2. Bespreking van de ontvankelijkheid van de incidentele vordering tot voeging
AT Osborne wenst zich in de onderhavige cassatieprocedure te voegen aan de zijde van SONA, eiseres tot cassatie. AT Osborne is evenwel reeds verweerster in deze cassatieprocedure. Tegen AT Osborne is verstek verleend, omdat zij als verweerster ondanks rechtsgeldige oproeping niet in het geding is verschenen. Naar mijn mening is AT Osborne in haar vordering tot voeging in cassatie niet ontvankelijk. Ik licht dit als volgt toe.
Op grond van art. 217 Rv kan een ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Uit de zinsnede ‘tussen andere partijen’ volgt dat de mogelijkheid tot voeging niet open staat voor degene die reeds partij is in het geding. Voeging strekt er immers toe dat een derde zich mengt in het processuele debat van partijen. AT Osborne is geen ‘derde’. Zij is (rechtsgeldig opgeroepen, maar niet verschenen) verweerster partij in het geding in cassatie. Zij kan zich niet als derde voegen in een zaak waarin zij zelf partij is.
Daarbij komt dat AT Osborne geen belang heeft bij haar vordering tot voeging. Een vordering tot voeging in cassatie kan immers niet dienen tot herstel van een eventueel verzuim om (tijdig) beroep in cassatie in te stellen. De partij die zich aan de zijde van een van de partijen in cassatie wil voegen, is gebonden aan de rechtsstrijd zoals bepaald door de cassatiemiddelen en kan zich slechts aansluiten bij het standpunt van die partij en dit ondersteunen. AT Osborne wordt thans niet belemmerd in haar mogelijkheid om het standpunt van SONA te ondersteunen. Zolang de Hoge Raad nog geen eindarrest heeft gewezen, kan AT Osborne op grond van art. 418a Rv in verbinding met art. 142 Rv het verstek zuiveren door alsnog in het geding te verschijnen, althans voor zover de eisen van een goede procesorde zich daartegen niet verzetten. Zij heeft dan de gelegenheid om haar standpunt ten aanzien van het cassatieberoep van SONA kenbaar te maken en aldus te betogen dat SONA zich moet kunnen voegen aan de zijde van AT Osborne in het hoger beroep tegen Berenschot.
Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat de omstandigheid dat AT Osborne verweerster in cassatie is, niet uitsluit dat zij een parallel belang kan hebben aan dat van eiseres tot cassatie (SONA) en/of een tegenstrijdig belang ten opzichte van de andere verweerster in cassatie (Berenschot). Hetzelfde geldt in het voegingsincident in hoger beroep. Hoewel SONA zich wilde voegen aan de zijde van AT Osborne, is AT Osborne – zoals het hof in het bestreden arrest ook heeft gedaan – procesrechtelijk aan te merken als verweerster in het voegingsincident in hoger beroep. In dit voegingsincident is AT Osborne dus (formeel) een wederpartij van SONA en niet een ‘mede partij’ tegen wie in beginsel geen cassatie kan worden ingesteld. Nu gegrondbevinding van het cassatieberoep van SONA na verwijzing ertoe kan leiden dat SONA in de hoofdzaak alsnog partij wordt, heeft SONA AT Osborne terecht opgeroepen te verschijnen als verweerster in cassatie zodat zij zich kan uitlaten over de klachten tegen de niet-ontvankelijkverklaring van SONA in de door haar gevorderde voeging.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van AT Osborne in haar incidentele vordering tot voeging.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G