badhuisje. Aangever maakte tijdens de aanval gebruik van een wapen, te weten een kruissleutel. Verdachte was in beginsel niet gewapend. Het gebruik van een mes ter zelfverdediging was in deze situatie gerechtvaardigd, aldus de verdediging.

De raadsman voert daarnaast een noodweerexcesverweer. De rechtbank gaat ten onrechte uit van de situatie dat een beroep op noodweerexces niet mogelijk is wanneer de noodweersituatie reeds is geëindigd. Van noodweerexces kan immers ook sprake zijn als de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding reeds is geëindigd. Daarvan is sprake als de verdachte de verweten gedraging pleegt vanwege een hevige gemoedsbeweging die bij hem teweeg is gebracht door die eerdere aanval. In dit scenario zijn de verwondingen aldus pas toegebracht nadat de confrontatie achter het badhuisje al was geëindigd.

Wettelijk kader en jurisprudentie

Art. 41 Sr luidt:

1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.”

Volgens vaste jurisprudentie (Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456) moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven als een verdachte een beroep doet op noodweer(exces) of putatief noodweer. Hij zal dan moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De omstandigheid dat een verdachte de hem ten laste gelegde gedraging ontkent, hoeft niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.

In de rechtspraak zijn de eisen voor een geslaagd beroep op noodweer aldus ingevuld dat voor een verdedigingshandeling in de zin voor voornoemd artikel sprake moet zijn van 1. een aanranding, die 2. ogenblikkelijk en 3. wederrechtelijk is, 4. gericht is tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij 5. het doel van de verdediging noodzakelijk en 6. het verdedigingsmiddel geboden moet zijn.

De feitelijke toedracht valt - zakelijk weergegeven - als volgt te omschrijven:

Op 26 juni 2014 vindt er een ontmoeting plaats tussen verdachte en aangever op het strand aan de IJmeerdijk te Almere. Die avond vindt voor de ontmoeting langdurig telefonisch berichtenverkeer plaats tussen aangever en verdachte. Verdachte en aangever maken ruzie en de sfeer is provocatief. In één van de sms-berichten stuurt verdachte aangever het bericht met de strekking: “Kom je nog? (...)”. Aangever gaat naar het strand toe. Hij parkeert zijn auto en pakt een kruissleutel uit de kofferbak. Verdachte is dan al gedurende langere tijd op het strand en heeft joints gerookt en alcohol gedronken. Aangever loopt met de kruissleutel in zijn hand in de richting van verdachte. Verdachte staat dan bij het badhuisje. Aangever gooit een plastic boodschappentas, met daarin afval waaronder allerlei lege blikjes en flesjes, in de richting van verdachte. De inhoud van de tas valt in de buurt van aangever in het zand. Bij het badhuisje volgt een worsteling en verdachte rent achter het gebouw met aangever achter zich aan. Er vindt een schermutseling plaats waarbij wordt geschreeuwd (fase 1). Dan komen zij beiden achter het toiletgebouw vandaan en is het thans verdachte die aangever achtervolgt (fase 2).

Het hof verwerpt het beroep op noodweer. Gelet op de aard van de steekwonden - te weten op de rugzijde - zijn deze verwondingen toegebracht op het moment dat verdachte aangever achtervolgde (de tweede fase). Een beroep op noodweer (-exces/putatief noodweer) kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op de exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend. Op het moment waarop verdachte aangever steekverwondingen heeft toegebracht was de confrontatie tussen hem en aangever al beëindigd. Dat er mogelijk in een eerdere fase van de confrontatie een situatie heeft bestaan die als een aanranding kan worden aangemerkt, doet daaraan niet af.

Het hof verwerpt ook het beroep op noodweerexces. Het hof wil wel aannemen dat de emoties bij verdachte hoog waren opgelopen. Verdachte, die naar eigen zeggen onder invloed verkeerde van alcohol en weedgebruik, was al kwaad op aangever voordat het treffen op het strand tussen hen plaatsvond. Verdachte heeft - zoals uit het sms-verkeer genoegzaam blijkt - aangever welbewust bewogen naar het strand te komen. Niet aannemelijk is geworden dat deze hevige gemoedsbeweging in de kern zijn oorzaak vindt in de eerdere aanval dan wel schermutseling tussen aangever en verdachte in voorgenoemde eerste fase van de confrontatie.”

8. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het in art. 41, tweede lid, Sr vervatte noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle eisen voor noodweer is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Een beroep op noodweer(exces) kan niet worden aanvaard indien de gedraging van degene die zich op noodweer(exces) beroept noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Bij de beantwoording van de vraag of de gedraging het “onmiddellijk gevolg” was van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding, volgt dat de door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, hoewel ook andere factoren daaraan kunnen hebben bijgedragen.

9. In het onderhavige geval heeft het hof het beroep op noodweer verworpen door te overwegen – samengevat – dat de gedraging van de verdachte niet kan worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend. Het hof oordeelt dat uit de omstandigheid dat de verwondingen van de aangever zich op zijn rug bevinden, valt af te leiden dat die wonden zijn toegebracht op het moment dat de verdachte de aangever achtervolgde en dat – hoewel er mogelijk daarvoor een situatie heeft bestaan die als een aanranding kan worden aangemerkt – deze op dat moment was beëindigd. Gelet op hetgeen onder 8. is vooropgesteld, valt daarmee ook reeds het doek voor het beroep op noodweerexces. Het hof heeft voor de verwerping van dat beroep voorts overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de hevige gemoedsbeweging “in de kern zijn oorzaak vindt in de eerdere aanval dan wel schermutseling tussen aangever en verdachte in voorgenoemde eerste fase van de confrontatie.” Dit oordeel is, gelet op de door het hof vastgestelde voorafgaande ruzie en de provocatieve sfeer, niet onbegrijpelijk. Gelet op het voorgaande is de verwerping van het beroep op noodweerexces niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende overweging.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?