ECLI:NL:PHR:2019:171

ECLI:NL:PHR:2019:171, Parket bij de Hoge Raad, 22-02-2019, 18/03763

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-02-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/03763
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:699
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Procesrecht. Art. 32 Rv. Verzuim rechter om te beslissen over onderdeel van het gevorderde of verzochte. Mogelijkheid voor partij om rechter te verzoeken zijn uitspraak aan te vullen. Kan verzoek om aanvulling ook worden gedaan door de wederpartij?

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het middel bevat twee onderdelen (I en II), die elk uiteenvallen in verschillende klachten.

Onderdeel I is gericht tegen de tussenbeschikking van 16 november 2017. Onderdeel I.1 klaagt dat het hof in rov. 4, hiervoor weergegeven in 1.15, en in het dictum blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vrouw ontvankelijk was in haar verzoek in de brief van 10 mei 2017 om de beschikking van 1 mei 2014 aan te vullen krachtens art. 32 Rv, omdat hof bij brief van 8 december 2015, hiervoor weergegeven in 1.12, heeft beslist dat (ook) voor aanvulling van de beschikking in de zin van art. 32 Rv geen aanleiding bestaat, nu zich niet de situatie voordoet dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een onderdeel van het verzochte. Het onderdeel betoogt dat het hof op die beslissing niet kon terugkomen en dat het derhalve in de beschikking van 16 november 2017 “het (herhaalde) verzoek van de vrouw van 10 mei 2017” had moeten afwijzen. Het onderdeel stelt verder dat, als de vrouw “zou volharden in haar standpunt dat de door de man teveel betaalde partneralimentatie door haar onverschuldigd aan hem is terugbetaald”, zij een bodemprocedure dient op te starten. Onderdeel I.2 koppelt aan de rechtsklacht van onderdeel I.1 een motiveringsklacht. Geklaagd wordt dat het bestreden oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat het hof bij zijn oordeelsvorming omtrent de ontvankelijkheid zijn brief van 8 december 2015 niet kenbaar heeft betrokken.

Art. 32 lid 1, eerste volzin, Rv bepaalt dat de rechter “te allen tijde” op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. De strekking ervan is met een eenvoudige rechtsgang een omissie in een vonnis, arrest of beschikking te herstellen om te voorkomen dat een rechtsmiddel moet worden ingesteld, waar zulks als te veel van het goede moet worden beschouwd. De regeling sluit aan bij eerdere jurisprudentie van Uw Raad. Een partij heeft de keuze om hetzij een rechtsmiddel in te stellen hetzij de rechter om aanvulling te verzoeken. Daarnaast kan eiser een nieuwe procedure in eerste instantie beginnen, nu er immers geen uitspraak over dit gevorderde/verzochte is gedaan en dus niet met kracht van gewijsde hierover is beslist. Vereist is dat over een onderdeel van het gevorderde of verzochte niet is beslist. Het kan in een gegeven geval lastig zijn te beoordelen of sprake is van een stilzwijgend (en dus afwijzend) oordeel of van een niet reageren op de eis. Wanneer het dictum van een uitspraak de zin “wijst af het meer of anders gevorderde/verzochte” bevat, kunnen beide mogelijkheden zich voordoen. Aanvulling is dan mogelijk indien de rechter tot de conclusie komt dat hij daarbij een (deel van de) vordering of een (deel van het) verzoek over het hoofd heeft gezien en die afwijzing daarop dan ook geen betrekking heeft. Doorgaans zal dit daaruit blijken dat er in het geheel geen motivering voor een afwijzing valt te ontdekken in de uitspraak. Als in de motivering wel over een deel van het gevorderde/verzochte is beslist, maar dit niet in het dictum is neergelegd, is sprake van een vergissing die voor verbetering op de voet van art. 31 Rv vatbaar is.

In de brief van 8 juni 2015 heeft de vrouw het hof verzocht om de beschikking van 1 mei 2014 te herstellen omdat daarin volgens haar sprake is van een kennelijke vergissing, daarin bestaande dat de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie is bepaald op 1 augustus 2012 in plaats van op 2 oktober 2012. Het hof heeft in zijn brief van 8 december 2015 aangegeven dat de vrouw zich kennelijk baseert op art. 31 lid 1 Rv, aangezien zij om correctie van de beschikking van 1 mei 2014 vraagt. Het hof heeft het verzoek afgewezen op de grond dat naar zijn oordeel met betrekking tot de vastgestelde ingangsdatum geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van art. 31 Rv. De brief van 8 juni 2015 bevat niet het betoog dat in de beschikking van 1 mei 2014 is verzuimd om (gemotiveerd) te beslissen op het verzoek van de man inzake de eventuele terugbetalingsverplichting van de vrouw ter zake de te veel door de man aan haar betaalde partneralimentatie. Ook wordt het hof in die brief niet verzocht om alsnog op de voet van art 32 Rv een beslissing te nemen op dat verzoek. Voor zover het onderdeel betoogt dat de vrouw in haar brief van 8 juni 2015 een dergelijk verzoek wel heeft gedaan, mist het feitelijke grondslag in de gedingstukken. De beslissing van het hof in de brief van 8 december 2015 dat (ook) voor aanvulling van de beschikking in de zin van art. 32 Rv geen aanleiding bestaat, nu zich niet de situatie voordoet dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een onderdeel van het verzochte, mist naar mijn mening in wezen zelfstandige betekenis, nu een concreet verzoek op de voet van dat artikel niet was gedaan. De conclusie is dat de beslissing van het hof in de brief van 8 december 2015 niet aan een beslissing op het (voor het eerst) in de brief van 10 mei 2017 gedane verzoek van de vrouw op de voet van art. 32 Rv in de weg stond. De onderdelen I.1 en I.2 falen derhalve.

Onderdeel I.3 klaagt dat de rechtsoverwegingen 4 en 5 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat die overwegingen niet begrijpelijk zijn. Het onderdeel betoogt in dat verband, samengevat, onder (i) dat het nalaten door het hof om in het dictum van zijn beschikking van 1 mei 2014 uitdrukkelijk op te nemen dat op de vrouw een terugbetalingsverplichting rust, slechts tot gevolg heeft gehad dat de man met betrekking tot de terugbetalingsverplichting geen executoriale titel heeft verkregen, doch dat dit geen probleem heeft opgeleverd nu de vrouw “vrijwillig, gaaf en onvoorwaardelijk” de teveel door haar ontvangen alimentatie op 13 mei 2014 aan de man heeft terugbetaald. Het onderdeel betoogt onder (ii) dat de vrouw geen belang in de zin van art. 3:303 BW had/heeft omdat, zelfs indien de eindbeschikking in stand zou blijven, die uitspraak voor haar geen executoriale titel oplevert.

Het onderdeel faalt. Het betoog onder (i) ziet eraan voorbij dat het hof in rov. 4 van de tussenbeschikking van 16 november 2017 nu juist heeft geoordeeld dat het in de beschikking van 1 mei 2014 heeft verzuimd om (gemotiveerd) te beslissen omtrent de eventuele terugbetalingsverplichting van de vrouw ter zake de te veel door de man betaalde partneralimentatie als door de man is verzocht. De vrouw had er belang bij dat het hof alsnog op het verzoek van de man zou beslissen, aangezien dit immers ook kon worden afgewezen. Dat de vrouw reeds aan de man had terugbetaald doet aan haar belang geen afbreuk. Ook het betoog onder (ii) faalt. Ook indien moet worden aangenomen dat de uitspraak van het hof voor de vrouw geen executoriale titel oplevert (en ervan uitgaande dat de bestreden uitspraak de man geen aanleiding geeft om uit zichzelf tot terugbetaling over te gaan van het door de vrouw aan hem (terug)betaalde bedrag), dan zou een executoriale titel bij verwerping van het onderhavige cassatieberoep in een (eventuele) vervolgprocedure op eenvoudige wijze kunnen worden verkregen.

Onderdeel I.4 is gericht tegen het oordeel in rov. 4 dat omtrent de eventuele terugbetalingsverplichting door partijen in het hoger beroep geen debat is gevoerd. Het onderdeel klaagt dat deze vaststelling zonder nadere toelichting niet begrijpelijk is, omdat zowel in het beroepschrift van 5 september 2013 als in het verweerschrift van 30 oktober 2013 “maar over één onderwerp is gedebatteerd, te weten verlaging van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met terugwerkende kracht”.

Bij de beoordeling stel ik voorop dat de door het hof in de aanvang van rov. 3.3 van de eindbeschikking geformuleerde maatstaf, hiervoor weergegeven in 1.17, in cassatie - terecht - niet wordt bestreden. Ingevolge deze maatstaf, vaste jurisprudentie van Uw Raad, dient de rechter steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. De rechter is bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer. Bij de beoordeling is onder meer van belang (i) de omvang van de eventuele terugbetalingsverplichting, (ii) hetgeen is gebleken omtrent de financiële situatie van partijen, (iii) in hoeverre de eerder betaalde bijdragen reeds zijn verbruikt, (iv) of deze bijdragen in overeenstemming waren met de behoefte, en (v) het belang van de onderhoudsplichtige bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde bijdragen. Het onderdeel verwijst niet naar passages in het beroepschrift van 5 september 2013 en het verweerschrift van 30 oktober 2013 waar specifieke stellingen met betrekking tot (al) deze omstandigheden zijn ingenomen. Het oordeel dat dergelijke stellingen eerder in de appelprocedure niet zijn ingenomen is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het stond het hof vrij om de zaak te heropenen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om uitsluitend met betrekking tot een eventuele terugbetalingsverplichting (alsnog) stellingen in te nemen. Het onderdeel faalt.

Onderdeel I.5 bevat geen klacht, althans geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft.

Onderdeel II is gericht tegen de eindbeschikking van 19 juli 2018. Onderdeel II.1 bouwt uitsluitend voort op een aantal klachten van onderdeel I en dient daarvan het lot te delen.

Onderdeel II.2 is gericht tegen het volgende oordeel in rov 3.3 (alsmede tegen het dictum):

“Tussen partijen is niet in geschil dat de man vanaf 1 oktober 2012 tot 1 mei 2014 te veel partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan en dat het een bedrag betreft van totaal € 12.291,18. Weliswaar heeft de man belang bij terugbetaling van te veel betaalde partneralimentatie, doch het hof is van oordeel dat in redelijkheid geen op de vrouw rustende terugbetalingsverplichting kan worden aanvaard. De door de man van 1 oktober 2012 tot 1 mei 2014 te veel betaalde partneralimentatie is aanmerkelijk lager dan de (door de man zelf gestelde) aanvullende behoefte van de vrouw, zodat het in zoverre redelijk is om ervan uit te gaan dat de vrouw hetgeen de man te veel aan partneralimentatie heeft betaald, heeft verbruikt.”

Het onderdeel klaagt dat het hof met dit oordeel miskent dat de terugbetalingsverplichting van de vrouw “besloten ligt” in de uitspraak dat de alimentatieplicht van de man met terugwerkende kracht is verlaagd per 1 augustus 2012. Daarmee is volgens het onderdeel onverenigbaar het oordeel dat in redelijkheid geen op de vrouw rustende terugbetalingsverplichting kan worden aanvaard. Omdat de beschikking van 1 mei 2014 in kracht van gewijsde is gegaan kon het hof, aldus nog steeds het onderdeel, op de in die beschikking uitgesproken verlaging van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in haar beschikking van 18 juni 2013 bepaalde partneralimentatie niet terugkomen.

Het onderdeel faalt. Het ziet eraan voorbij dat de hiervoor in 2.8 weergegeven maatstaf met zich meebrengt dat het oordeel dat een (achteraf gezien) teveel betaalde partneralimentatie al dan niet moet worden terugbetaald genoegzaam, dat wil in ieder geval zeggen: kenbaar, moet worden gemotiveerd. Naar aanleiding van het verzoek van de vrouw van 10 mei 2017 diende het hof zijn eerdere beslissing van 1 mei 2014 uit te leggen. Het hof heeft in rov. 4 van de thans in cassatie bestreden tussenbeschikking van 16 november 2017 overwogen dat in de beschikking van 1 mei 2014 is verzuimd (gemotiveerd) te beslissen omtrent de eventuele terugbetalingsverplichting van de vrouw ter zake de te veel door de man betaalde bijdrage in haar levensonderhoud als door de man is verzocht. Reeds gelet daarop faalt het betoog van het onderdeel dat de terugbetalingsverplichting van de vrouw besloten ligt in de uitspraak dat de alimentatieplicht van de man met terugwerkende kracht is verlaagd per 1 augustus 2012. Ook het betoog dat de beschikking van 1 mei 2014 “in kracht van gewijsde is gegaan” faalt. Het miskent immers dat een verzoek op de voet van art. 32 Rv te allen tijde, derhalve ook na het verstrijken van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel, kan worden gedaan.

In onderdeel II.3 wordt opnieuw geklaagd dat het hof heeft miskend dat de vrouw geen belang heeft bij de verzochte aanvulling van de beschikking van 1 mei 2014, omdat de beschikking van 19 juli 2018 haar geen executoriale titel verschaft om terugbetaling door de man af te dwingen van het door haar “vrijwillig” op 13 mei 2014 betaalde bedrag van € 12.291,18. Het onderdeel stuit af op hetgeen hiervoor bij de bespreking van onderdeel I.3 is opgemerkt.

Onderdeel II.4 tot slot is gericht tegen het oordeel in rov. 3.3 dat “het in zoverre redelijk is om ervan uit te gaan dat de vrouw hetgeen de man teveel aan partneralimentatie heeft betaald, heeft verbruikt”. Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, nu uit de stellingen van de vrouw blijkt dat zij het bedrag vrijwillig heeft terugbetaald met spaargeld. Daarmee is volgens het onderdeel gegeven dat zij het bedrag van € 12.291,18 op de datum van terugbetaling niet had verbruikt.

Ook dit onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De door het hof gehanteerde term “verbruikt” moet niet worden opgevat in de door het onderdeel voorgestane beperkte betekenis. De vrouw heeft in de punten 10 en 11 van de ‘akte uitlating over het verzoek tot terugbetaling van ontvangen alimentatie’ aangevoerd (i) dat het door haar aan de man terugbetaalde bedrag afkomstig is van spaargeld dat bedoeld was als reservering voor de afdracht aan de belastingdienst in verband met de ontvangen partneralimentatie en een aflossing van de hypothecaire schuld om zo haar woonlasten verder omlaag te brengen, mede met het oog op haar leeftijd, (ii) dat zij door het aanwenden van haar spaargeld ten behoeve van de terugbetaling aan de man met de belastingdienst een betalingsregeling heeft moeten treffen, en (iii) dat zij een aflossing van de hypothecaire schuld door het betalen van € 12.290,- aan de man helemaal niet meer heeft kunnen doen. Op goede gronden kan worden betoogd dat de reservering van het spaargeld voor de door de vrouw genoemde twee specifieke doelen kan worden bestempeld als het ‘verbruiken’ van de ontvangen partneralimentatie.

Nu geen van de onderdelen slaagt, dient het cassatieberoep te worden verworpen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JIN 2019/106 met annotatie van Janssen, M.A.J.G. JBPr 2019/34 met annotatie van Lewin, G.C.C.
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?