PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 17/05480 A
Zitting 3 december 2019
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
4. Het eerste middel klaagt dat het Hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, subsidiair bewijsuitsluiting wegens onrechtmatige gebruikmaking van de in van de in art. 13d van de Vuurwapenverordening 1930 neergelegde bevoegdheid door de politie ten onrechte dan wel op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.
5. Het Hof heeft het in het middel genoemde beroep als volgt samengevat en verworpen:
“Ontvankelijkheid openbaar ministerie
De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte omdat sprake is van onrechtmatig optreden van de politie en het openbaar ministerie, dat heeft geleid tot een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waarbij met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte deze te kort is gedaan in zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak (art. 6 EVRM). Tevens is gesteld dat inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte (art. 8 EVRM). De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
Het optreden van de politie vindt geen grondslag in de bevoegdheid als bedoeld in artikel 13d van de Vuurwapenverordening 1930 en artikel 10c van de Opiumlandsverordening 1960, noch is er sprake van een “redelijk vermoeden” als bedoeld in artikel 13 lid 3 van de Vuurwapenverordening 1930.
Uit het dossier, het standpunt van de officier van justitie tijdens de behandeling in eerste aanleg en dat van het Gerecht in het tussenvonnis van 21 april 2017 en het proces-verbaal van 3 mei 2017 kan worden afgeleid dat uitsluitend is opgetreden op basis van de schriftelijke gebiedsbevelen van de officier van justitie. Ook deze bevelen kunnen niet de grondslag vormen voor een rechtmatig optreden. Het openbaar ministerie heeft de rechter doelbewust misleid door drie verschillende versies van het bevel Centrum over te leggen. Aanvankelijk een onvolledige en niet ondertekende versie, ter terechtzitting van 31 maart 2017 een tweede versie met geldigheidsduur van 12 september 2016 om 06:00 uur tot 12 september 2016 om 18:00 uur die dus de periode waarin is opgetreden niet dekte en ter terechtzitting van 3 mei 2017 een derde versie met geldigheidsduur van 12 september 2016 om 18:00 uur tot 13 september 2016 om 06:00 uur. Er zijn twee verschillende getekende versies van wat behoort te zijn één schriftelijk bevel Centrum. Dat er opnieuw is getekend, blijkt uit de omstandigheid dat de handtekeningen van de tweede en de derde versie zich niet op dezelfde plek bevinden.
Voorts kan de motivering van de bevelen de uitoefening ervan niet dragen. De bevelen bevatten geen concrete en actuele aanwijzingen en zijn te ruim en te algemeen van aard (geldend voor het hele eiland). In casu is geen sprake van daadwerkelijk vuurwapengebruik dan wel dreigend gebruik. En een vermoeden van vuurwapenbezit is onvoldoende aanleiding tot uitoefening van de bevoegdheden.
Het Hof overweegt het volgende.
Uit het proces-verbaal van aanhouding van 13 september 2016 blijkt het volgende. In de nacht van 12 op 13 september 2016 krijgen verbalisanten van Wijkbureau Rio Canario een melding van een onopvallende patrouille van het Quick Response Team inhoudende dat er vier motorvoertuigen op een verdachte wijze achter elkaar rijden. Op de kruising Schottegatweg Noord/Winston Churchillweg wordt een opvallende dienstauto met in werking zijnde optische verlichting dwars op de weg opgesteld. De verbalisanten rijden in een opvallende dienstauto, eveneens met in werking zijnde optische verlichting op de Schottegatweg Noord en zien een Toyota Prado aan komen rijden, die de strook inrijdt die leidt naar Vanddis Pompstation en vervolgens linksaf slaat in strijd met de verboden rijrichting. De verbalisanten rijden de Toyota Prado tegemoet op de Suffisantweg en versperren de weg teneinde de bestuurder tot stoppen te dwingen. Nog afgezien van de vraag of voornoemde omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit opleverden, konden de verbalisanten na het constateren van de begane verkeersovertreding reeds op basis van hun algemene bevoegdheid op grond van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 over gaan tot staandehouding. Het trachten de auto te doen stoppen, is dus bevoegdelijk gebeurd. Dat bij aanvang van de politieactie die nacht het voornemen heeft bestaan om preventief te controleren op grond van de door de officier van justitie afgegeven bevelen en dat in het proces-verbaal van aanhouding voor de staandehouding als grondslag wordt genoemd een controle op grond van de Wapenverordening 1931, de Vuurwapenverordening 1930 en de Opiumlandsverordening 1960 doet hier niet aan af.
Vervolgens negeert de bestuurder het stopteken en lossen de verbalisanten een waarschuwingsschot. Ook dit is bevoegdelijk gebeurd. De mede-inzittende wordt, nadat de auto is gestopt, gelast uit de auto te stappen en de verbalisant ziet daarbij dat hij een vuistvuurwapen met een verlengde patroonhouder bij zijn kruis heeft. De bestuurder tracht te vluchten en tijdens een daarop volgende worsteling met een van de verbalisanten valt er een vuurwapen van de bestuurder. De bestuurder doet pogingen om het vuurwapen te pakken, totdat een verbalisant het wapen wegschopt. De bestuurder, naar later blijkt de verdachte, en de mede-inzittende worden aangehouden en gefouilleerd en de Toyota Prado wordt doorzocht. Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden kon naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs een verdenking jegens de verdachte ontstaan van het plegen van een strafbaar feit, te weten overtreding van de Vuurwapenverordening, en waren de daarop gevolgde aanhouding (op heterdaad) en overige toegepaste dwangmiddelen dan ook, reeds op basis van de algemene bevoegdheden op grond van het Wetboek van Strafvordering, rechtmatig.
Het Hof komt tot de slotsom dat van enige normschending geen sprake is geweest. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die erop wijzen dat de verdachte op enigerlei andere wijze is geschaad in zijn recht op een eerlijk proces, zijn recht op privacy dan wel enig ander fundamenteel recht. Het noemen van een onjuiste grondslag voor het optreden door verbalisanten dan wel de officier van justitie, te weten de door de officier van justitie afgegeven bevelen, maakt dat niet anders en leidt ook niet tot een schending van een rechtens te respecteren belang van de verdachte. Overigens merkt het Hof op - zoals ook reeds door het Gerecht in eerste aanleg is overwogen - dat de gang van zaken ten aanzien van de overgelegde bevelen voor verwarring heeft gezorgd. Echter, dat ten aanzien van het bevel of de bevelen voor het gebied Centrum sprake is van bewuste misleiding door het openbaar ministerie, zoals door de verdediging is gesteld, of dat anderszins ten aanzien van dat bevel/die bevelen sprake is van een normschending die de verdachte in zijn belangen heeft geschaad, is onvoldoende aannemelijk geworden.
Het verweer wordt derhalve verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.
[…]
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit omdat het bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze is vergaard.
Het Hof verwijst naar de overwegingen zoals weergegeven onder het kopje “ontvankelijkheid openbaar ministerie”. Nu van enige normschending niet is gebleken, zijn ook voor uitsluiting van het bewijs of enige andere sanctie geen gronden aanwezig.”
6. Het middel ziet op de toepassing van art. 413 SvC, dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:
“5. De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet:
a. dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijze kan worden gecompenseerd;
b. dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad;
c. dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien door toedoen van de normschending er geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet.
[…]
7. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.”
7. Vooropgesteld dient te worden dat de Hoge Raad in zijn arrest van 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:786 heeft overwogen dat de inhoud van het vijfde en het zevende lid van art. 413 SvC in de kern overeenkomt met art. 359a Sv, waarin kort gezegd de vormverzuimen tijdens het voorbereidend onderzoek en de rechtsgevolgen ervan zijn geregeld. In navolging van de Hoge Raad in dat arrest, zal ik het middel vanuit het volgende beoordelingskader bespreken.
8. De beoordeling of aan een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv enig rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg, ingeval dit niet uit de wet blijkt, is aan de rechter voorbehouden. Een vormverzuim behoeft niet steeds te leiden tot een van de in het eerste lid genoemde rechtsgevolgen (strafvermindering, bewijsuitsluiting, niet-ontvankelijkverklaring Openbaar Ministerie). Het gaat om een bevoegdheid, niet om een plicht, en dat biedt de mogelijkheid af te zien van het toepassen van een rechtsgevolg als in het eerste lid genoemd en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. Hierbij dient de rechter rekening te houden met de beoordelingsfactoren als bedoeld in het tweede lid, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, dat wil zeggen “ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.” Bewijsuitsluiting kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.
9. In zijn, hierboven in randnummer 5 weergegeven, overwegingen heeft het Hof als zijn – niet onbegrijpelijk – oordeel tot uitdrukking gebracht dat van een vormverzuim als bedoeld in art. 413 SvC geen sprake is. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat (i) het staande houden op grond van de Wegenverkeersverordening Curaçao bevoegdelijk is gebeurd (waaraan niet afdoet dat in het proces-verbaal van aanhouding een onjuiste grondslag voor het staande houden wordt genoemd, aldus het Hof), (ii) er vervolgens op basis van feiten en omstandigheden redelijkerwijs een verdenking kon ontstaan jegens de verdachte wegens overtreding van de Vuurwapenverordening 1930 en (iii) er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die erop wijzen dat de verdachte geschaad is in zijn recht op een eerlijk proces, zijn recht op privacy of enig ander fundamenteel recht. Ten overvloede wijst het Hof er nog op dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van bewuste misleiding door het Openbaar Ministerie, dan wel dat anderszins sprake is van een normschending die de verdachte in zijn belangen heeft geschaad. Daarmee is voor het door de verdediging gewenste gevolg, te weten niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, geen plaats. Met verwijzingen naar deze overwegingen, heeft het Hof voorts – niet-onbegrijpelijk – geoordeeld dat, nu van enige normschending niet is gebleken, ook voor bewijsuitsluiting (of enige andere sanctie) geen gronden aanwezig zijn. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vooropgesteld en is opgemerkt over het hier toepasselijke beoordelingskader, getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Het in het middel bedoelde beroep is derhalve verworpen op gronden die deze verwerping kunnen dragen.
10. Het middel faalt.
11. Het tweede middel klaagt met betrekking tot feit 1 (overtreding Vuurwapenverordening 1930) dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid dat de verdachte wist dat zich in de auto vuurwapens en munitie bevonden en hij aldus opzet had ten aanzien van het voorhanden hebben van die wapens en munitie.
12. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 13 september 2016, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, voorhanden heeft gehad:
- een hagelgeweer (van het merk Baikal, 12 GA 00/9, serienummer [001]) en
- een pistool (van het merk Cavim, serienummer [002]) en
- een pistool (van het merk Glock model 17, kaliber 9 mm, serienummer [003]) en
- een pistool (van het merk Glock model 17, kaliber 9 mm, serienummer [004]) en
- een pistool (van het merk Glock model 17, kaliber 9 mm, serienummer [005]) en
- een pistool (van het merk Glock model 19, kaliber 9 mm, zonder serienummer), en
- een pistool (van het merk Glock model 26, kaliber 9 mm, serienummer [006]) en
- drie (3) lange patroonhouders (voor 30 patronen, van het merk Glock) en
- een (1) patroonhouder (voor 17 patronen, van het merk Glock) en
- twee (2) patroonhouders (voor 17 patronen, van het merk Glock) en
- vier (4) patroonhouders (twee voor 30 patronen, een voor 15 en een voor 16 patronen van het merk Glock),
in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en:
- 8 hagelpatronen 12 ga (van het merk Amusa) en
- 14 scherpe patronen van het kaliber 9 mm en
- 34 scherpe patronen van het kaliber 9 mm en
- vijfentwintig scherpe patronen van het kaliber 9 mm (van het merk C.B.C.) en
- vijfentwintig scherpe patronen van het kaliber 9 mm (van het merk CAVIM) en
- vijftig scherpe patronen van het kaliber 9 mm en
- vijftien scherpe patronen van het kaliber 9 mm en
- drieënzestig scherpe patronen van het kaliber 9 mm,
in de zin van de Vuurwapenverordening 1930;”
13. Wat betreft de bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring berust, verwijs ik, voor zover hier relevant, naar randnummer 3. De overige bewijsmiddelen ter zake hebben betrekking op het forensische onderzoek naar de vuurwapens en de patronen, en behoeven voor de beoordeling van het middel niet te worden aangehaald.
14. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier relevant, het volgende in:
“Bewijsoverwegingen
[…]
Voorwaardelijk opzet en medeplegen
De verdediging heeft subsidiair vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde voorhanden hebben van de in de kofferruimte aangetroffen zak inhoudende vuurwapens en een jachtgeweer, nu niet bewezen kan worden dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van die zak. Ook is er geen sprake van medeplegen ten aanzien van het voorhanden hebben van vuurwapens.
Het Hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.
Gezien de wijze waarop de voertuigen, waaronder ook de Toyota Prado waarin de verdachte zich als bestuurder bevond, zich (blijkens het proces-verbaal van aanhouding) over het eiland bewogen is de constatering van de verbalisanten dat het om ‘verdacht rijgedrag’ ging gerechtvaardigd. De gerechtvaardigdheid van deze constatering wordt verder versterkt doordat de voertuigen vervolgens plotseling van rijstrook veranderden nadat een politieauto met inwerking zijnde optische signalen zichtbaar werd, en de voorste voertuigen, waaronder nog steeds die waarin de verdachte zich bevond, direct daarna een eenrichtingsverkeerstraat van de verkeerde zijde inreden. Naar het zich laat aanzien heeft de verdachte op dat moment, samen met zijn medeverdachten, de vlucht voor de politie ingezet. Uit de aanhouding, zoals hierboven reeds is beschreven, volgt verder dat de verdachte de auto pas heeft stilgezet nadat er door de politie een waarschuwingsschot is gelost. Verder blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachte beiden een vuurwapen binnen handbereik aanwezig hadden. Zonder een aannemelijke andersluidende verklaring - die niet is gegeven - kan hieruit slechts worden opgemaakt dat de verdachte en zijn medeverdachte zich aan hun aanhouding wensten te onttrekken om te voorkomen dat de politie de in de door de verdachte bestuurde auto aanwezige illegale goederen zou vinden. Op grond hiervan concludeert het Hof dat de verdachte zich bewust was van de illegale goederen in de kofferbak en dat de verdachte en zijn medeverdachte(n) in bewuste en nauwe samenwerking willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de illegale goederen die zij voorhanden hadden wapens, munitie en verdovende middelen bevatten.”
15. Het bewezenverklaarde onder feit 1 levert blijkens de kwalificatie op het “medeplegen van overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd”. Deze bepaling luidde ten tijde van de tenlastegelegde pleegdatum (en luidt ook nu nog):
“Het is verboden een vuurwapen of munitie voorhanden te hebben, behoudens de uitzonderingen in het volgend lid genoemd.”
En art. 11 van de Vuurwapenverordening 1930 luidde (en luidt), voor zover hier van belang:
“Hij, die een bij of krachtens deze verordening gesteld verbod, overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste tienduizend gulden. […]
De bij deze verordening strafbaar gestelde feiten worden, indien daarop mede gevangenisstraf is gesteld, als misdrijven en overigens als overtredingen beschouwd.”
16. Evenals art. 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie – luidend: “Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.” – bevat art. 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 niet het bestanddeel opzet. Opzet maakt in casu ook niet expliciet deel uit van de bewezenverklaring. Wel wordt het (formeel omschreven) feit als een misdrijf beschouwd, indien daarop – zoals in casu – mede gevangenisstraf is gesteld. Ook in de Nederlandse situatie is het in strijd handelen met art. 26, eerste lid, WWM een misdrijf (art. 56 WWM). Naar algemeen wordt aangenomen ligt alsdan in het “voorhanden hebben” (ingeblikt) een schuldverband besloten. De vraag is dan nog wel om welk schuldverband het gaat.
17. In de Nederlandse situatie heeft de Hoge Raad met betrekking tot het “voorhanden hebben” geoordeeld dat een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van het wapen of de munitie vereist is. Volle wetenschap is niet nodig, ook voorwaardelijk opzet en, naar wordt aangenomen, bewuste schuld voldoen hier. Het spreekt voor zich dat de vereiste meer of mindere mate van bewustheid voldoende gemotiveerd uit de bewijsvoering moet volgen. Daarnaast moet sprake zijn van een bepaalde machtsrelatie tussen dader en wapen of munitie, anders gezegd van een zekere beschikkingsmacht. Wordt bijvoorbeeld het wapen aangetroffen in een typisch voor de verdachte toegankelijke ruimte, dan kan dit redengevend zijn voor de vaststelling van de bewustheid (indien de verdachte daarvoor geen redelijke verklaring heeft gegeven). Verwerping van een alternatief scenario dient te worden gemotiveerd.
18. Ik ga ervan uit dat al deze vereisten evenzeer van toepassing zijn op – kort gezegd – de Vuurwapenverordening 1930 en de onderhavige zaak.
19. De toelichting op het middel stelt vooreerst dat de verdachte van alle rechtsvervolging had moeten worden ontslagen omdat, nu het hier om een misdrijf gaat, veroordeling alleen mogelijk is indien opzet uitdrukkelijk is tenlastegelegd en bewezen, terwijl dat hier niet is gebeurd. Deze stelling berust op een onjuiste rechtsopvatting; ik verwijs daarvoor naar hetgeen in randnummer 16 is opgemerkt.
20. Indien echter moet worden aangenomen dat opzet niet behoeft te worden tenlastegelegd, maar opzet wel moet komen vast te staan, is het de steller van het middel te doen om de vuurwapens en de munitie die in de kofferbak van de auto zijn aangetroffen en het oordeel van het Hof daarover in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Het aan de verdachte toegeschreven voorwaardelijk opzet ten aanzien van het voorhanden hebben van die vuurwapens en munitie zou niet toereikend met redenen zijn omkleed.
21. Ik zie dat anders. Het Hof heeft allereerst vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte ieder een vuurwapen binnen handbereik aanwezig hadden en zij (zie bewijsmiddel 2) kennelijk een verlengde patroonhouder met patronen op de stoel van de medeverdachte, een patroonhouder met patronen op de middenconsole en een zwarte nylon koppelriem met beenholster en een patroonhouder met patronen op de achterbank in het zicht hadden liggen. Voor zover de bewezenverklaring op die vuurwapens, patroonhouders en munitie ziet, wordt daarover door de steller van het middel niet geklaagd.
22. Uit de aanwezigheid van de vuurwapens binnen handbereik, maakt het Hof op, dat de verdachte en de medeverdachte zich aan hun aanhouding wensten te onttrekken opdat de in hun auto aanwezige illegale goederen niet zouden worden gevonden. Deze overweging vind ik niet onbegrijpelijk. Uit de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden kan – nu blijkens de overweging van het Hof de verdachte geen aannemelijke andersluidende verklaring heeft gegeven – geen ander beeld ontstaan dan dat de verdachte en de medeverdachte actief betrokken waren bij het vervoer door een bewapende colonne van een waardevolle lading illegale goederen, welke lading zich ook nog eens in de achterbak van de auto van de verdachte en de medeverdachte bevond. Onder met name deze omstandigheden kon het hof – niet onbegrijpelijk – tot het oordeel komen dat de verdachte en de medeverdachte in bewuste en nauwe samenwerking willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de illegale goederen die zij voorhanden hadden niet alleen verdovende middelen maar ook (veelal daarmee gelieerde) wapens en munitie bevatten. Daarmee is voldaan aan het vereiste van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van de wapens en munitie. Voorts ligt in de overwegingen van het Hof besloten dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht over die wapens en munitie had. Ik meen dan ook dat de bewezenverklaring naar de eis der wet met redenen is omkleed en dat mitsdien het gevoerde verweer op toereikende gronden is verworpen.
23. Het tweede middel faalt.
24. Beide middelen falen en kunnen naar het mij voorkomt met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
25. Ambtshalve wijs ik erop dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Dat moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.
26. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden