ECLI:NL:PHR:2019:1388

ECLI:NL:PHR:2019:1388, Parket bij de Hoge Raad, 12-11-2019, 19/00106

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 12-11-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/00106
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:10
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen verstekarrest, art. 432.1 Sv. HR: Op de gronden vermeld in de CAG kan verdachte niet worden ontvangen in het ingestelde beroep. CAG: een bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid welke de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar doen zijn, doet zich niet voor. Van onjuist verstrekte ambtelijke informatie is i.c. niet gebleken. Verdachte in cassatieberoep n-o.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00106

Zitting 12 november 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

Voordat ik toe kan komen aan de bespreking van het middel, verdient de ontvankelijkheid van de verdachte in cassatie aandacht. De verdachte is namelijk bij arrest van 15 november 2018 bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Hiertegen is op 7 december 2018 door de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Onder de in art. 432 lid 1 Sv genoemde omstandigheden moet het cassatieberoep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld. In sub c van die bepaling wordt genoemd de situatie waarin “zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was”. Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 15 november 2018 blijkt dat de verdachte – die overigens niet werd bijgestaan door een raadsman – op de hoogte was van die zittingsdatum, nu hij op 12 november een e-mail heeft gestuurd naar de voorzitter met een verzoek tot uitstel. Gelet hierop diende de verdachte dus binnen veertien dagen na de einduitspraak cassatie in te stellen. Dat is niet gebeurd en dit leidt er in principe toe dat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen.

Op de ontvankelijkheidsvraag in cassatie gaat ook de opsteller van de schriftuur in. In cassatie wordt niet bestreden dat de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum, maar volgens de raadsman is de termijnoverschrijding in dit geval verontschuldigbaar. De ex-partner van verdachte zou namelijk op 15 november gebeld hebben met de strafgriffie van het gerechtshof Amsterdam. Aan deze ex-partner zou zijn medegedeeld dat telefonisch geen mededelingen worden gedaan over uitspraken, noch aan de verdachte, noch aan degene die namens hem of haar informeert. De verdachte zou de uitspraak per post toegezonden krijgen en daarop moeten wachten. Vervolgens zou de toezending van het verstekarrest pas na het verstrijken van de beroepstermijn zijn toegezonden. Bij de schriftuur bevinden zich twee bijlagen om deze gang van zaken te onderbouwen: (1) een schermafbeelding waaruit zou volgen dat op 15 november om 15:55 uur voor 4 minuten en 34 seconden is gebeld met het telefoonnummer van de betreffende griffie en (2) een e-mail van de strafgriffie van het gerechtshof Amsterdam naar aanleiding van vragen van de raadsman in cassatie, waarin vermeld staat: “Telefonisch wordt er geen inhoudelijke informatie verstrekt over de uitspraak”.

Vooropgesteld dient te worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, betekent in de regel dat hij niet in cassatie kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vóór het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit (vgl. HR 20 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9906, NJ 1995/253 en HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587).

In deze zaak doet zich naar mijn oordeel een bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid als in voornoemde zin niet voor. Van onjuist verstrekte ambtelijke informatie is in deze zaak niet gebleken. Anders dan in de schriftuur genoemde zaken HR 24 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0415 en HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9060, blijkt niet dat de griffie heeft medegedeeld dat de verdachte pas in hoger beroep kon gaan nadat hij de uitspraak thuis had ontvangen. Voor die stelling ontbreekt in cassatie enige onderbouwing. In zoverre is ook een verschil aanwezig met de situatie in HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1553. Daar rees twijfel aan de precieze inhoud van de door de griffie gedane mededelingen aan de verdachte, aangezien in reactie op een klacht van de verdachte over de gang van zaken door de president van het hof was gesteld “dat de mededeling van de medewerker van de rechtbank dat de uitspraak van de politierechter naar uw huisadres zal worden gezonden en u die dient af te wachten onjuist is geweest”. Mede in dat licht was, zo maak ik op uit het arrest van de Hoge Raad, het kennelijke oordeel van het Hof dat tijdens het telefoongesprek tussen de verdachte en de medewerker van de griffie van de Rechtbank op geen enkel moment is gesproken over de termijn voor het instellen van hoger beroep en dat geen sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die een overschrijding van de wettelijke beroepstermijn verontschuldigbaar doen zijn, niet zonder meer begrijpelijk. Een dergelijke twijfel over de door de griffie gedane mededeling doet zich hier niet voor.

Voor zover de steller van het middel van oordeel is dat de cassatietermijn in een geval als het onderhavige – waarin de verdachte dus bekend is met de datum van de terechtzitting – pas begint te lopen indien de verdachte bekend is met de inhoud van het arrest, wordt een eis gesteld die naar ik meen het recht gelet op art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv niet kent. Overigens blijkt uit de bij de schriftuur gevoegde stukken enkel dat het gerechtshof Amsterdam kennelijk telefonisch geen mededelingen doet over de inhoud van uitspraken. Daarmee is natuurlijk nog niet gezegd dat de verdachte niet op een andere manier bekend kan raken met de inhoud van het vonnis. Art. 365 lid 3 Sv stelt in dat verband dat zodra het vonnis is ondertekend of ten hoogste na twee maal vier en twintig uur de verdachte daarvan en van het proces-verbaal kennis kan nemen. Een en ander kan zich voltrekken door in persoon bij het gerecht langs te gaan. Die bepaling geldt via art. 415 Sv ook voor het hoger beroep. Maar, als gezegd, het bekend worden met de inhoud van het (verstek)vonnis is in de voorliggende zaak niet een vereiste om de appeltermijn te doen starten.

3. Nu het cassatieberoep te laat is ingesteld kan verdachte in zijn beroep niet worden ontvangen.

4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?