2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding, die geen klachten bevat, en één onderdeel. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen.
Het cassatieberoep is volgens mij ontvankelijk. Op grond van art. 351 lid 5 Faillissementswet (“Fw”) kan de in het ongelijk gestelde partij gedurende acht dagen in cassatie komen tegen een arrest waarbij in hoger beroep is beslist op een verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling. In onze zaak heeft de bewindvoerder beëindiging van de regeling verzocht. Het hof heeft niet de beëindiging uitgesproken, maar de looptijd van de regeling met zeven maanden verlengd. De bewindvoerder kan om die reden worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het cassatieberoep is tijdig, namelijk binnen acht dagen na het arrest, ingesteld.
In subonderdeel 1.1 wordt het volgende aangevoerd. De Wet schuldsanering natuurlijke personen (“WSNP”) is per 1 januari 2008 herzien. De wetgever beoogde strenger op te treden bij de toegang tot de schuldsaneringsregeling. Om de rechter te ontlasten, bestond behoefte aan hard and fast rules. Sindsdien gelden strenge en imperatieve afwijzingsgronden. In het verlengde hiervan is de tekst van art. 350 lid 3 Fw over de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling aangepast. De beoordelingsruimte van de rechter is hierdoor beperkt. De bewindvoerder verwijst naar aantekening 1 bij art. 350 Fw in T&C Insolventierecht. Het plegen van misdrijven tijdens de schuldsanering wordt algemeen beschouwd als het niet nakomen van verplichtingen in de zin van art. 350 lid 3 sub c Fw. In onze zaak is sprake van toerekenbaar tekortschieten, bestaande uit een (vermogens)misdrijf dat heeft geleid tot detentie en het ontstaan van een nieuwe huurschuld. Dan geldt als hard and fast rule dat de schuldsaneringsregeling (behoudens zwaarwegende of bijzondere omstandigheden) moet worden beëindigd. De door het hof genoemde gronden zijn onvoldoende voor het maken van een uitzondering, aldus het subonderdeel.
Bij de bespreking hiervan zal ik eerst ingaan op de gronden voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling en daarna op de beoordelingsruimte van de rechter bij het al dan niet toepassen van de sanctie van beëindiging.
Gronden voor beëindiging schuldsaneringsregeling
De gronden voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zijn opgenomen in art. 350 lid 3 Fw. Het betreft een limitatieve opsomming. De rechter kan onder meer overgaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling indien de schuldenaar zijn verplichtingen niet goed nakomt, hij zijn schuldeisers tracht te benadelen of indien hij bovenmatige schulden laat ontstaan. Volgens de memorie van toelichting gaat het daarbij in wezen om gedrag dat als niet te goeder trouw kan worden gekenschetst en is sprake van een stok achter de deur voor de schuldenaar.
In deze zaak gaat het om art. 350 lid 3 sub c Fw. Dit vermeldt als grond voor beëindiging dat de schuldenaar één of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt. Sinds de herziening van de WSNP per 1 januari 2008 benoemt deze bepaling ook het geval dat de schuldenaar door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert. Het artikel heeft mede betrekking op wangedrag.
Een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 sub c Fw kan worden uitgesproken indien gebleken is dat de tekortkoming in het licht van de overige omstandigheden van het geval een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Hierin ligt het vereiste besloten dat aan de betrokken schuldenaar te dien aanzien een verwijt is te maken.
In onze zaak staat niet ter discussie dat deze beëindigingsgrond zich voordoet. Het hof overweegt in rov. 4 immers dat het, net als de rechtbank, van oordeel is dat [verweerder] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en die regeling heeft belemmerd, dat er voldoende aanleiding is voor tussentijdse beëindiging van de regeling en dat niet aannemelijk geworden is dat de tekortkomingen niet toerekenbaar zijn. Deze oordelen zijn in cassatie onbestreden.
Beoordelingsruimte van de rechter
Dan kom ik toe aan de beoordelingsruimte van de rechter bij het toepassen van de sanctie van beëindiging. Art. 350 lid 3 Fw begon voor de herziening van de WSNP met de zinsnede: “Een beëindiging bedoeld in het eerste lid kan geschieden indien (…)”. Sinds de herziening vangt art. 350 lid 3 Fw als volgt aan: “Een beëindiging als bedoeld in het eerste lid geschiedt indien (…)”. Daarom is de vraag gerezen of de rechter de schuldsaneringsregeling bij aanwezigheid van een beëindigingsgrond moet beëindigen en dus geen beoordelingsruimte meer heeft.
In de literatuur wordt aangenomen dat de rechter ook na de herziening van de WSNP beoordelingsruimte toekomt bij het toepassen van de sanctie van beëindiging. Daarvoor worden drie redenen genoemd. (1) Art. 350 lid 1 Fw, waarnaar art. 350 lid 3 Fw verwijst, bepaalt dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling kan beëindigen. Daarin ligt een discretionaire bevoegdheid besloten. (2) In de parlementaire stukken wordt op de (tekstuele) wijziging van art. 350 lid 3 Fw in het geheel niet ingegaan, hetgeen erop wijst dat geen inhoudelijke verandering is beoogd. (3) Bij de herziening van de WSNP is een nieuw art. 349a Fw toegevoegd. Op grond van lid 3 van dit artikel kan de rechter in het kader van art. 350 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengen. Het bestaan van die bevoegdheid duidt erop dat de rechter niet verplicht is om de schuldsaneringsregeling te beëindigen als zich één van de in art. 350 lid 3 Fw genoemde beëindigingsgronden voordoet.
Uit de door de bewindvoerder aangehaalde aantekening uit Tekst & Commentaar Insolventierecht komt, als ik het goed zie, eenzelfde beeld naar voren:
“Art. 350 regelt de mogelijkheid van de tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling naast de mogelijkheden daartoe die zijn voorzien in art. 312 lid 2 en art. 340 lid 1 . Ook buiten die gevallen bestaat behoefte de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te kunnen beëindigen. Lid 3 somt de gronden daartoe op. Per 1 januari 2008 is art. 350 gewijzigd. Voorheen was bepaald dat de rechter de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de daar genoemde gevallen tussentijds ‘kan’ beëindigen. Uit de woorden ‘geschiedt indien’ lijkt te volgen dat de rechter geen (of veel minder) ruimte voor een beoordeling heeft. In de toelichting (MvT, Kamerstukken II 2004/05, 29942, 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29942-3.html), p. 33 e.v.) en overige parlementaire stukken wordt op deze wijziging niet ingegaan. Uit het later toegevoegde art. 349a lid 3, waarbij de rechtbank in het kader van een tussentijdse beëindigingszitting de bevoegdheid tot wijziging van de looptijd is toegekend, kan worden afgeleid dat de rechter een beoordelingsvrijheid heeft.”
A-G De Bock concludeerde in 2018 in het licht van de literatuur en de wetsgeschiedenis ook dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft bij de beslissing over tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling:
“3.4 In de literatuur wordt er vanuit gegaan dat dat [ontbreken beoordelingsruimte, A-G] niet het geval is en dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft bij de beslissing tot tussentijdse beëindiging. Uit het feit dat art. 349 lid 3 Fw de rechter die over een tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 Fw moet oordelen de mogelijkheid geeft om de schuldsaneringsregeling (ambtshalve dan wel op voordracht van de rechter-commis-saris) te verlengen en daarmee dus een discretionaire bevoegdheid heeft, is af te leiden dat de rechter ook bij de beslissing over de tussentijdse beëindiging beslissingsruimte heeft. Tot de wetswijziging van 1 januari 2008 was in ieder geval sprake was van een discretionaire bevoegdheid (‘kan beëindigen’) en uit de parlementaire geschiedenis kan niet worden afgeleid dat op dit punt een aanpassing is beoogd, nu een toelichting op de gewijzigde bewoordingen ontbreekt. Aan te nemen is derhalve dat ook indien zich een van de beëindigingsgronden voordoet, de rechter onder omstandigheden kan oordelen dat er onvoldoende aanleiding is om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.”
Uw Raad verwierp het cassatieberoep in die zaak met toepassing van art. 81 RO.
Op deze gronden kom ik eveneens tot de slotsom dat de rechter beoordelingsruimte toekomt bij toepassing van de sanctie van beëindiging. Er bestaat geen algemene regel die inhoudt dat de schuldsaneringsregeling bij het begaan van toerekenbare misdrijven (behoudens zwaarwegende of bijzondere omstandigheden) moet worden beëindigd. Dat is naar mijn mening ook terecht. Het gaat namelijk niet alleen om de gedraging van de schuldenaar, maar ook om zijn persoon en de omstandigheden waarin hij verkeert. Voor het aanvaarden van de bepleite hard and fast rule zie ik vanuit dat perspectief geen noodzaak.
In dat licht had het hof de vrijheid om in dit geval niet de sanctie van beëindiging van de regeling toe te passen, maar de looptijd te verlengen. Subonderdeel 1.1 faalt.
Subonderdeel 1.2 bevat een motiveringsklacht tegen het oordeel dat in deze zaak aanleiding is voor het maken van een uitzondering. Deze klacht is verder uitgewerkt in de subonderdelen 1.2 onder a tot en met 1.2 onder e. In subonderdeel 1.2 onder a stelt de bewindvoerder dat het plegen van een misdrijf in de regel leidt tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Met het oog op de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid moet dan worden gemotiveerd waarom verlenging in plaats van beëindiging geïndiceerd is. De overwegingen van het hof zouden hiervoor ontoereikend zijn.
Het plegen van een misdrijf, zoals winkeldiefstal, zal dikwijls resulteren in een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Die constatering maakt het oordeel van het hof in deze zaak echter nog niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in zijn beoordeling de specifieke persoonlijke omstandigheden van [verweerder] betrokken: het hof overweegt dat hij ten tijde van de toelating kennelijk op de goede weg was, dat er sindsdien slechts een korte tijd is verstreken, dat in oktober 2018 het beschermingsbewind is uitgesproken en dat binnenkort het psychiatrische behandeltraject van [verweerder] zal aanvangen. Die omstandigheden kunnen het oordeel dragen dat beëindiging in dit geval een te zware sanctie is. Verder ligt aan het oordeel ten grondslag dat het hof er voldoende van overtuigd is geraakt dat [verweerder] alles in het werk stelt om zijn misstap te corrigeren en alsnog tot een succesvolle sanering van zijn schuldenlast te komen. Deze overweging – die mede zal berusten op de indruk die het hof bij de mondelinge behandeling van [verweerder] heeft gekregen – is vanwege het feitelijke en (deels) intuïtieve karakter in cassatie niet toetsbaar. Bovendien heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat tekortkomingen, zoals hier aan de orde, niet zonder gevolgen blijven. Het hof heeft de looptijd van de regeling met zeven maanden verlengd en overwogen dat [verweerder] zich geen misstap meer kan permitteren (rov. 6). Dit alles overziend, meen ik dat het hof zijn oordeel toereikend heeft gemotiveerd.
Volgens subonderdeel 1.2 onder b valt niet in te zien welke betekenis toekomt aan de door het hof genoemde algemene regel dat bij tussentijdse beëindiging gedurende tien jaar geen beroep meer kan worden gedaan op de schuldsaneringsregeling. Kennelijk heeft het hof deze – uit art. 288 lid 2 sub d Fw volgende – regel betrokken bij de vraag of tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling in dit geval een passende sanctie is. Dat stond het hof vrij. Dit geldt ook in het licht van de door de bewindvoerder aangehaalde bedoeling van de wetgever om te voorkomen dat de schuldsaneringsregeling een “draaideur” wordt “waardoor naar believen in- en uitgelopen kan worden”. Dat risico is hier niet aan de orde; het hof geeft [verweerder] juist een (laatste) kans om in de schuldsanering te blijven.
Subonderdeel 1.2 onder c stelt dat het onbegrijpelijk is dat [verweerder] naar het oordeel van het hof ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling “op de goede weg was”. Volgens de bewindvoerder heeft [verweerder] na de toelatingszitting, maar voor het toelatingsvonnis, twee nieuwe boetes voor zwartrijden gekregen (vonnis, p. 3) en heeft hij daarna diverse misstappen begaan. Deze omstandigheden hadden, als zij destijds bekend waren, in de weg moeten staan aan toelating tot de regeling.
Ook deze klacht treft geen doel. Op grond van art. 288 lid 1 sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Dit betekent dat er ten tijde van de toelating van [verweerder] signalen moeten zijn geweest dat hij op de goede weg was.
De twee nieuwe boetes voor zwartrijden zouden, indien bij de rechter bekend, volgens mij niet zonder meer verandering in dat beeld hebben gebracht en in de weg hebben gestaan aan de toelating van [verweerder] tot de schuldsaneringsregeling.
Een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen indien de schuldenaar schulden heeft die voortvloeien uit een veroordeling terzake van een misdrijf en deze veroordeling in de periode van vijf jaar voor het verzoek onherroepelijk is geworden (art. 288 lid 2 sub c juncto art. 358 lid 4 Fw). In onze zaak gaat het om strafbeschikkingen (zie vonnis, rov. 2). Strafbeschikkingen kwalificeren niet als een strafrechtelijke veroordeling in de zin van art. 288 lid 2 onder c Fw.
Wel zou de rechter de boetes voor zwartrijden, indien bekend, hebben meegewogen bij de beoordeling van het vereiste van goede trouw (art. 288 lid 1 sub b Fw) . De rechter zou zeer wel hebben kunnen oordelen dat deze boetes aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan. Art. 5.4.4 van de Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling bepaalt namelijk onder meer dat van goede trouw in beginsel geen sprake is als in een periode van vijf jaar vóór het verzoek schulden zijn ontstaan uit misdrijf of overtreding dan wel (substantiële) geldboetes zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen. In de feitenrechtspraak wordt bij boetes van enige omvang regelmatig geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste van goede trouw, welk oordeel dan in cassatie niet op juistheid toetsbaar is. Dat de feitenrechter tot dit oordeel komt, is echter geen wet van Meden en Perzen. Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van Uw Raad blijkt dat het bij de beoordeling van goede trouw gaat om een weging van alle omstandigheden van het geval. In onze zaak had in die afweging bijvoorbeeld ook meegewogen kunnen worden dat zwartrijden een relatief licht vergrijp is.
Bij deze stand van zaken kom ik, zij het met enige aarzeling, tot de slotsom dat de bewindvoerder niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de nieuwe boetes zonder meer verandering hadden gebracht in het beeld dat [verweerder] op de goede weg was en in de weg hadden moeten staan aan toelating tot de schuldsaneringsregeling.
De overige door de bewindvoerder genoemde misstappen – het plegen van een winkeldiefstal die heeft geleid tot detentie en het ontstaan van een nieuwe huurschuld, de tenaamstelling van een auto en de poging om naar Curaçao te reizen – dateren van na het toelatingsvonnis en konden daarom niet aan toelating in de weg staan.
Subonderdeel 1.2 onder d acht onbegrijpelijk dat betekenis toekomt aan het feit dat de “schuldsanering nog maar kort liep toen [verweerder] de fout in ging”. Volgens de bewindvoerder wijzen de vele ernstige tekortkomingen binnen korte tijd erop dat beëindiging van de regeling passend is. Ik begrijp het oordeel van het hof aldus dat [verweerder] kennelijk nog niet volledig was doordrongen van het regime van schuldsaneringsregeling, dat hij nog voldoende tijd heeft om zijn misstap te corrigeren en dat beëindiging van de regeling mede tegen deze achtergrond een te zware sanctie is. Zo gelezen, is de overweging van het hof in mijn ogen niet onbegrijpelijk.
Volgens subonderdeel 1.2 onder e valt niet in te zien waarom van belang is dat in oktober 2018 het beschermingsbewind is uitgesproken en dat binnenkort een psychiatrisch behandeltraject aanvangt. In deze zaak is namelijk niet aannemelijk geworden dat de tekortkomingen niet toerekenbaar zijn. Verder heeft het beschermingsbewind niet verhinderd dat [verweerder] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, zo betoogt de bewindvoerder.
Ook deze klacht slaagt naar mijn mening niet. De overwegingen over het beschermingsbewind en het psychiatrisch behandeltraject hebben geen betrekking op de geconstateerde tekortkomingen of de toerekenbaarheid. Het hof ziet het beschermingsbewind en het behandeltraject, alleszins begrijpelijk, als positieve stappen in de richting van een succesvolle sanering van de schuldenlast. Deze omstandigheden mocht het hof dan ook betrekken bij de beoordeling of in dit geval beëindiging dan wel verlenging van de regeling de meest aangewezen sanctie is.
Daarmee acht ik alle klachten ongegrond.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G