8. Het eerste middelhoudt in:
“Er is sprake van schending van recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in art. 79 RO, in het bijzonder art. 359 lid 3 jo art. 415 Wetboek van Strafvordering jo art. 287 Wetboek van Strafrecht.
Het Gerechtshof is op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de bewezenverklaring van feit 1 (doodslag) gekomen. De tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen kunnen de bewezenverklaring niet dragen.
Het door verzoeker geschetste scenario van de (al dan niet per ongeluk) zelfdoding door [slachtoffer] is onterecht, althans onvoldoende gemotiveerd, verworpen. Bovendien is onterecht aangenomen dat het verzoeker is geweest die het vuurwapen vasthield ten tijde van het schot, dat uiteindelijk de dodelijke verwondingen bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt.”
9. Het middel faalt voor zover wordt geklaagd dat de bewijsmotivering ontoereikend is omdat het hof zonder voldoende motivering aan het alternatieve scenario van de zelfdoding is voorbijgegaan. Immers het hof heeft overwogen:
- De gemoedstoestand van het slachtoffer in de periode voor haar dood bevat geen aanwijzing dat zij suïcidaal zou zijn;
- In het dossier is geen enkele objectieve aanwijzing te vinden dat het slachtoffer over een vuurwapen beschikte;
- Het strafdossier bevat meer aanwijzingen voor het bezit van een vuurwapen door verdachte dan door het slachtoffer;
- Uit technisch onderzoek is gebleken dat zelfdoding niet aannemelijk is;
- Een verklaring van de stiefzuster van verdachte tegenover de politie: haar moeder heeft haar meegedeeld dat verdachte overstuur naar haar toekwam en zei dat hij het slachtoffer had vermoord;
- Een verklaring van de stiefmoeder van verdachte tegenover de politie: verdachte heeft het gedaan/ hij heeft geschoten;
- Een OVC gesprek inhoudende dat de vader van verdachte heeft gezegd: “Hij hebt het wel gedaan.”
- Een OVC gesprek inhoudende dat de stiefmoeder van verdachte tegen zijn vader heeft gezegd: “ga nou niet in de put zitten [betrokkene 11] , hij heeft het zelf gedaan.”
10. Het hof heeft niet alleen in de overwegingen onder “De waardering van feiten” toegelicht waarom het heeft geconcludeerd dat verdachte heeft geschoten, maar in de daaraan voorafgaande overwegingen, zoals samengevat onder het vorige randnummer, heeft het hof op basis van de onderzoeksbevindingen over het voorhanden hebben van het vuurwapen, het technisch onderzoek, de verklaringen van getuigen en de inhoud van OVC gesprekken het scenario van de zelfdoding uitgesloten. Van het gebruik daarbij van slechts één enkele bron (de getuige A, de stiefmoeder) is geen sprake. Gelet op de context is bijvoorbeeld het afgeluisterde gesprek van vader immers eveneens nogal belastend nu het bepaald niet wijst in de richting van zelfdoding. In de verklaring van de stiefmoeder inhoudende dat hij heeft geschoten ligt besloten dat het verdachte is geweest die het vuurwapen vasthield ten tijde van het schot en dat hij uiteindelijk de dodelijke verwondingen bij het slachtoffer heeft veroorzaakt.
11. In de toelichting op het middel worden de overwegingen over de betrouwbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaring van getuige A. (de stiefmoeder van verdachte) bestreden. Het hof heeft aan de betrouwbaarheid van de verklaring van deze getuige uitvoerige beschouwingen gewijd die voor het oordeel dat de verklaring als betrouwbaar kan worden aangemerkt toereikend en niet onbegrijpelijk zijn. Ik volsta met verwijzing naar de overweging onder randnummer 6, omdat ik anders slechts de overweging van het hof, zoals deze is ingebed in feitelijke omstandigheden, herhaal.
11. De resterende klachten komen in essentie neer op een selectie en waarderingskwestie. De selectie en waardering van de bewijsmiddelen is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Voor zover is beoogd te betogen dat de rechter zijn keuze diende te verantwoorden tussen het in het dossier aanwezige bewijsmateriaal, dat ontegenzeggelijk zowel ontlastend als belastend materiaal zal bevatten, wijs ik erop dat het vaste rechtspraak is dat de feitenrechter niet gehouden is die keuze te verantwoorden.
13. Het eerste middelfaalt.
14. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, (voorwaardelijk) opzet op de dood van slachtoffer [slachtoffer]. bewezen heeft verklaard.
14. De Hoge Raad heeft onlangs het te hanteren beoordelingskader van voorwaardelijk opzet herhaald. Voor zover voor de beoordeling van deze klachten relevant heeft hij overwogen:
“5.3.3.
In zijn arrest van 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.”
16. De bewijsoverweging van het hof over opzet onder randnummer 6 sluit zeer nauw aan bij deze benadering van de Hoge Raad. Uit de toelichting op het middel blijkt dat wordt bestreden dat het opzet valt af te leiden uit de aard van de door het hof vastgestelde gedraging, omdat de vastgestelde gedraging daartoe onvoldoende is. Voor zover de toelichting op het middel berust op de stelling dat verdachte niet meer heeft gedaan dan het louter vasthouden van het vuurwapen, behoeft het middel geen nadere bespreking omdat het hof nu eenmaal heeft vastgesteld dat verdachte heeft geschoten. Ik verwijs naar de bespreking van het eerste middel.
16. Het hof neemt in de bewijsoverweging tot uitgangspunt dat er op korte afstand een kogel is afgevuurd met een scherp vuurwapen in de richting van het hoofd. In de toelichting wordt gewezen op een tweetal omstandigheden die zouden maken dat dit niet vaststaat dan wel onvoldoende is voor opzet. Ik citeer in verband met de eerste omstandigheid uit de toelichting op het middel: “(…) nergens blijkt uit de bewijsmiddelen (of het dossier) dat verzoeker enige ervaring heeft met het schieten van vuurwapens of dat verzoeker gericht (op het hoofd van [naam van het slachtoffer] heeft geschoten.” Dit raakt de vaststelling van het hof niet nu het hof niet meer overweegt dan dat er van korte afstand in de richting van het hoofd is geschoten. De steller van het middel kan worden toegegeven dat voor gericht schieten op het hoofd soms ervaring met schieten onontbeerlijk kan zijn, maar het gaat hier om iets anders: van korte afstand (elders stelt het hof vast: minder dan één meter) schieten in de richting van het hoofd. Het ontbreken van ervaring staat dan niet in de weg aan het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans op de dood.
16. Aan de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans zou voorts (tweede omstandigheid) in de weg staan dat het hof niet heeft vastgesteld dat verdachte wist dat het wapen geladen was. In feitelijke aanleg is dit niet naar voren gebracht en het alternatieve scenario, zoals dat in de bewijsoverwegingen van het hof onder “De verklaring van verdachte bij de raadsheer-commissaris’ is opgenomen, wijst in een andere richting voor wat betreft de wetenschap van verdachte. Daarom is de motivering waarin over de aanwezigheid van wetenschap niets wordt overwogen niet ontoereikend of onbegrijpelijk. Overigens lijkt mij niet zonder meer bepalend voor het opzet of is vastgesteld dat de verdachte wetenschap heeft dat het wapen is geladen. Bij het ontbreken van de wetenschap of een vuurwapen wel of niet is geladen van korte afstand in de richting van het hoofd ‘schieten’ kan immers nog steeds sprake zijn van het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans op de dood.
19. Het tweede middelfaalt.
20. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging.
20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG