ECLI:NL:PHR:2019:1268

ECLI:NL:PHR:2019:1268, Parket bij de Hoge Raad, 29-11-2019, 19/02261

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 29-11-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/02261
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:265
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Berekening draagkracht. Motiveringsklachten.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel. Het klaagt (in 1.1) dat het hof in ro. 5.11.1 tot en met 5.11.3, 5.13, 5.16 tot en met 5.19 alsmede in het dictum onjuiste en/of onbegrijpelijke beslissingen heeft gegeven. Ter onderbouwing wijst het onderdeel erop dat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man (ter vaststelling van de door hem te betalen kinderalimentatie) de ‘overheveling van de heffingskorting van de nieuwe partner van de man (hierna: [betrokkene 5] )’ heeft betrokken. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom dit is gebeurd, zodat dit oordeel rechtens onjuist althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Het onderdeel betoogt voorts (in 1.2) dat de toepassing van artikel 1:397 BW inzake kinderalimentatie rechtersrecht is, hetgeen het Rapport alimentatienormen (de Tremanormen) poogt te uniformeren. De rechter kan ervan afwijken. De beslissing waarbij kinderalimentatie wordt vastgesteld, dient zodanig inzichtelijk te zijn dat deze voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar is, waarbij van belang is hoe de rechter tot zijn beslissing is gekomen. Het inkomen van de nieuwe partner dient niet bij de bepaling van de draagkracht ten behoeve van kinderalimentatie te worden betrokken, zo blijkt uit de Tremanormen. Het al dan niet meerekenen van de heffingskorting van [betrokkene 5] maakte geen deel uit van het partijdebat, zodat het het hof niet vrij stond om dit ambtshalve te doen. Bovendien is deze afwijking van de Tremanormen niet, althans onvoldoende gemotiveerd en het is onbegrijpelijk dat het hof de maximale heffingskorting bij zijn berekening heeft betrokken. In 2017 is slechts een bedrag van € 902,- uitbetaald aan [betrokkene 5] , zo blijkt uit de door het hof genoemde aangifte Inkomstenbelasting 2017. Ten slotte klaagt het onderdeel (in 3) dat het hof voor de periode vanaf 1 augustus 2018 (het moment dat [betrokkene 2] bij de man is gaan wonen) heeft aangenomen dat de man gerechtigd is tot het kindgebonden budget en € 297,- per jaar bij het inkomen van de man opgeteld (in de berekening ‘nbi man III’). Het door het hof vastgestelde toetsingsinkomen van de man in deze periode is echter te hoog voor het maximale kindgebonden budget. Het hof heeft ten onrechte niet gemotiveerd hoe het de hoogte van het kindgebonden budget heeft begroot. Bovendien is het kindgebonden budget in het partijdebat evenmin aan de orde gekomen. Op dit punt wordt verwezen naar ro. 5.6.2 van de bestreden beschikking van 14 februari 2019 en de omstandigheid dat [betrokkene 2] gedurende de appelprocedure uit huis geplaatst is geweest en eveneens gedurende deze procedure is besloten dat [betrokkene 2] bij de man zou gaan wonen. Met een onjuiste vaststelling van de draagkracht van de man op deze wijze zijn ook zijn kinderalimentatieverplichtingen onjuist dan wel onbegrijpelijk vastgesteld.

Bij de behandeling van de klachten dient vooropgesteld te worden dat, volgens vaste jurisprudentie, de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij de vaststelling van (kinder)alimentatie. De vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, zijn voorbehouden aan de feitenrechter. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Uw Raad overwoog in een uitspraak van 4 december 2015:

“De vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Hetzelfde geldt voor de factoren die de behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan (vgl. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563).”

Gelet op dit uitgangspunt is het cassatiemiddel al gedoemd te mislukken. Ten overvloede merk ik puntsgewijs nog het volgende op.

De klacht dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom de heffingskorting van [betrokkene 5] bij het inkomen van de man is opgeteld, mist feitelijke grondslag. Ik verwijs naar de rov. 5.11.2 en 5.12.2 van het hof, waaruit volgt dat het hof aan de ene kant de heffingskorting van [betrokkene 5] heeft overgeheveld, waar tegenover staat dat het hof ten nadele van de draagkracht van de man rekening houdt met haar premie ziektekosten, haar eigen risico en de aflossing op de schuld van een keuringsrapport. Vervolgens klaagt het onderdeel dat het inkomen van de nieuwe partner van de alimentatieplichtige volgens de Tremanormen niet bij de draagkracht dient te worden betrokken. Zoals het onderdeel zelf ook stelt, betreffen de alimentatienormen aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen gericht op de uniformering van alimentatiebeschikkingen, en vormen zij geen recht in de zin van artikel 79 lid 1 sub b RO. Het stond het hof derhalve vrij om onder de hiervoor genoemde omstandigheden de heffingskorting van [betrokkene 5] bij de draagkracht van de man te betrekken.

De klacht dat het al dan niet meerekenen van de heffingskorting van [betrokkene 5] geen deel uitmaakte van het partijdebat, zodat het het hof niet vrij stond om dit ambtshalve te doen, treft evenmin doel. Uit de stukken in het dossier blijkt dat [betrokkene 5] heffingskorting ontvangt. Gelet op de grote mate van vrijheid die het hof heeft bij het vaststellen van de draagkracht van de alimentatieplichtige (in dit geval de man), kon het hof zelf beoordelen of het de heffingskorting van [betrokkene 5] bij de draagkracht van de man betrokken diende te worden, en ook voor welk bedrag. Dit is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Gelet op de hiervoor (in 2.3) besproken motivering van het hof, is dit oordeel niet onbegrijpelijk.

Ten aanzien van de klachten over het kindgebonden budget heeft het volgende te gelden. Blijkens het proces-verbaal van de zitting bij het hof is het kindgebonden budget onderwerp geweest van het debat tussen partijen:

“De man:

[…]

Ik krijg geen kindgebonden budget, de vrouw moet toestemmen. Of dat met terugwerkende kracht kan valt nog te bezien.”

Gelet hierop kan niet gezegd worden dat sprake is van een verrassingsbeslissing. Het hof heeft (vervolgens) in de bestreden beschikking het volgende overwogen over het kindgebonden budget:

“Nu [betrokkene 2] met ingang van 1 augustus 2018 bij de man is gaan wonen, gaat het hof ervan uit dat de man met ingang van 1 augustus 2018 kindgebonden budget voor [betrokkene 2] kan ontvangen. De man kan het kindgebonden budget voor 2018 nog aanvragen tot 1 september 2019. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw, indien en voor zover nodig, haar volledige medewerking zal geven aan de aanvraag van het kindgebonden budget door de man.”

Het hof heeft dus voldoende gemotiveerd waarom het kindgebonden budget dat de man voor [betrokkene 2] kan ontvangen bij zijn draagkracht is betrokken. Van een verrassingsbeslissing is geen sprake. Bovendien heeft het hof ook op dit punt een grote mate van vrijheid bij het bepalen van de draagkracht van de man. De klachten over de hoogte van het kindgebonden budget dan wel de hoogte van het inkomen van de man stuiten voor het overige af op de feitelijkheid van dit oordeel, hetgeen in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Dit leidt ertoe dat het onderdeel faalt.

Ik geef Uw Raad toepassing van art 81 RO in overweging.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?