[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, wonende te [plaats] , [b-straat 2] ,
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
De raadsman van verdachte, mr. R.A. van der Horst, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
(…)
De voorzitter maakt melding van een e-mail van de raadsman d.d. 25 januari 2017, waarin de raadsman primair om aanhouding van de zaak verzoekt en schrijft dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met verdachte, dat verdachte waarschijnlijk niet op de hoogte is van de zitting, dat hij niet gemachtigd is de verdediging te voeren als de zaak niet wordt aangehouden en mitsdien niet ter terechtzitting zal verschijnen.
De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding op het adres van verdachte volgens SKDB niet is uitgereikt, omdat niemand werd aangetroffen. Er is toen een bericht van aankomst achtergelaten. De dagvaarding is teruggezonden aan de afzender en vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Verder is een afschrift van de dagvaarding verzonden naar het adres dat is vermeld op de informatiestraat SKDB.
De voorzitter deelt mede dat het hof in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding ziet de zaak aan te houden.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
(…)
De voorzitter maakt melding van het feit dat verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven heeft.
(…)
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 9 februari 2017 om 9.00 uur.”;
(vii) het bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 februari 2017 inhoudende:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof is van oordeel dat het door verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.
BESLISSING
Het hof:
verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.”
Aart. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv luidt:
“1. In de navolgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres: (...)c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.(...)"
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van deze bepaling heeft geleid houdt, voor zover relevant, het volgende in:
"Géén uitzondering op de verzendplicht van artikel 588a, eerste lid, wordt gevormd door het geval dat de verdachte ná zijn adresopgave bij de politie of justitie zijn inschrijving in de GBA heeft gewijzigd. De desbetreffende adressen staan los van elkaar: het ingevolge artikel 588[a] op te geven adres is een ander adres dan het GBA-adres (is het wel hetzelfde, dan behoeft daaraan geen afschrift te worden gezonden). Wanneer de verdachte wijziging brengt in zijn GBA-adres behoeft dat niet te betekenen dat hij er geen prijs meer op stelt om een afschrift van de dagvaarding te ontvangen op het andere, speciaal daarvoor door hem opgegeven adres."
De uitdrukkelijke vermelding van het adres [b-straat 1] te Heerlen in de bij de appelakte gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep als adres waaraan een afschrift van de dagvaarding kan worden verstuurd, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
Uit de omstandigheid dat in het kader van de betekening van de appeldagvaarding bekend is geworden dat na het instellen van het hoger beroep een wijziging heeft plaatsgevonden in de BRP-gegevens van de verdachte, kon het hof niet zonder meer afleiden dat de verdachte het adres [b-straat 1] te Heerlen niet wenste te handhaven als adres waar hij een afschrift van de appeldagvaarding wenste te ontvangen.
Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek ter terechtzitting tegenwoordig te zijn. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2017 geeft weliswaar blijk van een onderzoek naar de betekening van de appeldagvaarding, maar daarbij heeft het hof kennelijk geen acht geslagen op het laatste door de verdachte opgegeven adres en de uit art. 588a Sv voortvloeiende consequenties daarvan. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden