ECLI:NL:PHR:2019:1243

ECLI:NL:PHR:2019:1243, Parket bij de Hoge Raad, 29-11-2019, 18/05311

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 29-11-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/05311
Rechtsgebied Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:885
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002656

Samenvatting

IPR. Huwelijksvermogensrecht. Vordering Ontvanger tot verhaal belastingschulden echtgenoot op goederen huwelijksgemeenschap. Gevolgen toepassing Roemeens huwelijksvermogensrecht kennelijk onverenigbaar met de openbare orde (art. 10:6 BW)?

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 valt in vier subonderdelen uiteen en is gericht tegen rov. 5.15 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft overwogen dat de toepassing van het Roemeense huwelijksvermogensrecht in dit geval kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Volgens het onderdeel is het hof met dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan (subonderdeel 1.1), althans is dit oordeel niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd (subonderdeel 1.2). De subonderdelen 1.3 en 1.4 bevatten specifieke motiveringsklachten. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.11, waarin het hof heeft overwogen dat de openbare orde-exceptie gereserveerd moet blijven voor ‘sprekende gevallen waarin het buitenlandse recht op essentiële punten ingrijpend afwijkt van het Nederlandse’. Het onderdeel is ‘zekerheidshalve’ voorgesteld en betoogt dat de omstandigheid dat een geval ‘sprekend’ is op zichzelf nog niet meebrengt dat het om beginselen en waarden van het Nederlandse recht zou gaan. Verder bevat onderdeel 2 klachten die voortbouwen op de voorafgaande klachten.

Het middel betreft in de kern de vraag of art. 1:96 BW van openbare orde is in de internationaal-privaatrechtelijke betekenis. Art. 1:96 BW is een bepaling van Nederlands huwelijksvermogensrecht en geldt in het geval dat sprake is van een wettelijke gemeenschap van goederen. Wanneer Nederlands recht het huwelijksvermogensregime van echtgenoten beheerst, is de regeling van art. 1:96 BW over het verhaal van schulden van dwingendrechtelijke aard (behoudens hetgeen thans is bepaald in art. 1:96b BW op grond waarvan echtgenoten bij overeenkomst het beloop van de vergoedingen ingevolge art. 1:96 BW anders kunnen bepalen). De bepaling is diverse keren gewijzigd, zonder dat de strekking ervan fundamenteel is veranderd.

In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat het Roemeense recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de man en de vrouw. Zowel de rechtbank als het hof zijn hiervan uitgegaan, hetgeen in cassatie niet is bestreden. Nu de man en de vrouw in 1990 met elkaar zijn gehuwd, wordt hun huwelijksvermogensrecht beheerst door de conflictenregeling van het commune internationaal privaatrecht, neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1976 (Chelouche/Van Leer).Bij gebreke van rechtskeuze wordt het huwelijksvermogensrecht beheerst door het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting, in dit geval het Roemeense recht.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 6 november 2013 overwogen dat het Roemeense recht in art. 33 van het tot 1 oktober 2011 geldende Wetboek van Familierecht (Codul Familiei) een regeling voor het verhaal van schulden heeft gekend, waarin is bepaald dat indien de persoonlijke bezittingen van de echtgenoot-schuldenaar onvoldoende verhaal bieden, de schuldeiser bij de rechter verdeling van de gemeenschappelijke goederen kan vorderen, voor zover dit nodig is voor het verhaal van zijn vordering. Tegen deze overweging van de rechtbank zijn in hoger beroep geen grieven gericht. Het hof heeft zich in rov. 5.6 van zijn arrest verenigd met hetgeen de rechtbank met betrekking tot het Roemeense recht heeft overwogen.

Naar Roemeens recht kan een schuldeiser van één van de echtgenoten zich niet zonder meer op de goederen van de huwelijksgemeenschap verhalen, maar dient eerst verhaal te worden genomen op privégoederen van deze echtgenoot. Pas als dat niet toereikend is, kan de schuldeiser verdeling vorderen van de huwelijksgemeenschap en zich vervolgens verhalen op het deel dat toekomt aan de schuldenaar. Hierin wijkt het Roemeense recht af van het Nederlandse: naar Nederlands huwelijksvermogensrecht kan een schuldeiser van een van de echtgenoten zich verhalen op de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen, ongeacht of het gaat om een eigen schuld of om een gemeenschapsschuld (art. 1:96 lid 1 BW). Wordt echter door een schuldeiser verhaal gezocht op goederen van de gemeenschap voor een eigen schuld van een echtgenoot, dan heeft de andere echtgenoot de mogelijkheid de schuldeiser te verwijzen naar de privégoederen van de eerstgenoemde echtgenoot, die voldoende verhaal bieden (art. 1:96 lid 2, eerste volzin, BW). Het hof heeft overwogen dat volgens Roemeens huwelijksvermogensrecht ook voor belastingschulden, zoals die in dit geval aan de orde zijn, mogelijk eerst verhaal zou moeten worden gezocht op privégoederen. Overigens maak ik uit de stukken op dat de Ontvanger heeft betoogd dat belastingschulden naar Roemeens recht als gemeenschapsschulden gelden, die wél rechtstreeks op gemeenschapsgoederen kunnen worden verhaald, zonder dat tot verdeling wordt overgegaan. Het hof heeft dit in het midden gelaten, en geoordeeld dat als toepassing van het Roemeense recht de Ontvanger inderdaad zou verplichten om voor de onderhavige belastingschulden eerst verhaal te zoeken op privégoederen van de man, dit in strijd is met de openbare orde (rov. 5.15).

Het hof heeft in rov. 5.11-5.12 een uitgebreide beschrijving van de exceptie van de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW gegeven, die in cassatie terecht niet is bestreden. De exceptie van de openbare orde is een uiterste redmiddel, dat slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden ingezet, namelijk indien de toepassing van het buitenlandse recht in strijd zou komen met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde. Het middel klaagt terecht dat het hof ten onrechte art. 1:96 BW van openbare orde heeft geacht en de toepassing van het Roemeense recht heeft geëcarteerd op grond van art. 10:6 BW. In art. 10:6 BW is bepaald dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Onder openbare orde (in de internationaal-privaatrechtelijke betekenis) worden de fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde verstaan, zoals het hof terecht in rov. 5.10 heeft overwogen. Van strijd van het Roemeense huwelijksvermogensrecht met deze fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde is in deze zaak geen sprake, zodat de toepassing van art. 10:6 BW niet is gerechtvaardigd. Evenals het Nederlandse recht in art. 1:96 BW strekt het Roemeense recht ertoe de belangen van de echtgenoot die geen schuldenaar is te beschermen. Het Roemeense recht maakt bovendien mogelijk dat de schuldeiser uiteindelijk verhaal kan nemen op gemeenschapsgoederen, namelijk door middel van verdeling. Dat geen verhaal kan worden genomen op hetgeen door die verdeling is gaan toebehoren aan de echtgenoot die geen schuldenaar is, is geen gevolg dat onverenigbaar is met fundamentele waarden en beginselen van het Nederlandse recht: tot die fundamentele waarden en beginselen behoort niet dat een schuldeiser goederen zou moeten kunnen uitwinnen die toebehoren aan een ander dan de schuldenaar. Het staat buiten kijf dat uitstaande belastingschulden moeten worden geïnd en dat daarmee een groot maatschappelijk belang is gediend, maar in deze civiele zaak rijst niet de vraag naar de meest effectieve belastinginning, maar de vraag of art. 1:96 BW van zo’n fundamenteel belang voor de Nederlandse rechtsorde is dat het Roemeense huwelijksvermogensrecht daarvoor wegens strijd met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW zou moeten wijken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Dat art. 1:96 BW een bepaling van dwingend recht is, betekent niet dat zij dus van openbare orde is en, ongeacht het op het huwelijksvermogensregime van partijen geldende recht, moet worden toegepast.

De slotsom is dat subonderdeel 1.1 van het middel slaagt. Bij deze stand van zaken behoeven de overige subonderdelen van onderdeel 1 geen bespreking. Hetzelfde geldt voor de zekerheidshalve voorgestelde additionele klacht en de voortbouwklacht van onderdeel 2.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JPF 2020/102
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?