ECLI:NL:PHR:2019:1020

ECLI:NL:PHR:2019:1020, Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2019, 18/02870

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-08-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/02870
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:1546
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Diefstal van koffer van toerist op station in Amsterdam, art. 310 Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk), art. 22b Sr. Kon Hof toepassing geven aan taakstrafverbod, nu uit uittreksel justitiële documentatie niet blijkt dat aan verdachte in vijf jaren voorafgaand aan diefstal wegens soortgelijk feit taakstraf is opgelegd? HR: Op gronden vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: Gelet op inhoud van uittreksel justitiële documentatie, is ’s Hofs oordeel dat art. 22b.2 Sr van toepassing is en dat taakstraf niet mogelijk is, onjuist. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02870

Zitting 27 augustus 2019

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte.

‘De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren (bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 30 dagen hechtenis), waarvan 30 uren voorwaardelijk (bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 15 dagen hechtenis) met een proeftijd van 2 jaren en heeft bepaald dat de verdachte zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet melden bij Inforsa reclassering en zich daarna op door de reclassering te bepalen tijdstippen moet blijven melden zo frequent en zo lang die instelling dit noodzakelijk acht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 30 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een koffer van een toerist op het Centraal Station in [plaats]. De verdachte heeft er door zo te handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. Evenmin heeft hij oog gehad voor het ongemak dat zijn handelen veroorzaakt voor de (in het algemeen slechts korte tijd in Amsterdam verblijvende en niet Nederlands sprekende) toeristen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 mei 2018, waaruit blijkt dat hij op 27 september 2017 is veroordeeld, welk arrest onherroepelijk is geworden op 26 oktober 2017, tot een onvoorwaardelijke taakstraf ter zake van (onder meer) diefstal. Aldus is aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de hier bewezen verklaarde diefstal een taakstraf opgelegd voor een soortgelijk misdrijf, welke taakstraf de verdachte - volgens zijn eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep - ook heeft verricht. Gelet daarop is artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (het zogeheten taakstrafverbod) van toepassing.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten strafmaat zakkenrollerij van de rechtbank Amsterdam, inhoudende - kort gezegd - dat in het geval van een voltooide zakkenrollerij bij een kwetsbaar slachtoffer, waaronder bijvoorbeeld een toerist, als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden geldt, tenzij een taakstraf is geïndiceerd. Uit hetgeen hiervoor omtrent het taakstrafverbod is overwogen blijkt dat een taakstraf in dit geval niet mogelijk is. Om te bevorderen dat de verdachte zich in de toekomst zal (blijven) onthouden van het plegen van strafbare feiten, en rekening houdend met zijn jeugdige leeftijd, zal het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van na te melden duur. Voor een verdergaande matiging zoals door de raadsvrouw is bepleit, ziet het hof geen aanleiding.’

5. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:

‘1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:(…)

2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.

3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.’

6. In HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3539, NJ 2015/27 heeft Uw Raad overwogen:

‘2.4. Mede gelet op deze wetsgeschiedenis moet art. 22b, tweede lid, Sr aldus worden uitgelegd dat – afgezien van de in het eerste lid omschreven gevallen – een taakstraf in geval van veroordeling voor een misdrijf alleen dan niet kan worden opgelegd, indien

(i) aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

(ii) de veroordeelde deze taakstraf daadwerkelijk heeft verricht dan wel op grond van art. 22g Sr de tenuitvoerlegging is bevolen van de vervangende hechtenis.

Een en ander brengt mee dat deze eerdere uitspraak reeds ten tijde van het begaan van het nieuwe feit kracht van gewijsde moet hebben gehad.’

7. Het hof heeft overwogen dat uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 mei 2018 blijkt dat de verdachte op 27 september 2017 (BFK: bedoeld is kennelijk 11 oktober 2017), welk arrest onherroepelijk is geworden op 26 oktober 2017, is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf ter zake van (onder meer) diefstal en dat aldus aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde diefstal een taakstraf is opgelegd voor een soortgelijk misdrijf. Die overweging is niet begrijpelijk, reeds omdat de door het hof bedoelde veroordeling dateert van na de bewezenverklaarde, op 25 juni 2017 gepleegde diefstal. Ook overigens kan uit dat uittreksel niet blijken dat art. 22b Sr in de onderhavige zaak in de weg staat aan de oplegging van een taakstraf.

8. Het zich bij de gedingstukken bevindende uittreksel justitiële documentatie van 15 mei 2018 houdt onder meer in dat de verdachte op 11 oktober 2017 (datum zitting: 27 september 2017) door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot een (taakstraf bestaande uit een) werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie wegens onder meer een poging tot diefstal op 5 januari 2017, welke veroordeling op 26 oktober 2017 onherroepelijk is geworden. Uit het desbetreffende uittreksel blijkt niet dat de verdachte vóór 25 juni 2017 onherroepelijk is veroordeeld tot een taakstraf ter zake van een misdrijf soortgelijk aan diefstal. De enige onherroepelijke veroordelingen die in het uittreksel staan vermeld, betreffen overtredingen van de Leerplichtwet 1969.

9. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat ‘artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (het zogeheten taakstrafverbod) van toepassing (is)’ en ‘dat een taakstraf in dit geval niet mogelijk is’, onjuist.

10. ’s Hofs motivering van de straf is in zoverre dus niet begrijpelijk, te meer nu het hof expliciet te kennen heeft gegeven aansluiting te hebben gezocht bij de oriëntatiepunten strafmaat zakkenrollerij van de rechtbank Amsterdam, inhoudende – kort gezegd – dat in het geval van een voltooide zakkenrollerij bij een kwetsbaar slachtoffer, waaronder bijvoorbeeld een toerist, als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden geldt, tenzij een taakstraf is geïndiceerd. Het hof heeft de mogelijkheid van het opleggen van een taakstraf vervolgens enkel uitgesloten op grond van de onjuiste aanname dat een taakstraf in dit geval (wettelijk) niet mogelijk is. Ik wijs er hierbij nog op dat het hof in het bestreden arrest onder ‘Toepasselijke wettelijke voorschriften’ art. 22b Sr heeft vermeld als één van de wettelijke bepalingen waarop de straf is gegrond.

11. Het eerste middel slaagt.

12. Het tweede middel, dat ook klaagt over de strafmotivering, behoeft daarom geen bespreking.

13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JIN 2019/167 met annotatie van Oort, C. van
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?