17. De bewezenverklaring, nadere (bewijs)motivering van het hof en de aanvulling van de bewijsmiddelen zijn reeds onder randnummer 4-6 weergegeven. De bewezenverklaring is toegesneden op art. 10.45, eerste lid aanhef en onder b, Wet milieubeheer, dat reeds onder randnummer 7 is weergeven. Voor de leesbaarheid herhaal ik de in die randnummers opgenomen motivering van het hof aangaande het bewezen verklaarde opzet:
“F.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte, als handelaar in scheepsbrandstoffen en professionele marktpartij, uit dien hoofde geacht moet worden bekend te zijn met de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheidseisen. Verdachte wist dat het sedimentgehalte van de stookolie veel hoger was dan de in de ISO-norm vastgestelde norm en dat de stookolie “off-spec” was. Inzicht in de exacte samenstelling van de stookolie en de oorzaak voor het te hoge sedimentgehalte ontbrak. Door desondanks deze stookolie over te nemen heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de - naar zij wist vanwege het te hoge sedimentgehalte - niet bruikbare stookolie van de [naam 1] , gelet op de omstandigheden waaronder [C] zich daarvan heeft ontdaan, moest worden aangemerkt als afvalstof, zodat het opzet van verdachte daarop in voorwaardelijke zin gericht is geweest.”
18. Overtreding van art. 10.45, eerste lid aanhef en onder b, Wet milieubeheer, oftewel het zonder vergunning inzamelen van gevaarlijke stoffen, is ingevolge art. 1a, onder 2, WED een economisch delict. Economische delicten zijn ingevolge art. 2, eerste lid, WED misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
19. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de klacht zich in de eerste plaats richt tegen het oordeel van het hof dat “[i]nzicht in de exacte samenstelling van de stookolie en de oorzaak voor het te hoge sedimentgehalte ontbrak [bij de verdachte, PCV]”. Geklaagd wordt dat dit oordeel onjuist is, omdat de relevante samenstelling van de stookolie, het te hoge sedimentgehalte, bij de verdachte bekend was. De steller van het middel beroept zich in dat verband (opnieuw) op – kort gezegd - een analyse van [F] , een verklaring van [C] en een verklaring van [betrokkene 2] .
20. De klacht berust op een verkeerde lezing van het arrest. Dat de verdachte wist dat de stookolie een te hoog sedimentgehalte had, doet er immers niet aan af dat inzicht in de exacte samenstelling van de stookolie ontbrak. Dat het hof de omstandigheid dat inzicht in de exacte samenstelling van de stookolie ontbrak heeft betrokken bij zijn oordeel dat er sprake was van voorwaardelijk opzet op het (zonder vergunning) inzamelen van gevaarlijke stoffen is bovendien niet onbegrijpelijk. Uit de overwegingen van het hof blijkt immers dat de verdachte een professionele partij is, die (daarom) bekend moet worden geacht met de in acht te nemen zorgvuldigheidseisen, dat de verdachte wist dat de stookolie een te hoog sedimentgehalte had en door de verdachte geen (nader) onderzoek is ingesteld naar de exacte samenstelling van de stookolie en de oorzaak van het sedimentgehalte. Dat het hof uit die vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft afgeleid dat de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat hij afvalstoffen inzamelde, is voorts niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd.
21. Geklaagd wordt nog dat de overweging dat inzicht in oorzaak van het te hoge sedimentgehalte “op geen enkele manier een relevante overweging is.” Deze algemene klacht wordt niet nader onderbouwd, reden waarom ik daaraan voorbij ga. Ook wordt nog geklaagd dat de overweging van het hof dat de verdachte vanwege het te hoge sedimentgehalte wist dat de stookolie onbruikbaar was onjuist is, omdat – als ik het goed begrijp – de [naam 1] (enige tijd) op de stookolie heeft kunnen varen. Dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat de stookolie vanwege het hoge sedimentgehalte niet bruikbaar was als scheepsbrandstof is een vaststelling van feitelijke aard die in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid getoetst kan worden. Gelet daarop zou de klacht reeds falen. Het oordeel dat de stookolie onbruikbaar was als scheepsbrandstof, is (gelet op de vaststelling van het hof onder C.4) ook overigens geenszins onbegrijpelijk.
22. Het tweede middel faalt.
23. Het derde middel klaagt over het oordeel van het hof dat er sprake is van overtreding van art. 10.45, eerste lid aanhef en onder b, Wet Milieubeheer.
24. Uit de toelichting op het middel blijkt dat er een beroep wordt gedaan op een aan “het proces-verbaal van het deskundigenverhoor van 9 augustus 2016” gehechte kopie van een kamerbrief van 15 januari 2015 en (kennelijk een kopie van) de website van ILT “De-bunkering: project or waste?”. Met moeite kan uit de toelichting op het middel een klacht worden gedestilleerd. Voor zover beoogd wordt te klagen dat het hof de voorgenoemde stukken niet in zijn beoordeling heeft betrokken, wijs ik erop, dat de feitenrechter vrij is in de beoordeling en waardering van het beschikbare materiaal. Voor zover wordt geklaagd dat het hof niet heeft gerespondeerd op een standpunt, merk ik op dat in de cassatieschriftuur geenszins duidelijk wordt op welk standpunt in “de pleitnota van 1 november 2017” gedoeld wordt, reden waarom ik daaraan voorbij ga.
25. Het derde middel faalt
26. De middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG