23. Het eerste middel faalt.
24. Het tweede middel klaagt dat het hof verklaringen tot het bewijs heeft gebezigd die berusten op een mening, conclusie of gevolgtrekking die niet kunnen worden aangemerkt als een mededeling van feiten en omstandigheden door henzelf waargenomen of ondervonden.
25. Aldus wordt geklaagd over schending van art. 342, eerste lid, Sv doordat het hof verklaringen tot het bewijs heeft gebezigd die bestaan uit gissingen, meningen of conclusies die aan de rechter zijn voorbehouden. In de toelichting op het middel is de volgende opsomming te lezen:
de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2), inhoudende:
“De speler kon onmogelijk meer de bal raken. Die bal was een meter of vijf van ons verwijderd.”
de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 4), inhoudende:
“Deze speler kan heel grof met geheven been in”.
“Dit had niets meer met voetbal te maken. Dit was gewoon een doelbewuste actie”.
de verklaring van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 5)
“De afstand tussen de bal en [betrokkene 1] op het moment van de trap was ongeveer twee meter schat ik in”.
26. Op grond van de in art. 342, eerste lid, Sv vervatte eis van eigen waarneming of ondervinding, kan een bewezenverklaring niet worden gebaseerd op een getuigenverklaring die bestaat uit gissingen, vermoedens of veronderstellingen en dergelijke. Ook mag de getuigenverklaring geen oordeel bevatten dat aan de rechter is voorbehouden.
27. De kern van de klacht (schriftuur onder 3) is dat de afstanden in de bewijsmiddelen zo uiteenlopen dat – in de woorden van de steller van het middel – het speculatieve karakter ervan afdruipt. De in de bewijsmiddelen 2 en 5 gerelateerde afstanden van de speler(s) tot de bal lopen inderdaad uiteen: van een meter of vijf tot naar schatting twee meter. Ik merk op het in het algemeen geoorloofd is dat een getuige opgave doet van een door hem waargenomen afstand. Het waarnemen van afstand is evenals het waarnemen van snelheid nogal alledaags en daarvoor is zolang het resultaat geen grote exactheid pretendeert geen bijzondere deskundigheid nodig. Een afstand is dus wel degelijk vatbaar voor eigen waarneming. Duidelijk zal in de onderhavige zaak zijn dat in beide voor het bewijs gebruikte verklaringen geen exactheid wordt gepretendeerd.
28. Dat de door beide getuigen waargenomen afstanden uiteenlopen zou de rechter aanleiding kunnen geven de naar zijn oordeel meest betrouwbare voor het bewijs te selecteren. Een dergelijke selectie heeft de rechter hier achterwege gelaten. Voor zover de steller van het middel meent dat dit wegens de onderlinge tegenstrijdigheid onbegrijpelijk is, volg ik dat zonder nadere toelichting van zijn kant niet. Het verschil in afstand is mede in het licht van het ontbreken van een pretentie van exactheid niet aanzienlijk en niet uit te sluiten is dat het waargenomen verschil in afstand mede afhankelijk is van het tijdstip van de waarneming. De langere afstand die [betrokkene 1] waarneemt kan onder meer zijn verklaring vinden in de omstandigheid dat zijn waarneming eerder aanvangt.
29. In de toelichting op het middel wordt bij het voorgaande ook de in bewijsmiddel 4 genoemde afstand van één meter betrokken. Dat betreft echter niet de afstand tot de bal, maar de afstand tussen beide spelers en kan dus verder buiten beschouwing blijven.
30. Voor het overige wordt in de schriftuur gesteld: “Vorenweergegeven verklaringen behelzen een evidente mening, gissing of conclusie. Deze bewijsmiddelen zijn verder van essentieel belang voor de bewezenverklaring van het opzet van verzoeker. In zoverre bevatten zij een oordeel dat aan de rechter is voorbehouden.” Daarmee is het middel afgezien van de al besproken klacht over de afstand niet zodanig toegelicht dat een daarop toegeschreven reactie mogelijk is. Ik volsta met voor bewijsmiddel 2 op te merken dat gelet op de waargenomen afstand tevens de onmogelijkheid de bal te raken voor waarneming vatbaar is. Voor wat bewijsmiddel 4 zal naar ik aanneem ook de steller van het middel niet willen bestrijden dat het inkomen met geheven been voor waarneming vatbaar is. De wijze waarop dat gebeurt en de indruk die de getuige daarvan heeft (grof, niets met voetbal te maken, doelbewust) kan tevens worden aangemerkt als eigen (waarneming en) ondervinding.
31. Het tweede middel faalt.
32. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
34. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG