10. Het eerste middelfaalt.
11. Het tweede middel klaagt over de motivering van de afwijzing van een getuigenverzoek.
12. De stukken van het geding houden, voor zover van belang, het volgende in:
(i) namens de verdachte is op 25 maart 2015 hoger beroep ingesteld. De verdediging heeft bij (tijdig) appelschriftuur van 8 april 2015 verzocht tot het horen van getuige [betrokkene 3] (hierna ook: [betrokkene 3] ). Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2016 blijkt dat de verdediging dit verzoek aldaar heeft herhaald. Uit datzelfde proces-verbaal blijkt dat het hof (onder meer) dit getuigenverzoek heeft toegewezen en de zaak heeft verwezen naar de raadsheer-commissaris bij het hof (zie hierna onder iv).
(ii) Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2017 gehechte pleitnota blijkt dat de verdediging het (dan voorwaardelijke) verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 3] aldaar heeft herhaald. Die in de cassatieschriftuur geciteerde pleitnota houdt - voor zover van belang - in:
“54. Ik concludeer daarmee dat het dossier verregaand onvoldoende overtuigende aanknopingspunten biedt om met een enigszins gerust hart te kunnen uitsluiten dat [verdachte] in juni 2014 helemaal niet in Zoetermeer is geweest. Het lijkt er op dat het uitlenen van zijn auto in combinatie met enigszins ongelukkig en zelfs deels onjuist gepresenteerde telecomgegevens van de zijde van het Openbaar Ministerie, en de zeker achteraf onverstandige beslissing niet in een veel eerder stadium duidelijkheid te bieden aan de zijde van [verdachte] , ertoe heeft geleid dat hem een forse gevangenisstraf en een enorme schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor een feit waar hij geen strafrechtelijk relevante betrokkenheid bij heeft gehad.
55. Zou Uw Hof daar op dit moment nog niet van overtuigd zijn dan is duidelijk dat de positie van [betrokkene 3] cruciaal en doorslaggevend is. Zou deze immers kunnen bevestigen dat hij een telefoon van [verdachte] heeft gekocht en dat hij de auto van [verdachte] heeft geleend dan is daarmee het laatste stukje van de puzzel gelegd en kan er helemaal geen twijfel meer zijn over de onschuld van [verdachte] . Het belang om deze getuige te kunnen horen is door Uw Hof in de regiebeslissing van 29 mei 2016 onderkend, maar zoals door de raadsheer- commissaris in het proces-verbaal van 11 januari 2017 neergelegd heeft dat verhoor niet kunnen plaatshebben nu de getuige kennelijk niet bekend is in Slovenië.
56. Ik begrijp het aldus, dat men (uitsluitend) in Slovenië heeft gekeken op grond van [betrokkene 3] veronderstelde geboorteplaats [geboorteplaats] . Of het juist is dat [betrokkene 3] inderdaad de Sloveense identiteit heeft staat echter bepaald niet vast, temeer nu ten tijden van zijn geboorte [geboorteplaats] (als hij daar al geboren is) nog gelegen was in Joegoslavië en het heel wel mogelijk is dat [betrokkene 3] daar destijds is geboren uit bijvoorbeeld ouders van etnisch Kroatische of Servische afkomst. Er is met andere woorden een wel heel korte zoekslag gemaakt voor een getuige die zo doorslaggevend kan worden geacht voor de zaak én voor de toekomst van [verdachte] .
57. Zou Uw Hof op grond van het voorgaande niet van oordeel zijn dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van het hem te laste gelegde dan wenst de verdediging onverminderd dat deze [betrokkene 3] als getuige wordt gehoord en verzoek ik u de zaak daartoe (al dan niet na heropening) te verwijzen naar de raadsheer-commissaris met de aanwijzing dat de zoekslag naar [betrokkene 3] dient te worden uitgebreid naar de andere landen die deel uitmaakten van het voormalig Joegoslavië en dat in zijn algemeenheid verdergaande inspanningen dienen te worden betracht om hem als getuige te (doen) horen.”
(iii) Voor zover van belang houdt het arrest van het hof in:
“Voorwaardelijk verzoek horen getuige
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk — namelijk indien het hof tot een bewezenverklaring van het aan de verdachte ten laste gelegde zou komen - verzocht om [betrokkene 3] als getuige te horen en de zaak daartoe te verwijzen naar de raadsheer-commissaris.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Naar het oordeel, van het hof zijn blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2017 door de raadsheer-commissaris voldoende inspanningen verricht om te bewerkstelligen dat de getuige kon worden gehoord. Van de getuige zijn geen andere dan wel nadere gegevens bekend geworden dan de gegevens waarover de raadsheer-commissaris destijds de beschikking had. Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn alsnog kan worden gehoord, zodat het verzoek wordt afgewezen.”
(iv) Het hiervoor bedoelde proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 11 januari 2017 houdt als zijn constatering in:
“Het gerechtshof Den Haag heeft deze zaken op 27 mei 2016 naar mij verwezen voor onder meer het horen van de getuige [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] (Joegoslavië). Van deze getuigen zijn verder geen adresgegevens opgegeven.
Bevraging van het systeem SKDB leverde op dat deze getuige niet staat geregistreerd op enig adres is Nederland. Er is navraag gedaan bij de politie Haaglanden en uit informatie die door de politie is verstrek blijkt dat er een aandachtsvestiging staat geregistreerd voor kennisname van een document van 22 juni 2014. Wat deze aandachtsvestiging precies behelst, is mij niet bekend. Ook in de politieregisters is geen adres van deze [betrokkene 3] geregistreerd.
Door IRC Den Haag is op mijn verzoek navraag gedaan of de getuige zich mogelijk in Slovenië bevindt. Op 29 november 2016 is van Europol informatie ontvangen die als volgt luidt: “Please be kindly informed that the stated person does not exist in our databases.” Deze informatie is verstrekt door het Slovenia Liaison Bureau.
Omdat ik onvoldoende aanknopingspunten heb om te kunnen achterhalen waar de getuige zich bevindt, heb ik geen mogelijkheden om deze getuige in genoemde zaken te horen.”
13. Gelet op art. 415 Sv zijn de artikelen 287 en 288 Sv ook in hoger beroep toepasselijk. Voor zover van belang luidt art. 288 Sv:
“Artikel 288
1. De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:
a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen;”
14. Voordat de feitenrechter een verzoek tot het horen van een getuige op grond van art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv afwijst, dient zoals de steller van het middel terecht opmerkt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te staan dat het aannemelijk is dat de verdachte niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Volgens de wetsgeschiedenis bij art. 288 Sv is daarvan bijvoorbeeld sprake indien een getuige zonder bekende woon- of verblijfplaats of een getuige die met onbekende bestemming het land heeft verlaten. Bij de door de feitenrechter te maken afweging dient te worden betrokken de periode waarbinnen de getuige eventueel ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, de aard van de zaak en het belang van de getuigenverklaring voor de rechter te nemen beslissing. De beslissing dient te worden gemotiveerd.
15. Het hof heeft het verzoek van de verdediging afgewezen, zoals hiervoor onder randnummer 12, onder (iii) vermeld, omdat het hof het niet aannemelijk acht dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn alsnog kan worden gehoord. Daarin ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat het van de (hernieuwde) oproeping van de getuige heeft afgezien omdat hij van oordeel is dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Daarmee is het wettelijke criterium van art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv toegepast. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de klacht in cassatie in de kern opkomt tegen de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof.
16. In de eerste plaats wordt geklaagd dat na het door de raadsheer-commissaris gedane onderzoek gelet op het tijdsverloop tot aan de inhoudelijke behandeling nader onderzoek had kunnen worden gedaan naar de mogelijke verblijfsgegevens van de getuige. In dat verband wordt betoogd dat de overweging van het hof dat “van de getuige geen andere dan wel nadere gegevens bekend [zijn] geworden dan de gegevens waarover de raadsheer-commissaris destijds de beschikking had” niet begrijpelijk is, nu niet duidelijk is waarop deze overweging is gebaseerd.
17. Anders dan in HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9173, NJ 2011/92, waarnaar de steller van het middel verwijst, heeft het hof de afwijzing van het verzoek niet gemotiveerd louter met verwijzing naar het wettelijk criterium. De klacht dat niet duidelijk is waarop de hiervoor genoemde bestreden zinssnede is gebaseerd, valt niet in te zien, nu het hof daar kennelijk en niet onbegrijpelijk mee heeft bedoeld dat er sinds het onderzoek van de raadsheer-commissaris geen gegevens van de getuige bekend zijn geworden die aanknopingspunten kunnen vormen voor nader onderzoek. Ook blijkt niet uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota, zoals nu wel in cassatie voor het voetlicht wordt gebracht, dat de verdediging heeft aangevoerd dat door het tijdsverloop mogelijk veranderde omstandigheden onderzoek naar de gegevens van de getuige rechtvaardigen. Het aangevoerde in hoger beroep is immers beperkt tot de stelling dat de getuige mogelijk een andere etnische achtergrond heeft. Het argument dat er sinds januari 2017 niets is ondernomen om het horen van de getuige te bevorderen, is dus feitelijk juist, maar evenzeer geldt dat niet is gesteld of gebleken dat de verdediging tussentijds ter bespoediging van de afhandeling concrete maatregelen heeft bepleit. Gelet daarop is het niet onbegrijpelijk dat het hof niet ambtshalve is ingegaan op omstandigheden die, zoals thans in cassatie wordt gesteld, mogelijk zijn gewijzigd. In zoverre is er van een onbegrijpelijke motivering van de afwijzing van het verzoek geen sprake.
18. Voorts wordt geklaagd dat gelet op hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft betoogd, niet kon worden volstaan met het inwinnen van informatie bij de Sloveense autoriteten. Deze klacht kan eveneens niet slagen. Het centrale argument voor de afwijzing door het hof is de inhoud van het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris. De inhoud daarvan wordt in cassatie niet betwist. Anders dan de steller van het middel betoogt, blijkt uit dat proces-verbaal dat de inspanningen van de raadsheer-commissaris ook uit onderzoek in SKDB, navraag bij de politie en onderzoek in de Nederlandse (politie)registers bestonden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging de mogelijkheid geopperd dat de getuige mogelijk niet de Sloveense nationaliteit heeft, maar ouders van etnische of Kroatische of Servische afkomst kan hebben. Daaraan is echter niets concreets ten grondslag gelegd. Ook in cassatie is dit niet nader onderbouwd. Op grond van deze suggestie is door de verdediging verzocht dat er “in zijn algemeenheid verdere inspanningen dienen te worden betracht om [ [betrokkene 3] ] als getuige te doen horen”. Dat zijn dusdanig algemene stellingen dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof daarop niet (nader) is ingegaan.
19. Gelet op het gebrek aan aanknopingspunten om deze getuige te traceren, hetgeen in hoger beroep is aangevoerd door de verdediging en het tijdsverloop sinds de inwilliging van het verzoek tot het horen van de getuigen door het hof is het oordeel van het hof dat voldoende inspanningen zijn geleverd om de getuige te horen niet onbegrijpelijk. Voor zover daarover beoogd is te klagen, betekent de omstandigheid dat de verdachte niet in de gelegenheid is geweest om de getuige te horen evenmin dat van een recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM geen sprake is geweest. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Het bewezen verklaarde feit betreft diefstal met geweldpleging in vereniging. De bewezenverklaring en de (nadere) bewijsoverweging zijn reeds onder randnummers 5-6 weergegeven. Ik verwijs daar kortheidshalve naar. Daarin komt naar voren dat het hof slechts vaststelt dat de getuige [betrokkene 3] ten tijde van de aanhouding van de verdachte in de BWM in de auto aanwezig was. Niet blijkt dat een verklaring van deze getuige voor het bewijs is gebezigd. Zoals onder het eerste middel besproken heeft het hof, onder meer door de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] en de route- en plaatsgegevens van de BMW, niet onbegrijpelijk kunnen vaststellen dat de verdachte betrokken was bij de overval. Voor zover de getuige zou (kunnen) verklaren dat de verdachte geen bemoeienis heeft gehad bij de overval, heeft de verdachte geen belang bij die verklaring, nu ook zonder die verklaring is onderbouwd dat de verdachte betrokkenheid had bij de overval. Voor zover de getuige kon verklaren over de stelling dat de BMW (aan hem) was uitgeleend, sluit dit de betrokkenheid van de verdachte bij de overval geenszins uit.
20. Het tweede middelfaalt.
21. Het derde middel klaagt over de motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de overschrijding van de redelijke termijn.
22. De in de cassatieschriftuur geciteerde pleitnota houdt – voor zover van belang - in:
“95. Daarbij is tot slot van belang dat bij de behandeling van deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het vonnis is immers gewezen op 25 maart 2017 en tegen de tijd dat Uw Hof in deze arrest zal wijzen zullen er minimaal twee jaar en acht maanden zijn verstreken. Een lange periode die niet wordt gerechtvaardigd door het in hoger beroep uitgevoerde onderzoek, waarin [verdachte] in voortdurende onzekerheid heeft geleefd over de uitkomst van deze zaak en waarin hij onder andere middels de VOG-kwestie ook steeds geconfronteerd is met die zaak.”
23. Het arrest van het hof houdt – voor zover van belang – in:
Strafmotivering
(…)
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu het vonnis op 25 maart 2015 is gewezen en ruim twee jaren zijn verstreken voordat het hof arrest wijst.
Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer dat, gelet op de in acht te nemen termijnen, geen sprake is van enige schending. Tussen de aanvang van de redelijke termijn op 13 januari 2015 en het wijzen van het vonnis op 25 maart 2015 is immers niet meer dan 2 jaren verstreken. Voorts is het vonnis op tegenspraak gewezen, zodat van een niet voortvarende betekening van de verstekmededeling geen sprake is. Tot slot is het dossier binnen 8 maanden, te weten op 29 september 2015, na het instellen van hoger beroep op 25 maart 2015 bij het hof binnengekomen.”
24. De stukken van het geding houden – voor zover van belang – voorts nog het volgende in:
i) namens de verdachte is op 25 maart 2015 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank;
ii) het hof heeft op 13 december 2017, ruim twee jaar en acht maanden na het instellen van het hoger beroep, uitspraak gedaan.
25. Het hof heeft hetgeen namens de verdachte het in hoger beroep ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn gemotiveerd verworpen en geoordeeld dat er “gelet op de in acht te nemen termijnen, geen sprake is van enige schending.” Met een beroep op HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, wordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof is uitgegaan van een onjuiste aanvangsdatum (13 januari 2015) van de redelijke termijn in de appelfase. Dat berust op een verkeerde lezing van het arrest van het hof. Uit de onder het vorige randnummer weergegeven overweging van het hof kan worden afgeleid dat het hof met 13 januari 2015 doelt op de aanvangsdatum in eerste aanleg, nu het hof in dat verband ook overweegt dat het vonnis op 25 maart 2015 is gewezen. In de overwegingen van het hof ligt voorts – zij het in minder gelukkige bewoordingen – besloten dat dat de redelijke termijn in de appelfase op 25 maart 2015 is aangevangen.
26. Voorts wordt geklaagd dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk is, omdat het hof de tweejaarstermijn heeft gehanteerd terwijl de verdachte in deze zaak tot 13 mei 2016 voorlopig gehecht heeft gezeten en het hof (dus) de termijn van zestien maanden had moeten toepassen. Uit de overwegingen van het hof valt af te leiden dat wordt ingegaan op de verstreken periode in eerste aanleg en de inzendtermijn in de appelfase. Als ik het goed zie, ziet de in die overwegingen genoemde termijn van twee jaar op de redelijke termijn in eerste aanleg. Daarmee heeft het hof miskend wat door de verdediging in hoger beroep ten aanzien van de redelijke termijn in de appelfase, zoals onder randnummer 22 is weergegeven, is aangevoerd. Dat standpunt kan immers bezwaarlijk anders worden verstaan als een beroep op een overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase. Nu de appelfase ruim twee jaar en acht maanden heeft geduurd, is de overweging van het hof dat er geen sprake is van schending, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk. Daarmee kan in het midden blijven of in het onderhavige geval de termijn van zestien maanden of de tweejaarstermijn toepasselijk was.
27. Het derde middelslaagt.
28. Het eerste en tweede middel falen. Het derde middel slaagt. De Hoge Raad kan bij deze stand van zaken om doelmatigheidsredenen doen wat het Hof had behoren te doen en de opgelegde straf matigen, nu de Hoge Raad uit de stukken van het geding kan opmaken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan wegens de geconstateerde inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG