3. Ontvankelijkheid van het beroep
Ambtshalve wijs ik op het volgende. Van de klager is op 9 november 2018 het vaarbewijs ingevorderd wegens verdenking van varen onder invloed. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich de ‘Handmatige beslissing inhouding’ van de officier van justitie waaruit volgt dat het vaarbewijs van de klager op 19 november 2018 voor de periode van twaalf maanden werd ingehouden, onder vermelding van “Inhouden uiterlijk tot: 4 november 2019”. Uit namens mij bij het Arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de CVOM ingewonnen inlichtingen is gebleken dat de strafzaak tot op heden geen aanvang heeft genomen. Ook is uit de ingewonnen informatie gebleken dat het vaarbewijs op 14 mei 2019 per post is geretourneerd aan de klager. Deze teruggave vindt zijn grondslag in art. 35a lid 3 sub c Scheepvaartverkeerswet. Daarin is bepaald dat de officier van justitie het vaarbewijs onverwijld teruggeeft aan de houder indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen 26 weken na de dag van invordering is aangevangen.
Een en ander brengt mee dat de klager geen belang meer heeft bij zijn cassatieberoep. Van inhouding van het vaarbewijs op grond van art. 35a lid 2 Scheepvaartverkeerswet is immers geen sprake meer. Een eventuele vernietiging van de bestreden beschikking kan daardoor geen verandering brengen in de rechtspositie van de klager met betrekking tot het vaarbewijs.
4. Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van de klager in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG