20. Het eerste middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring.
21. Het middel bevat de klacht dat het hof een verklaring van de aangever tot het bewijs heeft gebezigd die inhoudt dat hij door de verdachte is getrapt (bewijsmiddel 1, zie randnummer 5), terwijl de verdachte is vrijgesproken van het ten laste gelegde trappen (zie randnummers 3 en 4). De steller van het middel betoogt dat dit bewijsmiddel onverenigbaar is met de partiële vrijspraak ter zake van het trappen en dat derhalve de bewezenverklaring niet begrijpelijk is gemotiveerd. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk omdat de sliding van de verdachte door het slachtoffer kan zijn ervaren (het slachtoffer gebruikt de term gevoeld) als een trap.
22. Het eerste middel faalt.
23. Het tweede middel richt zich eveneens tegen de motivering van de bewezenverklaring.
24. Het middel klaagt dat het hof als bewijsmiddel 5 heeft gebruikt een geschrift zijnde een deel van de bijlage Aanvullende instructies veldvoetbal juli 2015 bij de Spelregels veldvoetbal 2016-2017 van de KNVB, terwijl niet begrijpelijk is gemotiveerd waarom dit geschrift redengevend is voor het bewijs, nu het bewezenverklaarde feit is begaan op 30 november 2014.
25. De aanvulling op het verkort arrest bevat de volgende nadere bewijsoverweging:
“Nadere bewijsoverweging
Het als bewijsmiddel 5 opgenomen geschrift heeft betrekking op de periode die ligt na de pleegdatum van het bewezenverklaarde feit. Nu de in dit geschrift opgenomen instructies van algemene aard zijn gaat het hof er zonder meer vanuit dat dergelijke instructies ook golden ten tijde van het bewezenverklaarde feit.”
26. Als bewijsmiddel 5 is een deel van de Aanvullende instructies opgenomen. In het door mij hiervoor geschetste kader zijn die instructies voor zover het een sliding tackle betreft volledig opgenomen (zie randnummer 14). Die instructies bevatten, zoals ik reeds opmerkte, slechts een verduidelijking van bestaande regels. De motivering van het hof dat de instructies van algemene aard zijn en dat er derhalve van kan worden uitgegaan dat dergelijke instructies ook golden ten tijde van het bewezenverklaarde feit, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk.
27. Het tweede middel faalt.
28. Het derde middel richt zich tegen de motivering van het bewezen verklaarde voorwaardelijk opzet.
29. Voor de beoordeling van de klacht zijn de volgende overwegingen uit een arrest van de Hoge raad van 29 mei 2018, ECL:NL:HR:2018:718 van belang:
“5.3.2.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552).
In de conclusie van de Advocaat-Generaal wordt de vraag opgeworpen of nadere algemene aanknopingspunten kunnen worden gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden sprake is van een aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld. Daaromtrent merkt de Hoge Raad het volgende op. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans".
De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.
5.3.3.
In zijn arrest van 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.”
30. Het hof heeft vooropgesteld dat de omstandigheid dat een gedraging die is verricht in een sport- of spelsituatie, geen zelfstandige factor bij de beoordeling van het ten laste gelegde opzet is, in die zin dat die omstandigheid tot een beoordeling aan de hand van andere maatstaven zou dienen te leiden, dan indien het gaat om een gedraging die buiten zo'n situatie is verricht. Dit aan het hierboven onder randnummer 18 geciteerde arrest van de Hoge Raad van 22 april 2008 ontleende uitgangspunt wordt door de steller van het middel terecht niet betwist.
31. Er wordt niet met zoveel woorden geklaagd dat het hof in de bestreden beslissing een onjuist criterium heeft gebruikt bij het bewijs van opzet. De klachten over de bewijsoverweging van het hof zijn mijns inziens vooral te verklaren uit de omstandigheid dat die bewijsoverweging geïsoleerd gelezen aanleiding kan geven tot misverstanden. Het kan niet zo zijn dat in de bewijsoverweging van het hof besloten ligt dat elke sliding tackle in beginsel mishandeling oplevert. De bewijsoverweging van het hof moet worden gelezen in de context van de in de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is immers volgens de zojuist geciteerde rechtspraak van de Hoge Raad afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
32. Wat blijkt nu uit de bewijsmiddelen over de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht? De door de verdachte ingezette actie is volgens zijn eigen voor het bewijs gebruikte verklaring ingezet vanuit de positie (a) schuin achter het slachtoffer, de verdachte verklaart zowel de bal (b) als de man te hebben gespeeld, terwijl (c) er lichamelijk contact was waarbij hij een klein zetje heeft gegeven en de actie volgens hem (d) van dichtbij werd ingezet omdat het veld zo slecht was dat hij niet kon glijden. Uit bewijsmiddel 4 blijkt als eigen waarneming van het hof nog dat bij het inzetten van de schouder een kleine schouderduw is gegeven.
33. Als de feitelijke vaststellingen (a) t/m (d) worden gelegd naast de Aanvullende instructies is de sliding onmiskenbaar onreglementair. Een sliding die dat in zekere zin nooit kan zijn omdat de verdachte er voor kiest niet te glijden (“to slide”), omdat dit onmogelijk was door de toestand van het veld. Een sliding schuin van achteren. Een sliding niet alleen volgens eigen zeggen van dichtbij, maar die zelfs van heel dichtbij heeft plaats gevonden omdat bij het inzetten van de sliding een zetje/schouderduw kan worden gegeven. Er is niet alleen sprake van een ‘sliding’, maar ook van nog ander lichamelijk contact (zetje/schouderduw). In de termen van het eerder besproken kader van de KNVB is dit alles moeilijk anders te omschrijven dan als ernstig gemeen spel.
34. De aard van de gedraging is dus een actie die niet glijdend kan worden ingezet, die van dichtbij en schuin van achteren wordt ingezet, met een zetje/duw, terwijl gelet op de bewijsoverweging de actie plaats vond in een spelsituatie en in ieder geval achteraf niet duidelijk kan worden vastgesteld waar de bal zich bevond. Is de verdachte gelet op het voorgaande zich nu slechts bewust van een risico op pijn en letsel (NB het gaat hier dus niet om het risico op zwaar lichamelijk letsel zoals het zich heeft verwezenlijkt) of mag ervan worden uitgegaan dat hij bewust de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid op pijn/ letsel heeft aanvaard. Het komt mij voor dat het gelet op de aard van de gedraging niet onbegrijpelijk is dat het hof dat laatste heeft vastgesteld. Voldoende lijkt mij reeds dat terwijl de actie van dichtbij is en glijden niet mogelijk is, de verdachte desondanks een ‘sliding’ inzet. En één en ander gebeurde niet stapvoets, maar volgens de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte al rennend. Tja… dan moet je als voetballer toch weten dat er een aanzienlijke kans is dat de ander op zijn minst pijnlijk valt als je je actie voortzet en dat je met dat voortzetten van de actie dus die kans aanvaardt.
35. Wanneer de overweging van het hof in de context van de bewijsmiddelen wordt gelezen verliezen de in de toelichting op het middel geformuleerde klachten hun kracht en voegt bespreking daarvan niet veel meer aan het voorgaande toe. Desondanks loop ik ze om elk misverstand te vermijden langs. Voor zover de steller van het middel meent dat een sliding tackle altijd enig nu eenmaal in de voetbalsport te aanvaarden gevaar/risico meebrengt, volg ik hem daarin. Gelet echter op de eerder onderscheiden omstandigheden (a) t/m (d) is hier geen sprake van een sliding tackle met aanvaardbaar risico op pijn of letsel, maar in het oordeel van het hof ligt besloten dat het onreglementaire actie betrof met een aanmerkelijke kans op pijn en letsel die door verdachte bewust is aanvaard. De steller van het middel schrijft dat indien het oordeel van het hof juist zou zijn, iedere sliding tackle als zodanig kan leiden tot strafrechtelijke veroordeling. Dat berust op een volstrekt onjuiste uitleg van het oordeel van het hof.
36. In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat een sliding tackle van te dichtbij in de Aanvullende instructies (bewijsmiddel 5) niet wordt aangemerkt als een overtreding. Dat staat inderdaad niet met zoveel woorden in het deel van de instructies dat door het hof voor het bewijs is gebruikt. Dat sluit echter niet uit dat die actie van te dichtbij taalkundig al niet meer als een sliding kan worden aangemerkt, omdat van glijden naar een bal die een speler aan zijn voet heeft geen sprake is. Hoe dan ook kan de afstand in aanmerking worden genomen als een factor die de sliding niet reglementair doet zijn. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat bij het inzetten van de sliding er al lichamelijk contact was. De klacht dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat de sliding van (te) dichtbij is ingezet mist daarmee elke grond. De klacht dat het hof niet heeft overwogen wanneer sprake is een sliding van te dichtbij faalt eveneens, omdat dichterbij dan met lichamelijk contact zich niet of nauwelijks laat denken.
37. Dan wordt er nog geklaagd dat niet uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer over het been van de verdachte is gevallen, terwijl het hof heeft overwogen dat bij een sliding tackle van te dichtbij een speler vrijwel zeker valt over het uitgestoken been van de tegenstander. Voor zover hier tegenstrijdigheid in wordt gezien volg ik dat niet. Ik ga er met de steller van het middel vanuit dat het hof inderdaad niet heeft vastgesteld dat het slachtoffer over het been van de verdachte is gevallen. Dat het slachtoffer is gevallen is bewezen en dat het was ten gevolge van de actie van de verdachte eveneens, maar de details van de val zelf heeft het hof in het midden gelaten. Dat sluit echter geenszins uit dat voor het bewijs van het opzet in aanmerking kan worden genomen dat de verdachte moet weten dat bij de sliding tackle van te dichtbij de tegenstander vrijwel zeker over het uitgestoken been valt.
38. Resteert de klacht dat het hof kennelijk in het kader van het bewijs van het opzet niet in aanmerking had mogen nemen dat het een feit van algemene bekendheid is dat het aantal blessures ten gevolge van acties die sliding tackles worden genoemd groot is. Dat zou geen feit van algemene bekendheid zijn. Ingevolge art. 339, tweede lid, Sv behoeven feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs. Dit betekent dat de rechter in zijn bewijsoverweging gebruik mag maken van algemeen bekende gegevens (waaronder algemene ervaringsregels) zonder dat dit nadere onderbouwing in de vorm van wettige bewijsmiddelen vergt. Voor zover al juist zou zijn dat de vaststelling inzake blessures geen feit van algemene bekendheid is, wijs ik er op dat hetgeen het hof overweegt rechtstreeks is ontleend aan bewijsmiddel 5. De vaststelling van het hof berust daarmee op een wettelijk bewijsmiddel. Niet van belang is derhalve of er al dan niet sprake is van een feit van algemene bekendheid. Daaraan doet – anders dan de steller van het middel opmerkt – dan uiteraard ook niet af dat in dat bewijsmiddel niet is vermeld of er al dan niet sprake is van een feit van algemene bekendheid. De omstandigheid dat ook de degene die de sliding inzet geblesseerd kan raken, doet aan het voorgaande anders dan de steller van het middel meent evenmin af.
39. Het derde middel faalt in alle onderdelen.
40. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als mishandeling.
41. De toelichting op het middel neemt met het hof tot uitgangspunt dat er sprake was van een overtreding en dat die overtreding is gemaakt in een spelsituatie. Bestreden wordt dat dat de overtreding zodanig ernstig was dat deze voor mishandeling vereiste wederrechtelijkheid oplevert. Onder verwijzing naar een conclusie van mijn ambtgenoot Machielse wordt betoogd dat slechts sprake was van een inschattings- of taxatiefout en dat daarvoor ruimte moet zijn bij voetbal. Deelname aan voetbal betekent nu eenmaal de aanvaarding van bepaalde risico’s.
42. Het hof heeft de actie van de verdachte niet aangemerkt als een eenvoudige inschattings- of taxatiefout die behoort tot de in het voetbal aanvaardbare risico’s. Het hof spreekt in de onder randnummer 6 geciteerde bewijsoverweging die deels ook aan de wederrechtelijkheid is gewijd van een ernstige overtreding van de spelregels van het voetbal. Indien het oordeel van het hof dat er sprake was van een ernstige overtreding van de spelregels juist is dan is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat in het oordeel van het hof ligt besloten dat voldaan is aan de voor mishandeling vereiste wederrechtelijkheid.
43. De crux is dus of het hof wel toereikend heeft gemotiveerd dat sprake is van een ernstige overtreding van de spelregels. De klacht dat dit niet is gemotiveerd faalt. Weliswaar heeft het hof aan de ernst van de overtreding geen afzonderlijke overweging gewijd, maar die ernst ligt toereikend in de bewijsmiddelen besloten. Ik volsta met verwijzing naar de in het kader van de bespreking van het derde middel onderscheiden omstandigheden (a) t/m (d). Van een sliding kon gelet op de toestand van het veld geen sprake zijn en het was in de kern ook geen sliding. De actie van de verdachte schuin van achter en van dichtbij met lichamelijk contact met het rennende slachtoffer heeft ook niet de uiterlijke verschijningsvorm van een sliding, maar de verdachte – in zijn eigen woorden – speelde mede de man. Dat is in de termen van het door mij eerder geschetste kader van de KNVB gevaarlijk en ernstig gemeen spel. Het is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof dit heeft aangemerkt als een ernstige overtreding van de spelregels die invulling geeft aan de voor mishandeling vereiste wederrechtelijkheid.
44. Het vierde middel faalt.
45. De middelen falen. Het eerste en tweede middel kunnen in ieder geval worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
46. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
47. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG