ECLI:NL:PHR:2019:1216

ECLI:NL:PHR:2019:1216, Parket bij de Hoge Raad, 03-12-2019, 19/00901

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/00901
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:510
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0008804

Samenvatting

Conclusie P-G over voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. De 26-jarige verdachte is aangehouden in de woning waar hij samen met zijn ouders woonde en waar een airsoftwapen werd aangetroffen. Bewijs dat hij wist dat in die woning al geruime tijd een wapen van zijn vader lag, waar hij bij kon, waarvan hij wist hoe het werkte, en dat hij ook heeft gebruikt om te schieten. P-G acht in dit geval het oordeel van het hof dat sprake was van voldoende beschikkingsmacht toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd en adviseert tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00901

Zitting 3 december 2019

CONCLUSIE

J. Silvis

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

Voorhanden hebben van een (vuur)wapen en/of munitie

7. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een (vuur)wapen en/of munitie in de zin van artikel 13 of artikel 26 WWM is volgens vaste jurisprudentie vereist dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat (vuur)wapen of die munitie (In het vervolg wordt ook kortweg over “wapen” gesproken, het voorvoegsel “(vuur)” en “munitie” worden niet telkens apart vermeld). Daarnaast moet de verdachte een zekere beschikkingsmacht over het wapen hebben gehad. De criteria aanwezigheid, machtsrelatie en bewustheid staan doorgaans niet los van elkaar; ze worden in de praktijk vaak in samenhang bekeken.

Aanwezigheid, machtsrelatie, en bewustheid

Aanwezigheid

8. Er moet sprake zijn van een wapen bij of in de directe omgeving van de verdachte. Dat wil niet zeggen dat het wapen letterlijk in de buurt of in handen van de verdachte moet zijn. Het wapen kan zich op een plaats bevinden die kilometers verwijderd is van de plaats waar de verdachte zich bevindt. De aanwezigheid van een wapen krijgt immers pas strafrechtelijke consequenties in relatie tot een mate van beschikkingsmacht over dat wapen en het in meer of mindere mate bewust zijn van de aanwezigheid van dat wapen. De aanwezigheid van een wapen in de woning, auto of het bedrijf van de verdachte maakt het waarschijnlijker dat hij zich bewust is van deze aanwezigheid en dat hij erover kan beschikken, maar dit is daarmee nog niet zonder meer het geval. Als de verdachte zich (in het geheel) niet in de nabijheid van het wapen bevindt, kan toch een veroordeling volgen zolang de verdachte maar over het wapen kan beschikken.

Beschikkingsmacht

9. Zoals gezegd hangen de criteria aanwezigheid, macht en bewustheid met elkaar samen. Bij gebreke van nabijheid van het wapen kan de vaststelling dat de verdachte beschikkingsmacht had over het wapen tot een veroordeling voor voorhanden hebben leiden. Voor beschikkingsmacht is niet vereist dat de verdachte eigenaar of bezitter is van het wapen. Bij beschikkingsmacht gaat het erom of de verdachte over het wapen kon beschikken: kon hij het gebruiken, weggooien, of er op een andere manier iets mee doen.

10. Beschikkingsmacht hebben over een opslagbox en de inhoud daarvan betekent, als ook anderen dan de huurder de sleutel hebben van die opslagbox, nog niet dat de verdachte ook de beschikkingsmacht had over een in die box in een doos opgeslagen riotgun met munitie. Die beschikkingsmacht over box en inhoud betekent immers nog niet dat de verdachte zich ook bewust was van alles wat in die box lag.

11. Beschikkingsmacht kan ook een rol spelen bij medeplegen. Of er sprake is van medeplegen wordt dan beoordeeld aan de hand van de vraag of de medepleger enige vorm van beschikkingsmacht had over het wapen.

12. Het is ook mogelijk dat twee verdachten ieder voor zich als pleger worden veroordeeld voor het voorhanden hebben van hetzelfde wapen op hetzelfde tijdstip op dezelfde plaats. Dat is in de onderhavige zaak het geval. Zowel verdachte als zijn vader zijn vervolgd als pleger van het voorhanden hebben van het wapen.

13. Zoals ik schreef in mijn conclusie van 5 november 2019 (ECLI:NL:PHR:2019:1109, onder nr. 17) zie ik beschikkingsmacht als een gradueel begrip dat zich in het licht van vaststellingen daaromtrent, leent voor een oriëntatie op wat van een persoon gevergd kan worden in de omstandigheden van een geval. Voor een bewezenverklaring van voorhanden hebben is bij de verdachte wel een ondergrens vereist van bewustheid van aanwezigheid dan wel bewustheid van de in de omstandigheden van het geval voor de hand liggende mogelijkheid van aanwezigheid van een wapen. Op die eis ga ik hieronder in.

Meer of mindere mate van bewustheid

14. Misdrijven bevatten een subjectief bestanddeel dat in de delictomschrijving is opgenomen of wordt ingelezen. Dit subjectieve bestanddeel kan zien op bewuste schuld in de zin van culpa of op opzet. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van art. 13 WWM is volgens vaste jurisprudentie vereist dat de verdachte zich “in meer of mindere mate” bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen. Hieronder lijkt zowel dolus/opzet als bewuste schuld te vallen. Voor de uitdrukking “in meer of mindere mate bewust” heb ik een opfrisbeurt bepleit.

15. Bij de bespreking van de meer of mindere mate van bewustheid ben ik ingegaan op de vraag of de ondergrens van de vereiste bewustheid voor voorhanden hebben wel zou moeten worden gevormd door ‘bewuste schuld’ in de zin van culpa. Dreigt daarmee niet het feitelijk aspect van bewust voorhanden te hebben ondergesneeuwd te worden door een normatief aspect. Ik werp dan ook de vraag op of bij de bepaling van de vereiste bewustheid van het voorhanden hebben van een wapen wel een normatieve dimensie betrokken moet worden.

16. Ten aanzien van de minimaal vereiste bewustheid meen ik dat voor het voorhanden hebben van een wapen tenminste vereist is dat de verdachte zich bewust is van de in de omstandigheden van het geval feitelijk voor de hand liggende mogelijkheid van aanwezigheid van een wapen.

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

17. Het hof heeft ten aanzien van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 2 augustus 2017 te [plaats] een wapen van categorie I onder 7°, als bedoeld in de Wet wapens en munitie, te weten een airsoftwapen gelijkend op een vuurwapen, te weten een CZ 75 Compact P-01 9 mm, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.”

18. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 augustus 2017 (pag. 3), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:Op 2 augustus 2017, zijn wij, verbalisanten, omstreeks 16:00 uur naar het adres [a-straat 1] te [plaats] gereden. Dit naar aanleiding van een melding dat er op dit adres een luchtbuks en een ander op een vuurwapen gelijkend voorwerp lagen.

Wij, verbalisanten, kwamen omstreeks 16:15 uur ter plaatse op genoemd adres. De voordeur werd geopend door een manspersoon, later bekend als [verdachte] (hof: de verdachte). Verbalisant [verbalisant 3] deelde mede dat er een melding was binnengekomen met betrekking tot de genoemde wapens en vorderde de uitlevering van de wapens. Wij, verbalisanten, hoorden dat [verdachte] zei dat er 2 luchtbuksen in de woning aanwezig waren en dat wij toestemming kregen om de woning te betreden.

Wij verbalisanten zagen dat er achter in de woonkamer een bed gesitueerd was. Wij verbalisanten zagen dat er op een hocker naast het bed, op een map van de Zuidzorg, een zwart voorwerp lag gelijkend op een vuurwapen.

2. Een ander geschrift, zijnde een kennisgeving inbeslagneming, van rapporteur [verbalisant 4] , brigadier van politie Eenheid Oost-Brabant, voor zover inhoudende:Inbeslagneming

Plaats : [a-straat 1] te [plaats]

Datum en tijd : 2 augustus 2017 te 16:20 uurReden : artikel 13/1 Wet wapens en munitie (cat. 1 sub 7)Grondslag : vatbaar voor onttrekking aan het verkeerOmstandigheden : het wapen betreft een niet van een echt vuurwapen te onderscheiden airsoftreplica. Het wapen lag op een tafel midden in de woonkamer van het betreffende adres, was doorgeladen. Na inbeslagneming is het wapen door mij, verbalisant [verbalisant 4] , ontladen en ontspannen.

Beslagene

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1991

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Volgnummer 1 Goednummer : PL2100-2017161127-1223817Object : AirsoftwapenMerk/type : Asg CZ75d CompactKleur : ZwartSerienummer : [001]Inhoud : 2x12 6mm bb’s en 1x 12g CO2 patroon in patroonhouderBijzonderheden : was geladen bij aantreffen, door verbalisant ontladen

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 augustus 2017 (pag. 13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4]:

Op 2 augustus 2017 omstreeks 16:20 uur was ik belast met het categoriseren van een wapen, welke in beslag was genomen op de [a-straat 1] te [plaats] . Ik bekeek een airsoftreplica van het merk ASG en het type CZ75D Compact . Ik heb de replica ontladen en ontspannen. Bij het ontladen haalde ik de patroonhouder uit de kastgroep. Ik zag dat de patroonhouder was geladen met 12, 6mm kunststof balletjes en een 12gram C02 patroon. Hierdoor zag ik dat het daadwerkelijk om een airsoftreplica ging. Ik zag dat de replica grotendeels zwart van kleur was. Ik zag dat enkel de zijkanten van de slede metaal/zilverkleurig waren. Ik zag aan de linkerkant van de kastgroep het merk ASG staan. Ik zag op de linkerzijkant van de slede het logo van de Tsjechische vuurwapenfabrikant Ceská Zbrojovka en het type vuurwapen, namelijk " CZ 75 D COMPACT ", staan. Op de rechterzijde van de kastgroep zag ik in kleine zwarte lettertjes de tekst "Made in Taiwan" staan. Daaronder zag ik de Duitse F-markering staan met daarnaast de tekst "Cal. 6mm BB". Aan de rechterzijde van de kastgroep staat het serienummer " [001] " gegraveerd. Op de rechterzijde van de slede staat het nummer “ [002] ”.Ik zag dat de replica een lengte heeft van ongeveer 185 mm. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , heb de airsoftreplica gecategoriseerd met behulp van het Kennissysteem Wet wapens en munitie. Hierin kan de replica niet volledig worden gecategoriseerd, omdat het criterium "gelijkend op echt" een subjectief begrip is en dit niet aan de hand van vragen objectief te toetsen is. Hierom heb ik vergelijkingen gezocht met het type vuurwapen waarop de replica gebaseerd is. Hiervoor ben ik naar de Amerikaanse website van de Tsjechische vuurwapenfabrikant Ceská Zbrojovka gegaan, via de link "http://cz-usa.com/". Op deze website vond ik een foto van de " CZ 75 Compact P-01 9mm", welke veel sterke gelijkenissen vertoont met de replica, via de link "http://cz-usa.com/product/cz-p-01-9mm- black-alloy-14-rd-mags/". Ik zag dat de vorm van beide wapens overeenkomt, evenals de locaties van richtmiddelen, hendels, groeven en slaghamer. Hiermee zag ik dat de airsoftreplica gelijkend op een echt vuurwapen is en daarmee voor bedreiging of afdreiging geschikt is. Hierdoor kan de airsoftreplica in de Wet wapens en munitie worden gecategoriseerd onder de categorie I sub 7.

4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 11 augustus 2017 (pag. 26-29), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte:

“1. V: Vraag verbalisantA: Antwoord verdachte/getuige/etc.

Ik woon thuis bij mijn ouders. Dat is de [a-straat 1] te [plaats] .

V: Op 2 augustus 2017 hebben wij bij u thuis, op de [a-straat 1] te [plaats] , een voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, danwel een airsoftreplica, aangetroffen. Wat kunt u hier over verklaren?

A: Toen jullie binnen kwamen lag deze op de bank. We hadden deze na een lange tijd weer een keer uit de kast getrokken, schoongemaakt en in het vet gezet.

V: Kunt u deze airsoftreplica voor mij omschrijven?

A: Ik weet dat hij zwart met zilver was. Op de zijkant stond CZ75 . Aan de linkerkant kon je hem vergrendelen.

V: Wij hebben de airsoftreplica in beslag genomen. De replica was gespannen, geladen en lag op een tafeltje midden in de woonkamer. Wat kunt u hierover verklaren?

A: Een paar dagen daarvoor hebben ik en mijn vader een keer in de achtertuin geschoten op een doel.

V: Voor wie was de airsoftreplica allemaal voorhanden?

A: Dit waren alleen mijn vader en ik.

5. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 1 februari 2019, voor zover inhoudende:

Het airsoftwapen is van mijn vader. Het was al geruime tijd in de woning. Ik wist dat het in de woonkamer lag. Ik heb een keer met dat wapen geschoten.

6. De verklaring van de getuige [getuige] afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 1 februari 2019, voor zover inhoudende:Het wapen heb ik jaren geleden in Spanje gekocht. Het leek inderdaad op een CZ 75D pistool. Op 2 augustus 2017 lag het in de woonkamer. Het wapen lag er twee dagen. Mijn zoon (het hof begrijpt: verdachte) woont ook in de woning. In de achterkamer, uitbouw, had ik mijn verpleegbed en daar lag het wapen. U, voorzitter, vraagt mij of mijn zoon het wapen kon pakken. Hij kon bij het wapen.”

19. Het hof heeft ten aanzien van het bewijs nog het volgende overwogen in zijn arrest:

“Van de zijde van de verdachte is vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte geen beschikkingsmacht had over het airsoftwapen. Hij was niet bij machte om het wapen, dat van zijn vader was, weg te doen. De vader van de verdachte heeft in hoger beroep als getuige verklaard dat zijn zoon geen spullen van hem weg zou gooien zonder zijn goedvinden en de verdachte heeft verklaard dat hij niet aan de spullen van zijn vader komt. Er is aldus geen sprake van enige beschikkingsmacht c.q. handelingsbevoegdheid aan de zijde van de verdachte. Nu er geen relatie tussen de verdachte en het wapen bestaat, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een airsoftwapen.

Het hof is van oordeel dat bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde feit wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof acht bewezen dat de verdachte op 2 augustus 2017 een airsoftwapen (een wapen als bedoeld in categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie) voorhanden heeft gehad. Het begrip ‘voorhanden hebben’ veronderstelt een drietal, niet cumulatieve factoren:

1. De aanwezigheid van het wapen, al dan niet in de onmiddellijke nabijheid van de dader, waarbij de eigendomsvraag van het wapen er niet toe doet.

2. Een machtsrelatie tussen dader en wapen, in dier voege dat er een zekere relatie moet bestaan tussen het wapen en de verdachte in die zin dat er met betrekking tot het wapen een zekere vorm van machtsuitoefening mogelijk moet zijn. Het gaat om een zekere handelingsbevoegdheid, waarvan ook kan worden gesproken wanneer men geen zeggenschap heeft over het wapen als zodanig, maar wel over de plaats waar het zich bevindt. Wanneer iemand het wapen van een ander in zijn woning heeft, heeft men wellicht geen zeggenschap over het wapen, maar kan men wel het wapen uit de woning verwijderen en aldus ‘handelingsbevoegdheid’ hebben ten aanzien van het wapen.

3. Er dient bij de dader een meer of mindere mate van bewustheid te bestaan ten opzichte van het aanwezig hebben van het wapen.

Het hof is van oordeel dat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen aan voornoemde factoren is voldaan. De verdachte wist dat zijn vader een airsoftwapen in bezit had en de verdachte heeft er zelf - naar eigen zeggen - ook een keer mee geschoten. De verdachte kon het wapen goed beschrijven en was bekend met de werking van het wapen.

Op 2 augustus 2017 lag het wapen gedurende twee dagen open en bloot in de woonkamer van de woning waar de verdachte samen met zijn ouders woont. Verdachte was zich daarvan bewust.

Ook al was het wapen van de vader van de verdachte en stelt deze dat zijn zoon er “met zijn tengels” van af moest blijven, dan nog is er naar het oordeel van het hof sprake van een zekere mate van machtsuitoefening, beschikkingsmacht, aan de zijde van de verdachte. De verdachte had het wapen uit de woning kunnen verwijderen en kunnen wegdoen. Hij had ook zijn vader kunnen vragen het wapen weg te doen, hetgeen de verdachte volgens de vader die als getuige ter terechtzitting in hoger beroep is gehoord, nooit tegen hem heeft gezegd. De vader-zoon relatie doet aan een en ander niet af en ook de stelling van de verdachte dat hij niet heeft geholpen bij het schoonmaken van het wapen, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders.

Het verweer wordt verworpen.”

Bespreking van het middel

20. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte is gekomen tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie, althans dat de motivering van deze bewezenverklaring onbegrijpelijk is. In het bijzonder is onbegrijpelijk dat het hof in zijn motivering als feit heeft aangenomen dat sprake is geweest van een zekere mate van machtsuitoefening door verdachte over het wapen.

21. In de toelichting op het middel wordt deze klacht geconcretiseerd in dat de bewezenverklaring niet begrijpelijk is, omdat het hof heeft nagelaten een vaststelling te doen over de bewustheid van verdachte van het wederrechtelijke van de aanwezigheid van het airsoftwapen en het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat en waarom verdachte in de positie was het wapen uit de woning te verwijderen en weg te doen.

22. Uit de bewijsmiddelen valt het volgende af te leiden: Op 2 augustus 2017 zijn verbalisanten, naar aanleiding van een melding over vuurwapens, naar het adres van verdachte en zijn ouders gegaan. Verdachte deed open en de verbalisant heeft de uitlevering van de wapens gevorderd. Verdachte zei dat er twee luchtbuksen in de woning aanwezig waren. Op een tafel midden in de woonkamer zagen de verbalisanten een niet van een echt vuurwapen te onderscheiden airsoftreplica liggen. Bij het aantreffen was het wapen doorgeladen. Na inbeslagneming is het wapen door een van de verbalisanten ontladen en ontspannen. Bij de politie verklaart verdachte dat zijn vader en hij deze airsoftreplica na lange tijd weer een keer uit de kast getrokken hadden, en schoongemaakt en in het vet gezet. Aan de linkerkant kun je het wapen vergrendelen. Een paar dagen eerder hadden verdachte en zijn vader in de achtertuin geschoten op een doel. Het airsoftwapen was voorhanden voor alleen verdachte en zijn vader. Het airsoftwapen was van zijn vader. Het was al geruime tijd in de woning en verdachte wist dat het in de woonkamer lag. De vader van verdachte heeft ter zitting van het hof als getuige verklaard dat zijn zoon, verdachte, het wapen kon pakken. Hij kon bij het wapen.

23. Ten aanzien van het klachtonderdeel dat het hof heeft nagelaten een vaststelling te doen over de bewustheid van verdachte van het wederrechtelijke van de aanwezigheid van het airsoftwapen merk ik op dat het opzet in de Wet wapens en munitie een kleurloos opzet is: de verdachte hoeft zich niet bewust te zijn van de wederrechtelijkheid van de aanwezigheid van het wapen. Het hof was derhalve niet gehouden een vaststelling te doen over de bewustheid van verdachte van het wederrechtelijke van de aanwezigheid van het airsoftwapen. En dan laat ik daar dat er ook geen verweer is gevoerd met die strekking.

24. Daarnaast heeft het hof overwogen dat ook al was het wapen van de vader en heeft deze gezegd dat zijn zoon er “met zijn tengels van af moest blijven”, er dan nog sprake is van beschikkingsmacht aan de kant van verdachte. Hij had het wapen kunnen verwijderen uit de woning en kunnen wegdoen of zijn vader kunnen vragen het wapen weg te doen. De vader-zoon relatie doet daar niet aan af. Ook de stelling van verdachte dat hij niet geholpen heeft met schoonmaken van het wapen, wat daar ook van zij, aldus het hof. (ik merk op dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn vader het wapen uit de kast hebben gehaald, hebben schoongemaakt en in het vet gezet, JS), maakt dit niet anders. Gelet op hetgeen uit de bewijsmiddelen volgt acht ik deze motivering niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik de verklaring van verdachte dat het airsoftwapen (enkel) voor hem en zijn vader voorhanden was, en ook de verklaring van zijn vader dat verdachte bij het wapen kon en het kon pakken. Ik ga er hierbij van uit dat verdachte ‘het voorhanden hebben van het wapen’ als een feitelijke omschrijving heeft gebruikt. Ook de overweging van het hof dat de vader-zoon relatie er niet aan afdoet vind ik, mede in het licht van die verklaringen, niet onbegrijpelijk. Het gaat hier om een ruim volwassen zoon die samen met zijn ouders in de woning woont, die wist dat het wapen in huis was, die bij het wapen kon, en het wapen ook gebruikt heeft.

25. Daarmee kom ik op mijn eerdere overweging onder nummer 13 over beschikkingsmacht, waarvan ik meen dat het een gradueel begrip betreft dat zich in het licht van vaststellingen daaromtrent leent voor een oriëntatie op wat van een persoon gevergd kan worden in de omstandigheden van een geval. Daarbij gaat het om de vraag of er voldoende zelfstandige beschikkingsmacht is voor de verdachte om deze een strafrechtelijk verwijt te kunnen maken wegens voorhanden hebben van een wapen. In de zaak die aan mijn conclusie van 5 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1109, ten grondslag lag was de zeventienjarige verdachte om 2.00 u ’s nachts aangekomen bij de woning van haar vriend om daar de nacht door te brengen. Deze heeft haar binnengelaten in de woning en in zijn slaapkamer, waar wapens op de grond en op een kastje direct in het zicht lagen. Voor zover de verdachte beschikkingsmacht kon uitoefenen over de wapens was die beschikkingsmacht volledig afhankelijk van het voorhanden hebben van die wapens door haar (ruim meerderjarige) vriend en van het toelaten door die vriend van de verdachte tot zijn domein. Mijn vraag was wat van een zeventienjarige in de vastgestelde omstandigheden kon worden verwacht: de wapens uit het raam gooien, de politie bellen, ’s nachts de straat weer op gaan in een stad waar zij niet woont? Op grond hiervan miste ik een motivering van het hof voor zijn beslissing dat er wel voldoende zelfstandige beschikkingsmacht was voor de verdachte als basis voor het strafrechtelijke verwijt.

26. In de onderhavige zaak gaat het om een bijna 26-jarige verdachte die wist dat er in de woning waar hij woonde al geruime tijd een wapen van zijn vader lag. Verdachte kon bij dit wapen, hij kon dit pakken. Hij wist hoe het wapen werkte. Hij heeft het wapen ook gebruikt om te schieten. Gelet op deze door het hof vastgestelde omstandigheden meen ik dat het hof met zijn overwegingen zijn oordeel dat er sprake was van voldoende beschikkingsmacht, in de zin dat er voldoende zelfstandige beschikkingsmacht was voor verdachte om deze een strafrechtelijk verwijt te kunnen maken, toereikend en niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?