Zitting 3 december 2019
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 4 september 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomen” veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/04061. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte is door mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet aan haar verplichting tot geregeld schoolbezoek heeft voldaan, althans dat het desbetreffende verweer door het hof is verworpen op gronden die de verwerping ervan niet kunnen dragen.
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 6 september 2016 tot en met 14 oktober 2016 in de gemeente Zutphen, als jongere die als leerling of deelnemer van een school of instelling, te weten Praktijkonderwijs Zutphen te Zutphen, staat ingeschreven, op grond van artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 niet heeft voldaan aan de verplichting het volledige onderwijsprogramma en het volledige programma van de combinatie leren en werken te volgen, dat door die school of instelling wordt aangeboden, terwijl ten aanzien van die jongere de leerplicht, als bedoeld in artikel 2 van genoemde wet was geëindigd en die jongere nog geen startkwalificatie had behaald.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
Voor zover in de hierna opgesomde bewijsmiddelen wordt verwezen naar het stamproces- verbaal wordt hiermee verwezen naar het door verbalisant [verbalisant] , leerplichtambtenaar, in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, gesloten en ondertekend op 12 december 2016 te Zutphen.
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal leerplicht (als bijlage pagina 3-10 van het stamproces-verbaal), opgemaakt op 12 december 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant]:
Melding relatief schoolverzuim
Naar aanleiding van een melding van vermoedelijk ongeoorloofd schoolverzuim van [betrokkene 1] , adjunct directeur van de Praktijkschool Zutphen, zijnde een school in de zin van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969, is er een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim in de periode van 06- 09-2016 tot en met 14-10-2016 van het hieronder genoemde kwalificatie plichtige kind.
Ik, [verbalisant] , leerplichtambtenaar in dienst van de gemeente Zutphen belast met de handhaving van de Leerplichtwet, daartoe aangewezen door burgemeester en wethouders, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar (nummer akte van beëdiging nummer [001] ), standplaats Zutphen, heb in verband met ongeoorloofd schoolverzuim na dit onderzoek vastgesteld dat de jongere en ouders verantwoordelijk zijn voor het schoolverzuim. Ik heb de jongere en ouders daarop op 23 november 2016, te Zutphen als verdachten opgeroepen. [verdachte] en haar ouders hebben geen gehoor gegeven aan de oproep. Ik heb [verdachte] en ouders wederom op 5 december 2016 als verdachten opgeroepen. Ook aan deze oproep hebben [verdachte] en ouders geen gehoor gegeven. De moeder van [verdachte] heeft bij beide oproepen per mail laten weten niet in staat zijn te komen vanwege ziekte.
Leerplichtige minderjarige/verdachte
Ouders van leerling/verdachten
Vrijstelling
Tevens heb ik vastgesteld dat de leerplicht als bedoeld in artikel 3 van de Leerplichtwet is geëindigd, maar dat de jongere geen startkwalificatie heeft als bedoeld in art. 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Verhoor verdachten
Er is geen gehoor gegeven aan de uitnodigingen voor verhoor op zowel 23-11-2016 en op 05-12- 2016. Op 23 november mailt moeder dat [verdachte] ziek is. Vanuit leerplicht wordt aangeboden om de hoorzitting op het woonadres van [verdachte] te doen indien dit wenselijk is. Hierop komt geen reactie. Er wordt een 2e hoorzitting gepland op 5 december 2016. Moeder laat per mail weten dat zij niet kunnen komen. Ze wijst leerplicht per mail op het feit dat rust voor [verdachte] nu van essentieel belang is, gezien de ernst van de situatie. Ze vraagt rust vanuit leerplicht.
Bijzonderheden schoolloopbaan/hulpverlening/voogd
01-08-2012 tot heden: Praktijkschool Zutphen
[verdachte] is door de Praktijkschool en door leerplicht meerdere keren verwezen naar de schoolarts, [betrokkene 3] , van de GGD. Hier is geen gehoor aan gegeven.
Huidige melding
2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheid (pagina ’s 12-13), inhoudende ‘Aanwezigheidsregistratie detail’ (betrekking hebbende op [verdachte] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
7. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Overweging met betrekking tot het bewijs
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde, nu verdachte verontschuldigbaar afwezig is geweest op school en er geen sprake was van ongeoorloofd ziekteverzuim.
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof stelt vast dat verdachte in de periode van 6 september 2016 tot en met 14 oktober 2016 niet naar de school is geweest waar zij stond ingeschreven. In zoverre is het feit bewezen. Vraag is of verdachte vrijgesteld was van de verplichting naar school te gaan wegens ziekte, als bedoeld in artikel 11 van de Leerplichtwet.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte geoorloofd afwezig is geweest van school ten tijde van de tenlastegelegde periode. Bij het proces- verbaal leerplicht bevindt zich een verzuimoverzicht. Een enkele afmelding vanwege ‘ziekte’ door haar moeder is niet zomaar voldoende voor geoorloofde afwezigheid. Door verdachte is op geen enkele manier openheid van zaken gegeven, zodat niet duidelijk is geworden waarom zij afwezig was. Er werd gesteld dat dit een privé aangelegenheid was en verder werd de deur dicht gehouden. Als een ziekte zou zijn vastgesteld zou dat een reden kunnen zijn geweest voor Bureau leerplicht om een vrijstelling voor het volgen van onderwijs af te geven op grond van artikel 11 van de Leerplichtwet. Een onderzoek naar de ziekte van verdachte is onmogelijk gebleken doordat niet werd meegewerkt met de diverse instanties. Dat recentelijk de psychische stoornis PTSS bij verdachte zou zijn vastgesteld, doet aan het voorgaande oordeel niet af.”
8. De voor de beoordeling van het middel relevante bepalingen uit de Leerplichtwet 1969 (verder ook: Lpw) luid(d)en als volgt:
Artikel 2 Verantwoordelijke personen
[…]
3 De jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, is verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet de school waaraan hij als leerling staat ingeschreven, geregeld te bezoeken, onverminderd het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 3 Begin en einde van de verplichting tot inschrijving
1. De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt, en eindigt:
a. […]
b. aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.
Artikel 4. Begin en einde van de verplichting tot geregeld schoolbezoek
1 De verplichting om te zorgen, dat een jongere de school waar hij als leerling staat ingeschreven, geregeld bezoekt, begint op de dag waarop hij na inschrijving op die school kan plaats nemen, en eindigt tegelijk met de verplichting om te zorgen, dat hij als leerling van een school staat ingeschreven.
§ 2a. Kwalificatieplicht Artikel 4a. Inschrijving
1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs […]verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:
Artikel 4b. Begin en einde verplichting tot inschrijving
De verplichting, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, vangt aan direct na het einde van de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet, en eindigt zodra de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt of een startkwalificatie heeft behaald.
Artikel 4c. De invulling van de verplichting tot geregeld schoolbezoek
1 De jongere die als leerling of deelnemer van een school of instelling staat ingeschreven op grond van artikel 4a, eerste lid, is verplicht het volledige onderwijsprogramma […] te volgen dat door die school of instelling wordt aangeboden.
Artikel 11. Gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek
De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting te zorgen dat de jongere de school waarop hij staat ingeschreven, geregeld bezoekt, en de leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt alsmede de jongere die kwalificatieplichtig is, zijn vrijgesteld van de verplichting de school of de instelling geregeld te bezoeken, indien
[…]
d. de jongere wegens ziekte verhinderd is de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken;
Artikel 12. Ziekte van leerling
Een beroep op vrijstelling wegens ziekte van de jongere kan slechts worden gedaan, indien daarvan binnen twee dagen na het ontstaan van de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven, zo mogelijk met opgave van de aard van de ziekte.
Artikel 13b. Kennisgeving bij beroep op vrijstelling
Een beroep op vrijstelling wegens ziekte van de jongere, wegens vervulling van plichten voort- vloeiend uit godsdienst of levensovertuiging wordt gedaan door middel van kennisgeving aan het hoofd door de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen, tenzij de leerplichtige jongere of de jon- gere die kwalificatieplichtig is niet meer woonachtig is bij deze personen, in welk geval de kennis- geving wordt gedaan door de jongere zelf.
Artikel 26. Strafbedreiging verantwoordelijke personen
1. […]
2. De leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt of de jongere die kwalificatieplichtig is, die de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomt, wordt gestraft met een hoofdstraf als genoemd in artikel 77h, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht, met dien verstande dat de geldboete een geldboete van de tweede categorie is.”
9. Uit de inhoud van bewijsmiddel 1 blijkt dat de verdachte is geboren op [geboortedatum] 2000 en dus in het schooljaar 2015/2016 de leeftijd van zestien jaar had bereikt. Ingevolge art. 3.1 eindigde aan het eind van dát schooljaar de verplichting ervoor te zorgen dat zij als leerling van een school stond ingeschreven. Deze verplichting was derhalve reeds geëindigd op het moment dat het nieuwe schooljaar in de maand september 2016 inging, en dat is wat de tenlastelegging en de bewezenverklaring tot uitdrukking brengen in de zinsnede: “terwijl ten aanzien van die jongere de leerplicht, als bedoeld in artikel 2 van de genoemde wet was geëindigd”.
10. Onder (de later ingevoegde) paragraaf 2a bepaalt art. 4a Lpw dat de in art. 2, eerste lid, bedoelde personen verplicht zijn te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van die paragraaf staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs verzorgt en deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, onder meer indien “b. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald”. Dat wordt eveneens in de tenlastelegging en de bewezenverklaring verwoord, en wel in het zinsdeel “terwijl (…) die jongere geen startkwalificatie had behaald“. In paragraaf 1 van de Leerplichtwet 1969 zal men in “Artikel 1 Begripsbepalingen” tevergeefs zoeken naar een omschrijving van ‘jongere’ en ‘geregeld bezoek’. Uit de tekst van de wetsbepalingen en de inhoud van bewijsmiddel 1 volgt echter dat de verdachte destijds jongere in de zin van de Leerplichtwet 1969 was. En wat betreft het ‘geregeld bezoek’ is het bepaalde in art. 4c Lpw van belang: de jongere is verplicht het volledige onderwijsprogramma te volgen dat door de bedoelde school of instelling wordt aangeboden. Daarom mag, lijkt mij, worden aangenomen dat ‘geregeld bezoek’ het bezoek impliceert zoals voorgeschreven door de school, het lesrooster en het individuele leerroutedocument. Artikel 1 geeft in de begripsbepalingen aan wat onder “Startkwalificatie" wordt verstaan: “een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.” Blijkens bewijsmiddel 1 is de Praktijkschool Zutphen een school in de zin van art. 1 Lpw.1
11. De Leerplichtwet 1969 voorziet in art. 11 in gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek. Een van die gronden is ziekte, voor zover althans gezegd kan worden dat de jongere daardoor (“wegens”) verhinderd is de school te bezoeken. Een beroep op vrijstelling wegens ziekte kan slechts worden gedaan indien daarvan binnen twee dagen na het ontstaan van de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven, zo mogelijk met opgave van de aard van de ziekte, aldus art. 12 Lpw. Woont de jongere nog thuis, dan wordt de kennisgeving gedaan door de in art. 2, eerste lid, Lpw bedoelde personen. In de wetsgeschiedenis wordt slechts summierlijk iets opgemerkt over de artikelen 11, 12 en 13b.2
Kennelijk vraagt de Leerplichtwet 1969 voor een beroep op vrijstelling wegens ziekte in beginsel niet méér dan een tijdige melding hiervan aan de directeur van de school. Het overleggen van een medische verklaring wordt niet expliciet voorgeschreven. Maar om het verband te kunnen vaststellen tussen ziekte en verhindering, zal om een dergelijke verklaring gevraagd kunnen worden. In ieder geval staat het de schooldirecteur vrij om bij een vermoeden van ongeoorloofd verzuim daarvan melding te maken bij de leerplichtambtenaar. Het is vervolgens aan de leerplichtambtenaar om een onderzoek in te stellen, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd (zie bewijsmiddel 1).
12. Daarbij draait het geheel en al om de vraag of de verdachte ten tijde van de hiervoor genoemde periode wel of niet ziek was (of al dan niet sprake was van ongeoorloofd verzuim) en, in samenhang daarmee, of de verdachte toen wel of niet aan de ingevolge de Leerplichtwet 1969 op haar rustende verplichting heeft voldaan.
13. Het hof heeft het belang van die vraag ten volle onderkend. Blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal is in hoger beroep zowel op de terechtzitting van 13 maart 2018 als op de terechtzitting van 21 augustus 2018 – op beide terechtzittingen was de verdachte niet verschenen – de aangevoerde ziekte van de verdachte het hoofdonderwerp van bespreking. Ik citeer uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 maart 2018:
“De voorzitter houdt voor dat het hof voor de zitting van de verdediging een email-bericht heeft ontvangen met daarbij gevoegd een behandelovereenkomst tussen de verdachte en de Jeugd- GGZ, waarin de diagnose PTSS gesteld is. De behandelovereenkomst dateert van 1 augustus 2017 en is door de behandelaar en verdachte ondertekend op 7 december 2017.
Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie en de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting aangeven niet over deze behandelovereenkomst te beschikken.
De voorzitter merkt op dat uit de overgelegde behandelovereenkomst niet opgemaakt kan worden wanneer de stoornis gespeeld heeft. Het betreft voornamelijk een verslag van hetgeen verdachte aan de behandelaar verteld heeft. Het hof beschikt ook niet over onderliggende stukken.
De voorzitter houdt voor dat uit het dossier blijkt dat reeds in mei 2016 163 uren aan ziekteverzuim genoteerd waren. Dit is vervolgens omgezet naar ‘ongeoorloofd verzuim’. Voor de ziekmeldingen zijn verschillende verklaringen gegeven, waaronder dat verdachte een ongeluk zou hebben gehad.
De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:
Mijn cliënte heeft op zitting in eerste aanleg al aangegeven dat er onvoldoende gekeken werd naar haar psychische klachten. Na deze zitting is zij opnieuw naar de huisarts gegaan en is zij doorge- stuurd naar de Jeugd-GGZ. Het trauma dat zij heeft opgelopen hangt samen met een conflict met de buurman.
De voorzitter merkt op dat het hof — nu verdachte niet ter zitting verschenen is — enkel kan oor- delen op basis van het dossier en de overgelegde behandelovereenkomst.
De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:
Mijn cliënte wil geen verdere bemoeienis. Ik heb haar voorgehouden dat het voor het verdere ver- loop wel verstandig is om hulpverlening toe te laten. Op die manier kan men ook zelf constateren dat het nu goed gaat en is er niet langer sprake van onduidelijkheid. Ik heb vorige maand voor het laatst contact gehad met mijn cliënte. Toen vertelde zij mij dat zij wekelijks gesprekken voert bij de GGZ. Er kan geen sprake zijn van ‘ongeoorloofd verzuim’ als vaststaat dat mijn cliënte ziek was. Ik heb ter onderbouwing enkel de gestelde diagnose en hetgeen mijn cliënt ter zitting in eerste aanleg gezegd heeft. Cliënte heeft niet eerder over haar trauma willen vertellen.
De voorzitter houdt aan de raadsman van verdachte voor dat het voor het hof lastig is om zonder aanwezigheid van verdachte de informatie uit de behandelovereenkomst te duiden en dat het van belang is om te weten of de kans aanwezig is of zij wel bij een volgende zitting zal verschijnen.
De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:
Ik heb al bij het voorbereiden van deze zitting aan cliënte voorgehouden dat u het liefst de zaken met haar persoonlijk wilt bespreken. Het kost haar veel tijd en energie. Wellicht speelt schaamte en een culturele factor ook een rol. Mijn inschatting is dat het lastig wordt om haar zover te krijgen om ter zitting te verschijnen.
[…]”
En het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 augustus 2018 vermeldt onder meer: “De voorzitter deelt mede dat het nadrukkelijk niet de bedoeling was dat verdachte er niet zou zijn, nu er een bevel verschijning is afgegeven op de zitting van 13 maart 2018.
De raadsman voert aan -zakelijk weergegeven-:
De voorzitter vraagt mij of mijn cliënt zich bewust is van het risico dat een bevel medebrenging wordt afgegeven. Ik heb gezegd dat dit een mogelijkheid is en ik heb het voorgelegd. Ik zeg ook iets in mijn pleitnota over hetgeen zij daarover te zeggen heeft.
Ik heb [verdachte] gisteren nog gesproken. Vanaf 2014 speelt er een burenconflict. Het geheim houden daarvan heeft haar veel energie gekost. Ze heeft problemen met school. Ook een zitting levert problemen op. Ze is nu op de goede weg en in behandeling, maar ervaart veel onveiligheid. Cliënt is bang dat als ze hier is, dat ze moet gaan praten over zaken waardoor ze getraumatiseerd is. Ze is bang dat dit haar weer zal ontregelen en voor de consequenties daarvan. In samenspraak heb- ben we daarom de beslissing genomen dat ze er niet bij zou zijn.
Ik hoor de voorzitter opmerken dat er een nieuw rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is betreffende [verdachte] van 3 augustus 2018 en dat ik een brief met een krantenartikel heb opgestuurd. De voorzitter merkt tevens op dat het hof alleen de behandelovereenkomst heeft en mijn stelling dat [verdachte] in behandeling is. Ik heb dit besproken en gevraagd of [verdachte] wilde dat ik namens haar medische informatie zou overleggen. Dit is de informatie die ik heb. Ik heb deze informatie van mijn cliënten gekregen en dit is wat ik u mag vertellen, maar het is uit tweede hand.
De advocaat-generaal voert aan -zakelijk weergegeven-:
De voorzitter vraagt mij naar mijn standpunt. Ik heb nog wel vragen aan de raadsman, maar wat mij betreft kunnen we de zaak inhoudelijk behandelen. Het is een soort van trekken aan een dood paard. Het gezin is gesloten en weigert alle hulp. Ik vraag me wat een persoonlijke verschijning zou opleveren, ze staan nergens voor open. Ik vraag niet om een bevel medebrenging.”
14. De voormelde pleitnota houdt, door mij geparafraseerd en voor zover hier van belang, het volgende in. De zaak heeft verdachte al veel negatieve energie gekost. Zij kampt sinds 2014 met een trauma dat soms opspeelt en dan weer minder op de voorgrond speelt. Spanningen zoals het bijwonen van een zitting in een onvoorspelbare en voor haar onveilige omgeving zorgen ervoor dat zij slechter functioneert. [verdachte] kiest voor haar gezondheid. Zij wil zich richten op haar behandeling bij Dimence en vandaag verschijnen brengt te grote risico’s mee voor verstoring van de positieve ontwikkeling die zij zegt door te maken. [verdachte] kan en wil vanwege de symptomen van haar PTSS niet over haar trauma en dus niet over de oorzaak van het verzuim praten. Er is geen sprake geweest van ongeoorloofd ziekteverzuim. Er is PTSS gediagnosticeerd. In de brief van [verdachte] van 16 augustus jl. geeft zij expliciet de exclusieve reden voor haar ziek-zijn aan en daarnaast dat dit speelde voorafgaand en tijdens de tenlastegelegde periode. Ook levert zij hiervan onderbouwing door middel van een krantenartikel. [verdachte] heeft mij wel verteld dat de ex-buurman het hele gezin terroriseerde en dat hij uiteindelijk ook door de woningbouwvereniging uit zijn huis is gezet. Er is steeds sprake geweest van zowel psychische als lichamelijke klachten. De huisarts en de kinderarts hebben de oorzaak niet kunnen vinden. Dit komt volgens [verdachte] omdat er alleen naar de lichamelijke klachten is gekeken. Pas na doorverwijzing naar specialistische hulp (Jeugd GGZ) is men tot een diagnose en tot de oorzaak (het conflict met de buurman) gekomen. Behandelovereenkomst: "Angsten, vermijding en lichamelijke klachten’’, dit waren de
klachten waardoor [verdachte] niet naar school kon. Inmiddels is duidelijk dat het verzuim was te wijten aan de gevolgen van een psychische stoornis (PTSS). Nu van de zijde van de Raad (ik, A-G, begrijp: voor de Kinderbescherming) en het openbaar ministerie niet is gesteld dat [verdachte] gewoon naar school had kunnen gaan of dat zij niet ziek zou zijn geweest, moet vastgesteld worden dat zij wel degelijk ziek was en dat zij om die reden niet naar school kón.
15. De behandelovereenkomst is op 1 augustus 2017 gedateerd en op 7 augustus 2017 voorzien van een handtekening van de behandelaar en de verdachte – dus ruim na de tenlastegelegde periode –, en is pas op de terechtzitting van 13 maart 2018 aan het hof overgelegd. Deze behandelovereenkomst houdt onder meer in:
“Diagnose volgens DSM-5
Probleemgebied psychisch/persoonlijkheid/psychosociaal
309.81 Posttraumatisch stresstoornis
V62.3 Leer- of onderwijsprobleem
Probleemgebied: somatisch
Geen, of geen relevante diagnose op as3. Toelichting: veel vage lichamelijke klachten, verder geen bijzonderheden.
Onderzoeks-/behandelvoorstel
Individuele kortdurende behandeling (KB), gericht op psycho-educatie, vergroten van veiligheid en het vergroten van [verdachte] coping en weerbaarheid, en traumabehandeling (EMDR). Hierbij zullen ter ondersteuning van [verdachte] ook ouders betrokken worden.”
16. Door de raadsman in feitelijke aanleg, en ook door de steller van het middel, is niet weersproken dat de verdachte in de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode (van 6 september 2016 tot en met 14 oktober 2016) niet aanwezig is geweest op school en in die periode (nog) niet in het bezit was van een startkwalificatie. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de moeder van de verdachte haar in de genoemde periode meermalen ziek heeft gemeld, dat de verdachte (ik, A-G, begrijp: over de ziekmeldingen en de gestelde ziekte) op geen enkele manier openheid van zaken heeft gegeven, dat gesteld werd dat dit een privéaangelegenheid was, dat verder de deur werd dichtgehouden en dat een onderzoek naar de ziekte van de verdachte onmogelijk is gebleken doordat niet werd meegewerkt met de diverse instanties. Deze vaststellingen zijn gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van de bewijsmiddelen volkomen juist. Ik wijs er daarbij op dat uit het ‘proces- verbaal leerplicht’ blijkt dat (a) de verdachte meermalen geen gehoor heeft gegeven aan oproepen, (b) zij en haar moeder niet zijn ingegaan op uitnodigingen voor een hoorzitting (eventueel op hun woonadres) en (c) zij, de verdachte, geen gehoor heeft gegeven aan de verwijzingen naar de schoolarts door de Praktijkschool en de leerplichtambtenaar, noch aan het voorstel, als het een privékwestie is, de schoolarts met de huisarts contact te laten opnemen, zulks om te achterhalen of het verzuim geoorloofd dan wel ongeoorloofd is. Verder acht ik, in het licht van hetgeen de verdediging te dien aanzien heeft aangevoerd, het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de inhoud van de – veel later – gepresenteerde behandelovereenkomst het standpunt van het hof niet anders maakt, niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik tevens in ogenschouw genomen dat de behandelovereenkomst weliswaar rept van een posttraumatische stoornis maar dat daarin niet is terug te lezen dat deze stoornis ook of al aanwezig was ten tijde van de tenlastegelegde periode, noch dat de verdachte “wegens” deze stoornis verhinderd was de school te bezoeken.
17. Kortom, de verdediging heeft de stelling dat de afwezigheid van de verdachte in de tenlastegelegde periode te maken heeft gehad met ziekte niet onderbouwd, terwijl naar het mij voorkomt het op haar weg had gelegen het beroep op de vrijstellingsgrond als bedoeld in art 11, aanhef en onder d, Lpw aannemelijk te maken en zo nodig met gegevens of bescheiden te staven.3Voor zover ik heb kunnen nagaan is omtrent deze stelplicht, en de onderbouwing ervan, nog geen uitspraak gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad. Wel heeft de Raad van State in zijn uitspraak van ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3953, Gst. 2015/19, m.nt. Sperling geoordeeld dat (i) de leerplichtambtenaar over beoordelingsvrijheid beschikt bij de verlening van vrijstelling op grond van art. 11, aanhef en onder g, Lpw (rov. 5.1); (ii) de rechter het besluit van de leerplichtambtenaar hierover dan ook terughoudend moet toetsen (rov. 5.1); en (iii) dat het aan degene is die een beroep doet op bijzondere omstandigheden deze aannemelijk te maken en bij voorkeur met bewijsmiddelen te staven (rov. 5.3).4Ik vermag niet in te zien waarom dat anders zou zijn met betrekking tot de vrijstellingsgrond als bedoeld in art. 11, aanhef en onder d (gestelde ziekte), Lpw.5
18. De klacht dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of de verdachte in de tenlastegelegde periode door ziekte verhinderd was haar school te bezoeken, gaat dus naar mijn inzicht niet op; het is niet aan de feitenrechter om daar (ambtshalve) onderzoek naar te doen, maar aan de verdediging om zulks aannemelijk te maken.
19. Daarmee is overigens niet gezegd dat ook (altijd) de aard van de ziekte aan het schoolhoofd kenbaar zou moeten worden gemaakt, nog daargelaten dat het hier een kwestie betreft die inmiddels ingewikkelder is geworden door de zogenoemde privacywetgeving. Art. 12 Lpw rept van “zo mogelijk”. Dat neemt evenwel niet weg dat, mede in het licht van de bevindingen van de leerplichtambtenaar, in een geval als het onderhavige op zijn minst de schoolarts moet kunnen vaststellen en bevestigen dát (inderdaad) sprake is van een ziekte in de zin van de Leerplichtwet 1969, zoals een bedrijfsarts dat moet kunnen doen als een werknemer zich ziek meldt.
20. Op grond van het voorgaande meen ik dat uit ’s hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte niet aan haar verplichting tot het geregeld volgen van onderwijs heeft voldaan en dat het hof daarmee tevens het in het middel bedoelde verweer op toereikende gronden heeft verworpen.
21. Het middel faalt.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG