ECLI:NL:PHR:2019:1317

ECLI:NL:PHR:2019:1317, Parket bij de Hoge Raad, 17-12-2019, 19/01290

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/01290
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:219
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004364 BWBR0006622

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag ex art. 35a lid 4 Scheepvaartverkeerswet strekkende tot teruggave aan klager van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden vaarbewijs, wegens verdenking van varen onder invloed. Uit ingewonnen inlichtingen blijkt dat de officier van justitie het vaarbewijs op 14 mei 2019 heeft teruggegeven aan klager. Deze teruggave is gebaseerd op art. 35a lid 3 sub c Scheepsvaartverkeerswet, waarin is bepaald dat het vaarbewijs onverwijld wordt teruggegeven indien het onderzoek van de strafzaak op de terechtzitting niet binnen 26 weken na de dag van invordering is aangevangen. Volgens de AG moet het er daarom voor worden gehouden dat de klager geen belang meer heeft bij het cassatieberoep. De AG stelt zich op het standpunt dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Uitspraak

3. Ontvankelijkheid van het beroep

Ambtshalve wijs ik op het volgende. Van de klager is op 9 november 2018 het vaarbewijs ingevorderd wegens verdenking van varen onder invloed. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich de ‘Handmatige beslissing inhouding’ van de officier van justitie waaruit volgt dat het vaarbewijs van de klager op 19 november 2018 voor de periode van twaalf maanden werd ingehouden, onder vermelding van “Inhouden uiterlijk tot: 4 november 2019”. Uit namens mij bij het Arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de CVOM ingewonnen inlichtingen is gebleken dat de strafzaak tot op heden geen aanvang heeft genomen. Ook is uit de ingewonnen informatie gebleken dat het vaarbewijs op 14 mei 2019 per post is geretourneerd aan de klager. Deze teruggave vindt zijn grondslag in art. 35a lid 3 sub c Scheepvaartverkeerswet. Daarin is bepaald dat de officier van justitie het vaarbewijs onverwijld teruggeeft aan de houder indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen 26 weken na de dag van invordering is aangevangen.

Een en ander brengt mee dat de klager geen belang meer heeft bij zijn cassatieberoep. Van inhouding van het vaarbewijs op grond van art. 35a lid 2 Scheepvaartverkeerswet is immers geen sprake meer. Een eventuele vernietiging van de bestreden beschikking kan daardoor geen verandering brengen in de rechtspositie van de klager met betrekking tot het vaarbewijs.

4. Conclusie

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van de klager in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?