PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/03689 H
Zitting 17 december 2019
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[aanvrager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de aanvrager.
1. De aanvrager van herziening is door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, bij vonnis van 29 januari 2019 wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, kort gezegd: rijden met een ongeldig (verklaard) rijbewijs, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
2. Bij verzoekschrift van 5 augustus 2019 is door mr. G. Lieffijn, advocaat te Den Helder, namens [aanvrager] een aanvraag van herziening ingediend, kort gezegd gebaseerd op een persoonsverwisseling.
3. Deze zaak houdt verband met een eerder herzieningsverzoek aangaande een andere veroordeling van de aanvrager. Dit verzoek is bij de Hoge Raad bekend onder rolnummer 14/06236 H. Deze herzieningszaak komt hieronder meermalen aan de orde. Ik roep bij de Hoge Raad bovendien in herinnering dat de aanvrager een sportieve man is, die van 2006 tot 2010 heeft gevoetbald in het ‘Nederlands ID-voetbalelftal’. ‘ID’ staat in dit verband voor: Intellectual Disability. Dit gegeven kan relevant zijn voor de appreciatie van zijn procesopstelling op diverse momenten in verscheidene procedures.
4. Aan de aanvraag liggen de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag, die in dit geding over herziening tot uitgangspunt genomen kunnen worden.
Het strafrechtelijke traject I:
- De politierechter te Alkmaar heeft de aanvrager bij vonnis van 14 september 2007 wegens "overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994" (rijden onder invloed) gepleegd op 10 december 2006 in de gemeente Heerhugowaard, veroordeeld tot een geldboete van € 390,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
- Bij proces-verbaal van 3 juni 2010 heeft een van de twee verbalisanten van het voorval van 10 december 2006, [verbalisant 2], die in de week van 5 mei 2010 werd geconfronteerd met – naar ik begrijp: – de aanvrager, laten weten dat de aanvrager “met 100 procent zekerheid” niet de persoon was die zij op 10 december 2006 had aangehouden.
- Tegen de veroordeling van 14 september 2007 heeft de aanvrager op 12 december 2014 bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend, gebaseerd op een claim van persoonsverwisseling (de zaak met rolnummer: 14/06236 H).
- Het verzoek tot herziening d.d. 12 december 2014 is (na enig feitenonderzoek door mijn ambtgenoot Spronken) gegrond verklaard bij arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2016.
- Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 23 november 2016 de aanvrager vrijgesproken van het tenlastegelegde op de grond dat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de aanvrager degene is geweest die op 10 december 2006 in de gemeente Heerhugowaard onder invloed van alcohol heeft gereden.
Het bestuursrechtelijke traject:
- Per 27 december 2006 deed de politie naar aanleiding van het voorval van 10 december 2006 een mededeling ex artikel 130 WVW aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
- Op 19 februari 2007 verstuurde het CBR aan de aanvrager een schriftelijke mededeling van de beslissing d.d. 19 februari 2007 (nr. 2007031554) dat de aanvrager verplicht is om mee te werken aan een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA).
- Op 27 februari 2007 heeft de aanvrager per e-mail het CBR laten weten dat hij niet de op 10 december 2006 aangehouden persoon is, en dat hij geen ademanalyse heeft ondergaan.
- Op 28 maart 2007 stuurde de aanvrager een e-mail (naar ik aanneem aan het CBR) met de herhaalde mededeling dat hij niet degene is geweest die een “dranktest” heeft moeten ondergaan, en met onder meer de vraag (in mijn woorden) kenbaar te maken op welke wijze de betrokkene zich op 10 december 2006 heeft moeten legitimeren en wat het kentekennummer van de auto was.
- Bij brief van 26 april 2007 deelde het CBR de aanvrager mee dat hij op 28 maart 2007 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit van 19 februari 2007, maar dat dit bezwaarschrift niet de werking van dat besluit schorst.
- Het CBR heeft de politie per faxbericht van 8 mei 2007 verzocht om informatie over het voorval van 10 december 2006.
- De politie heeft aan het CBR op 31 mei 2007 een memo verzonden met informatie over de gang van zaken na het voorval van 10 december 2006 en de reden waarom de identiteit van de betrokkene toen niet kon worden vastgesteld aan de hand van een identiteitsdocument. In dit memo doen de verbalisanten een aanbod tot persoonlijke confrontatie met de aanvrager.
- Bij aanvullend proces-verbaal van 16 juli 2007 deelden de twee verbalisanten van het voorval van 10 december 2006 mee op welke wijze zij de identiteit van de betrokkene hadden vastgesteld, namelijk door de vergelijking van de betrokkene met een politiefoto van de aanvrager uit het jaar 2000 en het stellen van controlevragen.
- Bij besluit van 29 oktober 2007, nr. 2007031554, heeft het CBR vastgesteld dat de aanvrager niet heeft meegewerkt aan de EMA, en bepaald dat het rijbewijs van de aanvrager voor alle categorieën ongeldig wordt verklaard met ingang van de zevende dag na dagtekening van het besluit.
- Bij aangetekende brief van 29 oktober 2007, nr. 2007031554, heeft het CBR aan de aanvrager kenbaar gemaakt dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard omdat hij niet heeft meegewerkt aan de EMA, dat zijn rijbewijs vanaf 5 november 2007 ongeldig is en moet worden opgestuurd naar het CBR.
- Bij beschikking van 18 december 2007 heeft het CBR het bezwaarschrift d.d. 27 februari 2007 van de aanvrager tegen het besluit van het CBR d.d. 19 februari 2007, nr. 2007031554, tot het verplichten van de EMA ongegrond verklaard en het besluit van 19 februari 2007, nr. 2007031554, in stand gelaten.
- Naar ik begrijp uit een mutatierapport van 3 juli 2010 is op 26 mei 2010 om 5.11 uur in de ochtend het rijbewijs van de aanvrager ingenomen. Kennelijk heeft de aanvrager bij die gelegenheid kenbaar gemaakt dat inzake de veroordeling voor het voorval van 10 december 2006 zijn naam moet worden “gezuiverd”.
Het strafrechtelijke traject II:
- Het zij herhaald: de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, heeft bij (het thans bestreden) vonnis van 29 januari 2019 de aanvrager wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, kort gezegd: rijden met een ongeldig (verklaard) rijbewijs, gepleegd op 25 februari 2017, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
- Het proces-verbaal d.d. 21 maart 2017 van de verbalisant [verbalisant 1], betreffende de aanvrager, opgemaakt in verband met de constatering dat de aanvrager op 25 februari 2017 te Alkmaar heeft gereden op een moment dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, wijst uit dat de ongeldigverklaring heeft plaatsgehad bij besluit van het CBR van 29 oktober 2007, onder verwijzing naar nr. 2007031554 (kortom een besluit van dezelfde datum en met hetzelfde nummer als meermalen vermeld onder het kopje ‘het bestuursrechtelijke traject’).
- De aanvrager bleek op 25 februari 2017 (na het geven van gevolg aan een stopteken wegens rijden zonder gordel) geen identiteitsbewijs bij zich te hebben. De verbalisant [verbalisant 1] verifieerde de identiteit van de aanvrager middels een politiefoto uit het jaar 2000. In reactie op de mededeling dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard deelde de aanvrager mede dat zijn advocaat “daarmee bezig” was. In deze procedure in herziening wordt overigens niet de stelling betrokken dat een ander dan de aanvrager op 25 februari 2017 is staande gehouden.
5. De aanvrager voert aan dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs die ten grondslag ligt aan de bestreden veroordeling van de aanvrager door de politierechter te Alkmaar bij vonnis van 29 januari 2019 (hierboven: ‘het strafrechtelijke traject II’), voortvloeit uit de veroordeling bij vonnis van 14 september 2007 voor rijden onder invloed (hierboven: ‘het strafrechtelijke traject I’). Tegen die veroordeling uit 2007 werd al eerder een aanvraag tot herziening ingediend gebaseerd op een persoonsverwisseling. Deze aanvraag werd gegrond verklaard, waarna het gerechtshof Amsterdam op 23 november 2016 de aanvrager heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde op de grond dat niet met de vereiste mate van zekerheid kon worden vastgesteld dat de aanvrager degene is geweest die onder invloed van alcohol heeft gereden (zie de afloop van ‘het strafrechtelijke traject I’).
6. De aanvraag berust op de stelling dat de politierechter te Alkmaar in de onderhavige zaak niet tot een veroordeling zou zijn gekomen, indien hij bekend was geweest met het door het gerechtshof Amsterdam gewezen arrest van 23 november 2016. Aan de redenering van de aanvrager ligt de veronderstelling ten grondslag dat met de vrijspraak ten aanzien van het rijden onder invloed, de basis voor de oplegging van de EMA is komen te vervallen en dat het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs daarmee van meet af aan ongeldig is geweest.
7. Uit de aantekening mondeling vonnis van de politierechter te Alkmaar kan niet worden afgeleid dat de politierechter bij het wijzen van zijn vonnis bekend was met het arrest van het gerechtshof Amsterdam met betrekking tot de vrijspraak voor het rijden onder invloed op 10 december 2006. Het arrest maakt geen deel uit van het door de Hoge Raad ontvangen strafdossier. Daarmee is echter niet alles gezegd.
8. Indien bij een belanghebbende onvrede bestaat over het door een bestuursorgaan genomen besluit, staat de mogelijkheid open om daartegen in bezwaar of beroep te gaan. Het is aan het betreffende bestuurs- of beroepsorgaan, al dan niet in reactie op het bezwaar of beroep, handelingen te treffen die betrekking hebben op de geldigheid van het rijbewijs, bijvoorbeeld door het besluit tot ongeldigverklaring te herroepen of vernietigen. Een besluit van het bestuursorgaan (in dit geval: het CBR) ongeldig verklaren, behoort niet tot het arsenaal van de strafrechter. In het licht van deze zaak moet dan ook worden geconstateerd dat de geldigheid van het besluit van het CBR door de vrijspraak door het gerechtshof niet wordt aangetast en dat de politierechter dat besluit niet zelfstandig ongeldig kan verklaren, indien hij al van de vrijspraak op de hoogte zou zijn geweest.
9. Daarbij kan worden opgemerkt dat krachtens artikel 6:16 Awb als hoofdregel geldt dat het administratief bezwaar of beroep de werking van het besluit waartegen het is gericht niet schorst. Ook in het geval dat een bij een dergelijk besluit opgelegde maatregel onterecht zou zijn, moet de betrokkene zich dus aan de voorwaarden houden, op zijn minst totdat het bestuursorgaan of de bestuursrechter daarover een oordeel heeft geveld. In NJ 1995/407 oordeelde de Hoge Raad in relatie tot de ongeldigverklaring van het rijbewijs:
“Aangezien geen wetsbepaling, voor het geval na zodanige ongeldigverklaring enig administratief bezwaar of beroep wordt ingesteld, daaraan schorsende werking verleent, is gedurende de behandeling van het bezwaar of beroep de ongeldigverklaring onverminderd van kracht en doet het aanhangig zijn van zodanige procedure niet af aan het in art. 32, tweede lid, WVW vervatte verbod.”
In rechtsoverweging 5.4.1 vervolgt de Hoge Raad:
“Indien echter een ongeldigverklaring als bedoeld in art. 18b, vijfde lid, WVW naar aanleiding van een administratiefrechtelijke procedure alsnog is ingetrokken of herzien (…) brengt zulks in beginsel mee dat achteraf moet worden geoordeeld dat die ongeldigverklaring nimmer heeft gegolden, zodat op gedragingen begaan gedurende de hiervoren onder 5.3.1 bedoelde periode het in art. 32, tweede lid, WVW vervatte verbod toepassing mist.”
10. Hieruit volgt dat een vrijspraak uitsluitend voor de hand had gelegen indien de strafrechter zou hebben vastgesteld dat de geldigheid van het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs met terugwerkende kracht was komen te vervallen, en had geoordeeld dat dit in de weg staat aan een veroordeling wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994.
11. Hoewel de aanvrager op 19 februari 2007 bezwaar heeft aangetekend tegen de EMA, is tegen de daaropvolgende beslissing tot ongegrondverklaring van dat bezwaar nooit beroep ingesteld. Tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs is eveneens geen bezwaar of beroep aangetekend. Ook na de vrijspraak van het gerechtshof Amsterdam van 23 november 2016 zijn er geen omstandigheden geweest waaruit de politierechter te Alkmaar heeft kunnen afleiden dat het besluit door het CBR of de bestuursrechter is herzien. Er lag nog altijd een geldig besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Hoewel ik begrip kan opbrengen voor de opvatting dat materieel gezien de grondslag voor de verplichting tot de EMA en de daaruit voortvloeiende ongeldigverklaring na de vrijspraak heeft ontbroken, lag een andere beslissing dan een bewezenverklaring niet binnen het bereik van de strafrechter.
12. Dit betekent ook dat de aanvrager wat betreft zijn rijbevoegdheid niet werkelijk is geholpen met een gegrondverklaring van het herzieningsverzoek. Bij gebrek aan contra-indicaties moet worden aangenomen dat het rijbewijs van de aanvrager nog steeds ongeldig is en dat wanneer hij in weerwil hiervan blijft optreden als bestuurder van een motorvoertuig nog meer veroordelingen in het verschiet liggen. Sterker nog, ik merk op dat de politie (ook) op 4 november 2014 te Alkmaar heeft geconstateerd dat de aanvrager een voertuig bestuurde terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard bij het meergenoemde besluit van het CBR. De aanvrager identificeerde zich toen met een identiteitskaart. De politierechter te Alkmaar heeft de aanvrager hiervoor bij vonnis van 2 september 2015 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Deze straf is in de maand maart 2016 volledig ondergaan.
13. In verband met een recent gewezen arrest van de Hoge Raad heb ik nog het volgende overwogen. De bestreden veroordeling voor het rijden met ongeldig-verklaard rijbewijs ligt meer complex indien de aanvrager na de vrijspraak van het gerechtshof Amsterdam had mogen veronderstellen dat daarmee ook de ongeldigheid van het rijbewijs was opgeheven. Artikel 9, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994, bevat het subjectieve bestanddeel dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat het rijbewijs ongeldig was verklaard. De lat voor het bewijs daarvan ligt, zoals blijkt uit de uitgebreide conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld onder HR 13 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, betrekkelijk hoog. De aanvankelijke wetenschap omtrent de ongeldigheid van het rijbewijs is in de onderhavige zaak geen onderwerp van discussie. Van belang is wel de vraag of aan deze recente rechtspraak gezichtspunten kunnen worden ontleend die ook op de hier besproken kwestie van toepassing zijn, nu het in zekere zin spiegelbeeldig kan worden opgevat: kunnen zich omstandigheden voordoen waaruit de aanvrager heeft kunnen afleiden dat de ongeldigheid van het rijbewijs was komen te vervallen? Met andere woorden, kan een vrijspraak van de strafrechter met betrekking tot het rijden onder invloed bij de aanvrager de gerechtvaardigde indruk hebben gewekt dat het rijbewijs weer geldig zou zijn, nu het rijden onder invloed het fundament is geweest voor de EMA, die op zijn beurt weer de grondslag vormt voor het ongeldig verklaren van het rijbewijs?
14. Er zijn weinig aanknopingspunten om aan te nemen dat die indruk bij de aanvrager is gewekt. De kwestie had eventueel voor de einduitspraak van de politierechter relevant had kunnen zijn. Een bevestigend antwoord had immers geleid tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld (specifiek: een rechtsdwaling) en daarmee een grond voor herziening kunnen opleveren. Dit punt is echter niet in de aanvraag betrokken. De aanvrager is bovendien bij brief van 26 april 2007 op de hoogte gebracht dat het indienen van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht niet de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht, al is daarmee over de invloed van strafrechtelijke beslissingen nog niks gezegd. Bovendien heeft de strafrechter geen mededelingen gedaan aan de aanvrager dat de vrijspraak invloed heeft op de geldigheidsstatus van het rijbewijs, noch valt dat uit schriftelijke stukken van bijvoorbeeld het CBR af te leiden. Toch moet niet over het hoofd worden gezien dat niet altijd helder is hoe de juridische structuren in elkaar zitten. In een geval als het onderhavige leidt één – naar ik aanneem: onjuist gebleken – overheidshandeling tot een veelvoud aan met elkaar samenhangende beslissingen die soms binnen een bestuursrechtelijk, dan weer binnen een strafrechtelijk kader vallen. De grenzen (en de gevolgen daarvan) zijn, zeker voor niet-juridisch geschoolden, niet altijd makkelijk te onderscheiden. Dit klemt temeer voor de persoon van deze aanvrager.
15. Al met al komt het erop neer dat de aanvrager de weg van het bestuursrecht had moeten bewandelen om in opstand te komen tegen het besluit tot de verplichting van de EMA en de daaruit voortvloeiende ongeldigverklaring van het rijbewijs, alvorens een aanvraag tot herziening te doen inzake de overtreding van artikel 9, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994. De strafrechtelijke herzieningsprocedure kent hier zijn beperkingen. Het voorgaande zou voor de aanvrager reden kunnen zijn de kwestie nogmaals onder de aandacht van het CBR te brengen. Als het besluit tot ongeldigverklaring door het CBR met terugwerkende kracht wordt herroepen, staat niets eraan in de weg opnieuw een herzieningsverzoek in te dienen.
16. Deze conclusie strekt tot ongegrondverklaring van de aanvraag.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden