PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 17/04323 E
Zitting 5 november 2019
CONCLUSIE
P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
(i) art. 2, eerste lid, (oud) Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (hierna ook: de Verordening):
“Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:
(…)
k) handelsverkeer: de handel tussen lidstaten in goederen zoals bedoeld in artikel 23, lid 2, van het Verdrag;
(…)”
(ii) art. 8 (oud) Verordening (EG) nr. 1774/2002:
“1. Dierlijke bijproducten en verwerkte producten worden uitsluitend onder de in de leden 2 tot en met 6 vastgestelde voorwaarden naar andere lidstaten verzonden.
2. De lidstaat van bestemming moet de ontvangst hebben toegestaan van categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal, verwerkte producten die afgeleid zijn van categorie 1- en categorie 2-materiaal, en verwerkte dierlijke eiwitten. De lidstaten kunnen als voorwaarde voor hun toestemming stellen dat vóór de verzending verwerkingsmethode 1 moet zijn toegepast.
3. De dierlijke bijproducten en de in lid 2 bedoelde verwerkte producten moeten:
a) vergezeld gaan van een handelsdocument of, wanneer deze verordening dat voorschrijft, een gezondheidscertificaat, en
b) rechtstreeks naar de installatie van bestemming worden vervoerd, die overeenkomstig deze verordening erkend moet zijn.
4. Wanneer lidstaten categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal, verwerkte producten die afgeleid zijn van categorie 1- en categorie 2-materiaal, en verwerkte dierlijke eiwitten naar andere lidstaten zenden, meldt de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong via het Animo-systeem, dan wel via een andere onderling overeengekomen methode, iedere zending aan de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming. De melding omvat de in bijlage II, hoofdstuk I, punt 2, genoemde gegevens.
5. Wanneer zij overeenkomstig lid 4 van de verzending in kennis is gesteld, meldt de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming via het Animo-systeem, dan wel via een andere onderling overeengekomen methode, de aankomst van iedere zending aan de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong.
6. Lidstaten van bestemming zorgen er door middel van regelmatige controles voor dat de aangewezen bedrijven op hun grondgebied de zendingen uitsluitend voor de toegestane doeleinden gebruiken en een volledige administratie bijhouden waaruit blijkt dat deze verordening wordt nageleefd.”
(iii) Art. 20, eerste lid, (oud) Verordening (EG) nr. 1774/2002:
“De lidstaten zien erop toe dat (…) de in bijlage VIII genoemde dierlijke bijproducten slechts in de handel worden gebracht of uitgevoerd indien:
a) zij voldoen aan:
i) de in bijlage VIII vastgestelde specifieke eisen, (…)
(…)”
(iv) Hoofdstuk III van bijlage VIII (oud) bij Verordening (EG) nr. 1774/2002:
“Eisen voor mest, verwerkte mest en verwerkte producten uit mest
I. Niet-verwerkte mest
A. Handelsverkeer
1. a) Handelsverkeer in niet-verwerkte mest van andere soorten dan pluimvee en paardachtigen is verboden, tenzij deze mest:
i) afkomstig is uit een gebied waarvoor geen beperkingen gelden in verband met een ernstige overdraagbare ziekte, en
ii) bestemd is om, onder controle van de bevoegde autoriteit, te worden uitgereden op de gronden van eenzelfde bedrijf, gelegen aan weerszijden van de grens tussen twee lidstaten.
b) De bevoegde autoriteit mag echter via een specifieke goedkeuring toestaan dat op haar grondgebied:
(…)
ii) mest wordt binnengebracht die bestemd is om op een bedrijf te worden uitgereden. Dit type van handelsverkeer is slechts toegestaan na instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van bestemming. Bij het overwegen van deze goedkeuring houden de bevoegde autoriteiten met name rekening met de herkomst van de mest, de bestemming van de mest en overwegingen in verband met de bescherming van de diergezondheid.
In voornoemde gevallen moet de mest vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat waarvan het model is vastgesteld volgens de procedure van artikel 33, lid 2.
(…)”
(v) art. 81c, eerste lid, (oud) Gezondheids- en welzijnswet voor dieren:
“Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor een goede uitvoering van EG-verordeningen.”
(vi) art.2.8, eerste lid, (oud) Regeling dierlijke bijproducten:
“Het is verboden dierlijke bijproducten en verwerkte producten in strijd met artikel 8, eerste, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002:
a. naar andere lidstaten te brengen;
b. uit lidstaten in Nederland te brengen.”
(vii) art. 87, eerste lid, Uitvoeringsregeling meststoffenwet:
“Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in het eerste lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren in Duitsland of in België gelegen landbouwgrond en het indien de landbouwgrond in Nederland zou zijn gelegen per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet, in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
b. de afstand tussen het in België gelegen perceel en de Nederlandse grens bedraagt ten hoogste 25 kilometer;
c. de afstand tussen het in Duitsland gelegen perceel en de Nederlandse grens bedraagt ten hoogste 20 kilometer;
d. het perceel is in het kader van een normale bedrijfsvoering daadwerkelijk bij het bedrijf waarvan de meststoffen afkomstig zijn, in gebruik;
e. indien het perceel in België is gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge een in België geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het bedrijf en is dit perceel, voor wat betreft het Vlaamse gedeelte van België, geregistreerd bij de Vlaamse Mestbank ingevolge artikel 30 van het Besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; en
f. indien het perceel in Duitsland is gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge een in Duitsland geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het bedrijf.”
10. Het middel stelt de vraag centraal of het hof terecht heeft geoordeeld dat de in Duitsland gelegen percelen geen “gronden van eenzelfde bedrijf” in de zin van hoofdstuk III van bijlage VIII (oud) van de Verordening zijn, waarmee het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de percelen in Duitsland geen gronden van het bedrijf van [medeverdachte 1] zijn. In dat kader wordt aangevoerd dat het hof een onjuiste uitleg zou hebben gegeven aan de Verordening, doordat het eisen heeft gesteld waaraan moet zijn voldaan om te kunnen spreken van “gronden van eenzelfde bedrijf”. Aan zijn oordeel dat geen sprake was van “gronden van eenzelfde bedrijf” heeft het hof volgens de steller van het middel vervolgens de conclusie verbonden dat de geschriften vals waren.
11. Het middel gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. In het arrest formuleert het hof namelijk geen eisen waaraan moet zijn voldaan om te kunnen spreken van ‘gronden van eenzelfde bedrijf’. Anders gezegd ik lees in het arrest geen op juridische criteria gebaseerd oordeel over de vraag wanneer sprake is van ‘gronden van eenzelfde bedrijf’. Voor wat betreft feit 1 stelt het hof enkele feitelijke omstandigheden vast die meebrengen dat er een vals pachtcontract is gesloten en dat er valse facturen en een valse Gecombineerde Opgave 2009 zijn opgemaakt en gebruikt. Daartoe behoren de omstandigheid dat [betrokkene 1] te laat was met het aanvragen van de levering van mest in Duitsland en [medeverdachte 1] drijfmest kon afvoeren en heeft afgevoerd, dat de percelen in Duitsland zijn bewerkt door [betrokkene 1] en dat [betrokkene 1] de zeggenschap heeft behouden over hetgeen op die percelen werd geteeld. In de kern heeft het hof daarmee vastgesteld dat van het daadwerkelijk verpachten van de percelen in Duitsland door [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] geen sprake was, maar dat men met de ‘pachtovereenkomst’ alleen de schijn heeft willen wekken dat de percelen in Duitsland door [medeverdachte 1] werden gepacht zodat [medeverdachte 1] mest kon afvoeren naar deze percelen en dat een en ander werd ondersteund door (het gebruik van) valse facturen en een valse Gecombineerde Opgave 2009. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in het bijzonder nog in aanmerking dat de bewijsvoering van het hof onder meer inhoudt dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat de constructie enkel en alleen was voor de levering van mest, dat [medeverdachte 1] heeft bevestigd dat hij de pachtovereenkomst aanging in verband met het afvoeren van mest, dat de pachtovereenkomst is geantedateerd, dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de facturen die hij en [medeverdachte 1] over en weer zouden hebben opgemaakt niet kende, dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de facturen niet zijn betaald en dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat het misschien niet juist was dat beide partijen van het bestaan van de facturen op de hoogte waren.
12. Het hof heeft aldus kunnen oordelen dat er sprake was van een schijnconstructie die tot doel had te doen voorkomen dat de percelen in Duitsland door [medeverdachte 1] gepachte gronden waren, terwijl ze dat in werkelijkheid niet waren. Het oordeel dat onder deze omstandigheden van “gronden van eenzelfde bedrijf” in de zin van de Verordening geen sprake was, geeft daarmee geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is toereikend gemotiveerd en is niet onbegrijpelijk. Hetzelfde heeft te gelden voor het oordeel dat de pachtovereenkomst, de Gecombineerde Opgave 2009 en de facturen valselijk zijn opgemaakt. De bewezenverklaring is aldus toereikend gemotiveerd.
13. De verwijzing naar hetgeen bij pleidooi is aangevoerd met betrekking tot de rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven doet aan het voorgaande niet af. Nog daargelaten de vraag of deze rechtspraak relevant is voor de uitleg van het begrip “gronden van eenzelfde bedrijf” in de zin van de Verordening, heeft het hof met de vaststelling dat sprake was van een schijnconstructie immers ook tot uitdrukking gebracht dat [medeverdachte 1] geen feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen in Duitsland.
14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen op een tijdstip waarop meer dan twee jaren zijn verstreken nadat beroep in cassatie is ingesteld. Dat betekent dat de redelijke termijn bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering van deze geldboete in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden