ECLI:NL:PHR:2019:1084

ECLI:NL:PHR:2019:1084, Parket bij de Hoge Raad, 10-09-2019, 18/00063

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-09-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/00063
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:1634
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

-

Uitspraak

5. Het namens de verdachte voorgestelde middel

6. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van het medeplegen.

7. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 22 juni 2014 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, een I-pad (mini) en een fototoestel en een horloge en telefoons en een hoeveelheid melkpoeder toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2] en [benadeelde 1] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- (met een bivakmuts op) zetten en/of richten en/of houden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen en/of op het hoofd van die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en

- naar de grond duwen van die [benadeelde 2] en [benadeelde 1] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en

- vastbinden van de handen met tie-rips van die [benadeelde 2] en [benadeelde 1] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en

- naar beneden drukken van het hoofd van [benadeelde 1] en [benadeelde 4] ”

8. Het arrest van het hof houdt – voor zover van belang – in:

“Nadere bewijsoverweging

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Inleiding

Op 22 juni 2014 vond omstreeks 16.00 uur een overval plaats in het bedrijfspand (hierna ook: de loods) aan de [a-straat 1] te Zoetermeer. Van deze overval is omstreeks 16.17 uur melding gedaan bij de politie.

Ongeveer 3 à 4 weken vóór bovengenoemde overval had [benadeelde 4] (hierna: [benadeelde 4] ) een bericht van [medeverdachte 1] ontvangen waarin hij vroeg of zij melkpoeder wilde en schreef dat hij 5.000 boxen had. Het kostte in totaal € 251.000,-.

[benadeelde 4] besloot dat zij dit wilde. [medeverdachte 1] belde met de mededeling dat de eigenaar van het melkpoeder het geld cash wilde hebben. Op 20 juni 2014 rond 13.00 uur is

[benadeelde 4] samen met haar man [benadeelde 1] naar het kantoor van [medeverdachte 1] gegaan, alwaar vervolgens een deal is gesloten. Die avond is [medeverdachte 1] samen met [betrokkene 1] naar de opslagplaats van [benadeelde 4] (het hof begrijpt: de loods) gereden. In de avond van 20 juni 2014 belde [medeverdachte 1] naar [benadeelde 4] en zei dat de levering van het melkpoeder op zaterdag (het hof begrijpt: 21 juni 2014) tussen 15.00 uur en 16.00 uur zou plaatsvinden. [medeverdachte 1] zei voorts tegen [benadeelde 4] dat hij om 14.00 uur eerst alleen zou komen om het geld te zien.

[benadeelde 4] was op zaterdag 21 juni 2014 samen met haar man [benadeelde 1] , de broer van haar man (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ), de vrouw van diens broer (het hof begrijpt: [benadeelde 3] ) (hierna: aangevers) en [medeverdachte 1] in de loods. [medeverdachte 1] is die zaterdag gekomen, waarna [benadeelde 4] hem het geld heeft laten zien. Hij heeft het geld geteld. Het geld zat in pakjes van € 10.000,- gebonden. Het ging om een hoeveelheid van 23.200 verpakkingen van het merk Nutrilon. Enkel [medeverdachte 1] was ervan op de hoogte dat zoveel geld cash moest worden betaald.

Rond 24.00 uur belde [medeverdachte 1] naar [benadeelde 4] met de mededeling dat de bestuurder het geld wilde zien. [benadeelde 4] stelde voor om af te spreken bij de McDonalds aan de [b-straat] (het hof begrijpt: te Zoetermeer) om het geld te tellen.

De aangevers, [medeverdachte 1] en een licht getinte man hebben elkaar rond 01.00 uur ontmoet bij McDonalds. [betrokkene 1] was met [medeverdachte 1] naar Zoetermeer gereden en was ook in de nabije omgeving aanwezig. De tas met het geld stond tussen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] in. [benadeelde 4] heeft de tas geopend. De licht getinte man heeft een blik in de tas geworpen en is toen samen met [medeverdachte 1] weer weggegaan. Op 22 juni 2014 vanaf ongeveer 14.00 uur waren [benadeelde 4] met haar familie en [medeverdachte 1] in de loods aanwezig [medeverdachte 1] telde het geld van [benadeelde 4] . Toen [medeverdachte 1] het geld aan het tellen was, kreeg hij voortdurend sms'jes en hij stuurde ook telkens sms'jes terug.

Diezelfde dag rond 16.00 uur zag [benadeelde 4] een bestelwagen. [benadeelde 1] opende de deur van de loods. De beige/witte bestelwagen reed achteruit de loods in. De man die [benadeelde 4] bij McDonalds had gezien, stapte uit en zei: money, money. Toen [benadeelde 4] de tas met geld aan het dichtknopen was, stormden ineens 4 tot 8 mensen met bivakmutsen en wapens uit de auto. De bivakmutsen waren zwart en bij de ogen zaten gaten. [benadeelde 4] werd door de overvallers tegen de rug geduwd tot zij op de grond lag. Er werd met een melkpoederblik op het hoofd van [benadeelde 4] gedrukt. [benadeelde 1] kreeg een wapen op de zijkant van zijn hoofd. Hij werd bij zijn nek vastgepakt en op de grond geduwd. [benadeelde 1] voelde dat met een vuurwapen op zijn rug werd gedrukt en heeft een klap gekregen. Toen hij even bewoog, werd zijn hoofd plat op de grond gedrukt. Terwijl [benadeelde 1] op de grond lag, zijn zijn handen naar voren getrokken en vastgebonden met een tie-rip. Iedereen werd met tie-rips vastgebonden/. [benadeelde 3] zag dat [benadeelde 2] en [benadeelde 4] door de overvallers tegen de buik werden geschopt en dat het horloge van de pols van [benadeelde 2] werd gerukt. [benadeelde 3] zelf werd aan haar kleding vastgepakt en naar de grond gedrukt. Toen zij haar hoofd wilde optillen, werd zij direct weer naar beneden gedrukt. Er werd een vuurwapen tegen haar hoofd gehouden terwijl zij op de grond lag. Haar handen werden aan elkaar gebonden met tie-rips. De handen van [benadeelde 4] zijn achter op haar rug vastgebonden.

[benadeelde 2] heeft ook een vuurwapen tegen zijn hoofd gekregen. Hij werd naar achter getrokken en het vuurwapen werd op zijn achterhoofd gericht. Hij werd op de grond geduwd en werd door meerdere daders geslagen op zijn rug, benen en achterhoofd. Hij is een paar keer geschopt en op zijn been gestampt, terwijl hij op de grond lag.

Tijdens de overval is melkpoeder van [benadeelde 4] in de bestelwagen geladen. De overvallers hebben de mobiele telefoons van de aangevers weggenomen en voorts een IPad mini, blikken melkpoeder, een horloge en een fototoestel. Ergens tussen het moment dat de overvallers uit de auto stormden en weggingen, is ook het geld dat in een tas zat, naar verluid € 250.000,-, weggenomen.

Betrokken voertuigen

De ochtend van de overval heeft [medeverdachte 1] een witte bestelbus van het merk Volkswagen, met kenteken [kenteken 1] , gehuurd. [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] hebben de bestelbus samen opgehaald. De bestelbus is op 24 juni 2014 door [medeverdachte 1] geretourneerd. In de laadruimte van de bus lag wit/heel lichtblauw poeder

[medeverdachte 1] maakte voorts gebruik van een Fiat, type 500, voorzien van kenteken [kenteken 2] (hierna: de Fiat).

Kort voor en na de overval op 22 juni passeerden twee voertuigen de ARS locaties nagenoeg rond dezelfde tijdstippen als de bestelbus met het kenteken [kenteken 1] (hierna: de bestelbus). Deze twee voertuigen, een BMW en een Mercedes, waren respectievelijk voorzien van de kentekens [kenteken 3] en [kenteken 4]. De BMW ( [kenteken 3] ) (hierna: de BMW) stond op naam van [betrokkene 2], de vader van [medeverdachte 2].

De Mercedes ( [kenteken 4] ) (hierna: de Mercedes) stond op naam van [A] en was in de periode van 19 juni 2014 tot en met 4 juli 2014 aan [verdachte] verhuurd.

De Mercedes is op 21 juni 2014 om 14.03 uur vanuit de directe omgeving van de woning van [verdachte] vertrokken naar de directe omgeving van de loods en heeft daar geruime tijd rondgereden of stilgestaan. De Fiat, de BMW en de Mercedes reden in de nacht van 21 op 22 juni 2014 rond 23.21 uur vanuit Rotterdam naar Zoetermeer en bevonden zich rond 1.21 uur met elkaar in Zoetermeer op korte afstand van McDonalds aan de [b-straat] . De bestelbus, de BMW en de Mercedes reden op 22 juni 2014 kort voor de overval vanuit Rotterdam naar Zoetermeer. De bestelbus was in de loods ten tijde van de overval en de Fiat was toen bij de loods. De BMW en de Mercedes reden kort na de overval op nagenoeg hetzelfde tijdstip uit de richting van Zoetermeer. De Mercedes bevond zich op 22 juni 2014 van 15.42 uur tot 16.15 uur in de [a-straat] te Zoetermeer en heeft daar ten tijde van de overval gedurende 31 minuten stilgestaan. Nadat de overval had plaatsgevonden is de Mercedes naar de [c-straat] te Rotterdam gereden en arriveerde daar om 16.56 uur. [medeverdachte 3] woont op [c-straat 1] . Om 17.21 uur vertrok de Mercedes vanaf de [c-straat] en kwam om 17.30 uur aan op de [d-straat] te Rotterdam ter hoogte van nummer […] . [verdachte] is woonachtig op het adres [d-straat 1] te Rotterdam. De Mercedes heeft vervolgens stilgestaan in de [e-straat 1] . In de [e-straat 2] te Rotterdam is [B] gevestigd, alwaar [medeverdachte 1] een kamer huurde.

Kort na de overval, op 22 juni 2014 omstreeks 17.40 uur, stond de BMW op de Cederstraat in Rotterdam en werd door de politie gecontroleerd. Op dat moment zaten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en een persoon genaamd [betrokkene 3] in de auto.

[medeverdachte 2] was bestuurder van de BMW.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de inzittenden van de bestelbus, de Mercedes en de BMW betrokken zijn geweest bij de overval.

Historische verkeersgegevens telefoons van de verdachten

[medeverdachte 1] was voor en ten tijde van de overval gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1]. Vlak voor de overval - vanaf 15.54 uur - heeft voornoemd telefoonnummer achtmaal sms contact gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Dit laatste nummer is in gebruik bij [medeverdachte 3] - die ook [medeverdachte 3] wordt genoemd - die zich op dat moment in de nabije omgeving van het bedrijfspand aan de [a-straat] te Zoetermeer bevond. Het telefoonnummer van [medeverdachte 3] heeft vlak voor de overval - vanaf 15.47 uur - ook sms- en bel contacten gehad met het telefoonnummer van [betrokkene 1] , te weten [telefoonnummer 3].

DNA [medeverdachte 3]

Op de plaats delict is forensisch technisch sporenonderzoek verricht. Op de vloer van de loods zijn zwarte kabelbinders (tie-rips) aangetroffen. Deze kabelbinders zijn veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN-nummers AAGY2715NL en AAGY2716NL. De kabelbinders zijn op drie posities bemonsterd. De bemonsteringen zijn ingezet voor DNA-onderzoek en hierbij is een match aangetoond met het DNA-mengprofiel afkomstig van [medeverdachte 3].

Uitlatingen van [betrokkene 1]

Op 30 april 2015 heeft [betrokkene 1] tegenover een politiële informatie-inwinner onder meer de volgende uitlatingen gedaan.

[medeverdachte 1] was de baas bij het plegen van de overval, waarbij [betrokkene 1] , zelf niet aanwezig was. [betrokkene 1] heeft jongens, bekenden van hem, met [medeverdachte 1] in contact gebracht, omdat deze jongens geld van [medeverdachte 1] wilden lenen om te investeren in verdovende middelen. Deze jongens hadden het plan om [medeverdachte 1] te rippen. Dat hadden ze achteraf beter kunnen doen, dan hadden ze nu geen probleem gehad in verband met de overval. De jongens hadden uiteindelijk besloten om [medeverdachte 1] niet te rippen, uit respect omdat [medeverdachte 1] goed bevriend met hem was. [medeverdachte 1] wilde hen geen geld lenen, maar had een beter plan om aan geld te komen. De jongens van de overval hebben [betrokkene 1] herhaaldelijk op zijn reguliere nummer gebeld voor, tijdens en/of na de overval. Bij de overval waren ook [verdachte] , een Joegoslaaf (het hof begrijpt: [verdachte] ), [medeverdachte 2] , een Irakees (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] of soortgelijke naam, bijnaam " [medeverdachte 3] ", een Hindoestaanse jongen (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) betrokken. [verdachte] heeft in eerste instantie drie of vier jaar als eis gekregen, maar is vrijgesproken. [verdachte] en [medeverdachte 2] waren de mannen van de Mercedes en de BMW. Voorts deed [betrokkene 1] meermalen de uitlating: "mijn telefoon, de i-phone, als die eens weg zou zijn of in de fik zou gaan, dan hebben ze niks tegen mij".

[medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn bekenden van elkaar. [betrokkene 1] kent [medeverdachte 2] als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als " [medeverdachte 3] ".

Bewijsverweer

Namens de verdachte heeft de raadsman zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen, op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, nu hij de door hem gehuurde Mercedes had uitgeleend.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Aanvankelijk heeft de verdachte bij de politie verklaard (op 7 en 9 oktober 2014) de Mercedes te hebben uitgeleend, maar niet meer precies te weten wanneer dat was. Hij zou de autosleutel, voor 2 à 3 dagen hebben gegeven. Hij had de auto met moeite via via teruggekregen van een persoon die hij niet kende, hij had de auto gevonden op een parkeerplaats met de sleutel op de band. De personen spraken geen Nederlands, hij wist geen naam. Hij had de personen ontmoet op een zigeunerkamp in de buurt van Prinsenland te Rotterdam. Hij kon de personen telefonisch bereiken met een Nokia telefoon die hij van hen had gekregen. Uiteindelijk heeft hij de namen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] genoemd. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte (op 10 oktober 2014) verklaard de auto twee keer te hebben uitgeleend, geen telefoonnummer van de personen te hebben aan wie hij de auto had uitgeleend en dat deze personen evenmin een telefoonnummer van hem hadden. De verklaring van de verdachte omtrent het uitlenen van de auto aan zigeuners (genaamd [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) is door de politie geverifieerd, doch bleek niet te kloppen. Het door hem aangegeven woonwagenkamp bleek niet te worden bewoond door zigeuners, maar door kermisexploitanten. Personen genaamd [betrokkene 5] en [betrokkene 4] waren daar niet bekend. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte eveneens verklaard de auto aan zigeuners te hebben uitgeleend. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2017 is verdachte met de verklaring gekomen dat hij de auto niet aan zigeuners maar aan Slovenen heeft uitgeleend.

Het hof overweegt dat de verdachte aldus wisselende, vage verklaringen heeft afgelegd over de Mercedes, waarbij de enige concrete informatie aantoonbaar onjuist bleek te zijn. De stelling van de verdachte dat hij niet betrokken is bij de overval omdat de door hem kort daarvoor gehuurde Mercedes door hem was uitgeleend acht het hof dan ook niet geloofwaardig.

Het verweer wordt verworpen.

Conclusie

Het hof komt op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhartg beschouwd, tot de conclusie dat in elk geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en de verdachte, die naar het oordeel van het hof bestuurder/inzittende van de Mercedes is geweest, de overval in vereniging hebben, gepleegd en dat [betrokkene 1] hierbij als medeplichtige betrokken is geweest.”

9. De bewezenverklaring is toegesneden op art. 312 Sr dat – voor zover van belang – luidt:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

2. Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd:

(…)

2° indien het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;”

10. Vooropgesteld moet worden dat het bestanddeel “door twee of meer verenigde personen, als bedoeld in art. 312, tweede lid onder 2, Sr kan worden opgevat als medeplegen in de zin van art. 47 Sr. De Hoge Raad heeft in 2014 en 2015 overzichtsarresten gewezen inzake medeplegen. De steller van het middel verwijst (onder meer) naar HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413 m.nt. Rozemond onder 2016/420, waarin de Hoge Raad nadere overwegingen aan het in 2014 gegeven beslissingskader heeft toegevoegd. Voor zover van belang luiden die overwegingen:

3. Aan de beoordeling van het middel voorafgaande opmerkingen

In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 en 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven. Daarbij is aangegeven dat het een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezenverklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, zoals ook in bovengenoemde arresten is benadrukt. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten zoals in bovengenoemde arresten is gebeurd alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering. Het beslissingskader zoals dat is neergelegd in de hierboven genoemde arresten kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1316). Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1320 over art. 141 Sr en ECLI:NL:HR:2016:1322 over bedreiging met geweld). Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. de rechtsoverwegingen onder 4.2 hierna alsmede het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1323). In concrete zaken kan een en ander leiden tot een moeilijke afweging bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen. Daaraan valt niet te ontkomen omdat er altijd zogenoemde grensgevallen zullen zijn.

11. Het middel klaagt in het bijzonder dat “uit de bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer [kan] volgen dat de verdachte dermate nauw en volledig met de medeverdachten heeft samengewerkt dat er sprake is van medeplegen. De verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring is/zijn daarom onvoldoende met redenen omkleed.” Uit de toelichting op het middel blijkt dat in de kern wordt geklaagd dat de betrokkenheid van de verdachte bij de overval niet uit bewijsvoering van het hof valt af te leiden.

12. Het hof heeft een Promis-arrest gewezen en de bewezenverklaring uitvoerig gemotiveerd. Uit de (nadere) bewijsoverweging blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat de inzittenden van (onder meer) de Mercedes betrokken zijn geweest bij de overval. Dit heeft het hof afgeleid uit de door de Mercedes gereden route voor na en tijdens de overval en het stilstaan bij de loods van die auto in combinatie met de (gereden routes van de) andere auto’s die aan de medeverdachten zijn te koppelen. Ten aanzien van betrokkenheid van de verdachte heeft het hof vastgesteld dat hij Mercedes heeft gehuurd en dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat de “jongens”, daaronder (kennelijk) verdachte begrepen, samen met [medeverdachte 1] een overval hebben gepleegd, hij telefonisch contact met hen voor, tijdens en na de overval heeft gehad en dat de verdachte en zijn medeverdachten bekenden van elkaar zijn. De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de overval ontkend. Zijn verklaring dat hij de Mercedes had uitgeleend heeft het hof niet geloofwaardig geacht. Daarin ligt besloten dat het hof die verklaring niet-aannemelijk heeft geacht. Dat is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd, nu het hof heeft geconstateerd dat de verdachte wisselende en vage verklaringen heeft afgelegd over aan wie hij de Mercedes zou hebben uitgeleend en de enige concreet verifieerbare informatie daarover aantoonbaar onjuist bleek. Dat het hof uit het voorgaande de betrokkenheid van de verdachte bij de overval heeft afgeleid is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Dat het hof vervolgens (kennelijk) heeft geoordeeld dat er sprake is van een gezamenlijke uitvoering van de overval waarbij de verdachte zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachten is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat niets is gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat er omstandigheden zijn die met medeplichtigheid in verband worden gebracht. Voor zover nog wordt geklaagd dat het hof nader had moeten duiden waaruit de (precieze) rol van de verdachte bestond, geldt dat het accent van het onderzoek naar medeplegen ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

13. Het middel faalt.

14. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

15. Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

16. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg gevoegd in het strafgeding voor een schadebedrag van in totaal € 267.825,78,-. Het schadebedrag betreft materiële en immateriële schade. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant houdt de materiële schade een post “geldbedragen” in van in totaal € 259.262,28. Dit bedrag valt volgens het schadeformulier en het daaraan gehechte “schade-onderbouwingsformulier” uiteen in € 251.000,- en € 8.262,28,-. Ter onderbouwing van die schadepost is aangevoerd dat de benadeelde € 150.000 in contanten naar Nederland vanuit China heeft meegenomen en zijn verscheidene afschriften van de ING-bankrekening van (onder meer) deze benadeelde partij waaruit het overige deel gespaard geld zou blijken aan het schadeformulier gehecht.

17. Bij de bespreking van het middel dat namens de verdachte is voorgesteld is onder randnummer 8-9 de bewezenverklaring en de (nadere) motivering van het bewezen verklaarde door het hof weergegeven. Het arrest van het hof houdt voorts – voor zover voor de bespreking van dit middel van belang – in:

“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 1] :

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 267.825,78, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en- naar het hof begrijpt - in hoger beroep gehandhaafde bedrag/te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat op de vordering van de benadeelde partij zal worden beslist, een en ander zoals verwoord in zijn overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijk requisitoir.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet anders betwist dan met een beroep op de door hem bepleite vrijspraak.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 786,00 materiële schade is geleden (mobiele telefoon - naar redelijkheid- €150,- en melkpoederbussen € 636,-). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij zal wat betreft de post 'alarmsysteem' worden afgewezen, nu niet is komen vast te staan dat dit deel van de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, waarbij het hof ten aanzien van de geldbedragen opmerkt dat er wisselende verklaringen zijn afgelegd omtrent de herkomst van het geld. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.”

18. Art. 361, derde lid, Sv luidt:

“Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”

19. De steller van het middel wijst op het recente overzichtsarrest van de Hoge Raad ter zake de vordering benadeelde partij. Voor zover van belang is in dat arrest overwogen:

“2. Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwingen over de vordering van de benadeelde partij

Inleiding

Art. 51f Sv bepaalt dat diegene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering kan de rechter ambtshalve de in art. 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Deze maatregel komt hierna onder 2.9 kort aan de orde.

Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361, derde lid, Sv).

De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.

(…)

Beoordeling en beslissing rechter

2.8.1

Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

2.8.2

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

2.8.3

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.

2.8.4

Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Een dergelijke splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Het voorgaande betekent echter niet dat de strafrechter op grond van zijn voorlopig oordeel een gevorderd (schade)bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen bij wege van voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter.”

Het oordeel dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het hof is noch op grond van 361 Sv, noch op grond van een andere bepaling verplicht dat oordeel nader te motiveren.

20. Uit (de toelichting op) het middel kan worden afgeleid dat de klacht in cassatie is beperkt tot het door de benadeelde partij [benadeelde 1] gevorderde bedrag van € 259.262,28 aan materiële schade, dat de bij roofoverval buitgemaakte contanten betreft.

21. In de eerste plaats wordt in de cassatieschriftuur geklaagd dat het hof er geen blijk van heeft gegeven aan de onder 2.8.3 van het hiervoor in het overzichtsarrest vermelde criteria te hebben getoetst en daarmee de daarin weergegeven maatstaf heeft miskend. De steller van het middel merkt terecht op dat de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) is betwist door of namens de verdachte. Het hof heeft de vordering deels toegewezen en voor “het overige” geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij, daaronder begrepen het gevorderde bedrag van € 259.262,28, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en heeft de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf, die is ontleend aan art. 361, derde lid, Sv, aangelegd.

22. Voorts is het oordeel van het hof om de benadeelde partij (in zoverre) niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering omdat “er wisselende verklaringen zijn afgelegd over de herkomst van het geld” onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel, omdat de benadeelde partij heeft voldaan aan zijn stelplicht en de verdachte in hoger beroep de vordering niet gemotiveerd heeft betwist. Gelet daarop had het hof de vordering moeten toewijzen. Die klacht kan niet slagen. In de voornoemde bestreden zinssnede van het hof ligt besloten dat het hof daarmee (kennelijk) heeft bedoeld te zeggen dat hij door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Dat is gelet op hetgeen door de benadeelde partij ter onderbouwing van die vordering in het vorderingsformulier en ter terechtzitting naar voren is gebracht niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

23. Het middel faalt.

24. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Toepassing van art. 80a RO laat zich denken. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?